De Hofnar van Gelre
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
door J. C. HOMOET
Wonderlijk ! - nu voelt hij ook volle vrede uit de Hemel in zijn hart nederdalen. Hij zou wel kunnen juichen en loven. De lentedagen van zijn nieuwe leven, ze zijn onder veel kommer en druk voorbijgegaan, thans is de volle, blijde zomertijd voor zijn ziel gekomen. De Heere heeft alles wèl gemaakt.
HOOFDSTUK XIV.
In „De herberge der verdrukten". Na Harderwijks overgave was de oorlog tussen de Oostenrijkers en Geldersen echter nog niet geëindigd. Schenk's troepen vielen ook in de Betuwe en omsingelden het stadje Tiel. Dan, ofschoon de aanvallers 20.000 man sterk waren en-de vesting maar door 800 soldaten, behalve de poorters, werd verdedigd, toch moesten de Oostenrijkers na drie weken het beleg opbreken met een verlies van 1500 man.
't Was voor keizer Karel een tegenslag. Hij voorzag nu een bloedige krijg, die jaren lang kon aanhouden. Daarom sloot hij liever een eervolle vrede.
Ook Karel van Gelder verlangde voor 't eerst van zijn leven naar rust, en zo werd nog de 3e October van 't zelfde jaar '— 1528 — te Gorinchem een vredesverdrag gesloten. Hierbij werd o.a. het volgende bepaald : Hertog Karel zou Gelre en Zutfen, benevens Groningen, Coevorden en Drente van de Duitse Keizer tot zijn dood als leen bezitten, maar zo hij kwam te overlijden zonder kinderen na te laten, zouden die landen aan de Keizer vervallen. Bovendien zou de Gelderse hertog jaarlijks 16000 gulden uit 's Keizers schatkist ontvangen, voor welke toelage hij zijn leenheer trouw moest dienen en beloven, geen verbond met de Franse koning te sluiten. Ook kreeg de Hertog de steden Hattem, Elburg en Harderwijk terug.
Meester Occo besloot nu uit Harderwijk te vertrekken en zich in zijn geboorteplaats Emden te vestigen. Ten eerste verlangde hij weer als eerlijk man en zonder bevlekte naam in z'n vaderland terug te keren en ten tweede zag hij zich hiertoe ook gedwongen, wilde hij niet andermaal in handen van de Hertog vallen. Evenwel, het kostte hem en Anna veel, van de geloofsgenoten, en in 't bijzonder van de godvrezende Rutger, afscheid te nemen.
In Emden aangekomen, werd zijn vonnis, dank zij de bewuste verklaring van zijn overleden neef Onno, alsmede door de tussenkomst van graaf Johan, terstond vernietigd. Kort daarna werden hem ook al zijn verbeurdverklaarde goederen teruggegeven.
Meester Occo sloot zich nu in zijn vaderstad aan bij de Zwinglianen en genoot steeds heerlijk, als hij op de dag des Heeren met de zijnen ongehinderd in de Gasthuiskerk het Woord Gods mocht horen verkondigen.
Noemde men in die tijd en later de stad Emden „die herberge van Gods verdrukte gemeente", dan kon Occo's woning wel een kleine herberg voor die gemeente geheten worden. Velen van de vervolgden om het geloof toch, die uit de gewesten, waarover keizer Karel en hertog Karel regeerden, naar het protestantse Oost-Friesland vluchtten en hier zo hartelijk door hun geloofsgenoten werden ontvangen, maakten meer of minder met de gastvrije woning van de Emder droogscheerder kennis, waar men altijd zo bereidwillig was om hulp, steun en troost te bieden.
Als meester Occo later van de vrede vervolgingen hoorde en ook van de velen, die hun standvastigheid in het geloof met hun bloed bezegelden, dan dankte hij telkens weer de Heere, die hem met de zijnen deed leven in een land, waar zij Hem konden dienen naar de lust van hun hart.
Biddende voor de broeders in de vervolging, zong hij vaak in den gelove ook het heerlijke lied van Luther, dat deze met het oog op de martelaren in ons vaderland dichtte :
Hun as gloeit voort en laat niet af. Maar stuift van land tot lande ; Hier helpt geen kloof, geen kuil, geen graf. De vijand baart zij schande. Zij, die, bij 't leven, door de moord Tot zwijgen zijn gedwongen. Zij spreken tharts in ieder oord. En door veel duizend tongen Wordt Hij hun lof gezongen.
De eerwaarde prediker Resius is meester Occo levenslang dankbaar gebleven. Gaarne had hij het gezien, dat deze zich in Emden als predikant had gevestigd; dit geschiedde evenwel niet, want de vurige prediker wilde Norden, waar hem het eerst 't predikambt was opgedragen, niet verlaten. Over en weer bezochten beiden elkander nu en dan, en bij zulke gelegenheden schonk , , de Norser Evangelist", zoals Resius wel genoemd werd, de meester vaak een exemplaar van een der verschillende godsdienstige geschriften, die hij tot stichting zijner gemeepte vervaardigde, en eens aan Siebe een afdruk van het innige gezang, hetwelk hij voor het Heilig Avondmaal dichtte en dat ook in de kerk gezongen werd, aanvangende met deze versregel: , , 0 Christ, wij danken dijner goed".
Tegelijk met de droogscheerdersfamilie waren ook vrouw Marijke en haar zoon Cornelis naar Emden getrokken. Na de ramp, haar in Harderwijk overkomen, herstelde Marijke langzamerhand wel in zoverre, dat zij weder enig huiswerk kon verrichten, doch de oude van vroeger werd zij niet meer. Maar ook nog in een ander opzicht verschilde zij thans van voorheen : zij was een ware Christin geworden : haar berouw was niet oppervlakkig geweest, maar had een onberouwelijke bekering tot zaligheid gewerkt.
In Emden gekomen, werd zij door meester Occo in staat gesteld wederom een kleine nering te beginnen. Niet lang meer toefde zij echter in heur aardse vaderland. Toen in 't volgende jaar een gevreesde epidemie, Engels zweet genoemd, die reeds voor de vierde maal Europa teisterde en duizenden slachtoffers eiste, van Engeland naar Holland en Oost-Friesland overkwam, werd ook Marijke aangetast. Haar verzwakte lichaam kon aan de hevige ziekte weinig weerstand bieden en na enkele dagen overleed zij in de volle verzekerdheid, dat zij heenging naar het hemelse Vaderland.
Corneliswas lang ontroostbaar. Gelukkig werd de kleine gezel niet aan zijn lot overgelaten. Meester Occo nam hem in zijn huis op en beschouwde hem als zijn tweede zoon.
Siebe was eveneens bij zijn ouders gebleven. Wel had Resius er meermalen bij hem op aangedrongen dat hij predikant zou worden, doch de jonge man weigerde : hij had het zich tot levenstaak gesteld, zijn ouders op hun oude dag tot steun te zijn, en van dat besluit was hij door niemand en niets af te brengen. En hoe kon hij hen beter steunen, dan door zijn vader in diens handwerk bij te staan? Daarom leerde hij het droogscheren en werkte als een gewoon gezel met de andere gezellen mede.
Toch kon hij zijn lust tot lezen en onderzoeken niet geheel onderdrukken : in zijn vrije uren zag men hem vaak in een boek verdiept; meestal was dit boek de grote Liesveldtse *) Bijbel. Soms ook vervaardigde hij nog wel eens een enkel geestelijk liedeke, docla later zijn al deze dichtproeven verloren gegaan'.
Jaren gingen voorbij. De droogscheerdersfamilie noch Cornelis zag of hoorde iets meer van de hertogelijke nar. Ook was elke poging ijdel om door tussenkomst van handelaren uit Gelre en Holland iets van hem te weten te komen. Ten laatste waande men hem dood.
Op een buiige dag in de winter van 1538 verscheen echter onverwachts de doodgewaande nar in meester Occo's woning. Met ongeveinsde vreugde werd hij er door allen begroet, inzonderheid door zijn halfbroer Cornelis.
Het geestige manneke van vroeger was het evenwel niet meer : hij leek ineengekrompen ; zijn ogen hadden niets meer van het guitige en vrolijke van voorheen, maar keken, als hij niet werd tegengesproken, dof, ja, droevig en als naar binnen gekeerd.
„De grote zot is ad patres, dood", zei hij somber, terwijl nog 'n flauw glimlachje droevig om zijn lippen speelde. , , Ik ben tot het laatste ogenblik bij hem gebleven. Die zwarte gal heeft 't hem ten laatste gedaan. Nu is mijn gal ook zo geel niet meer. Kees".
„Maar blijf dan voor goed bij ons", zei zijn broer hartelijk ; „dan wordt je gal zeker weer helemaal geel, net als van ons allen hier, zo geel als goud, dat zeg ik. Je kunt voorlopig bij mij in 't kamertje slapen en je zult behandeld worden, bijlo ! als de graaf zelf, of 't niet waar is ! En en : meester Occo heeft 't me zelf gezeid : die wil voor ons beiden een huis laten bouwen, uit dankbaarheid, omdat je "
„Eilacy, Kees, dat gaat niet, m'n jongen, 't kan niet. Nu neef Karel dood is, heb ik nergens rust meer. 'k Moet seffens weer op de pelgrimage. Eerst een bedevaart naar Arnhem. In de Eusebiuskerk, daar ligt hij. In een mooi praalgraf, och ja. En dan "
Toen zweeg hij, hoofdschuddend, en glimlachte weer zó droevig, dat de wonderlijke ogen van Cornelis als verschrikt in de uiterste ooghoeken gingen staaii en er vochtig van werden. En ook de kleine gezel schudde tegelijk zijn groot hoofd en glimlachte daarbij eveneens, maar — o zo pijnlijk.
Een paar dagen nog genoot Ogeüs meester Occo's gastvrijheid, toen verdween het manneke weer even onverwacht, als hij gekomen was, voor Cornelis een buidel goudguldens '— een deel zijner spaarpenningen — achterlatende.
Cornelis was bitter bedroefd. „Wacharme!" zuchtte hij meermalen. , , Die goeie broer, die goeie broer! Hij meent het zo best, al zeg ik het zelf ! — Neen, 'k vergeet hem niet, och, 'k kan het ook niet, dat zeg ik !"
Einde.
*) Dat „Oude ende dat Nieuwe Testament", in 1526 gedrukt te Antwerpen bij Jacob Liesveldt, die later ter oorzake van deze uitgave de marteldood stierf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's