De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tweeërlei Godskennis, maar één God

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tweeërlei Godskennis, maar één God

10 minuten leestijd

De leer van de enige Godsopenbaring voor de mens zijnde in het vleesgeworden Woord, wordt verder zó verstaan, dat er buiten deze openbaring in Jezus Christus, waardoor God voor ons kenbaar is geworden, geen openbaring is. God kan alleen gekend worden, zoals Hij in Jezus Christus gekend wordt n.l. als de God, die onze Schepper, Verzoener en Verlosser is.

In de K. D. III/4 blz. 25 v.v., waar K. Barth over de ethiek handelt, vraagt hij : Wie is de gebiedende God ? en dan komt het antwoord : Schepper, Verzoener, Verlosser, met een toespeling op de; Drieëenheid, welke op zich zelf ook Barthiaans afwijkt van de belijdenis der kerk van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof : de twaalf artikelen. Deze toch spreken van God de Vader en onze schepping, van God de Zoon en onze verlossing, van God de Heilige Geest en onze heiligmaking. Volgens de leer van K. Barth zou dit moeten zijn van de Zoon en onze verzoening en van de Heilige Geest en onze verlossing. En dan zou hij het zó ook nog niet eens helemaal goed vinden. Hij zou heel wat woorden gebruiken om te beweren, dat men vooral deze dingen niet uit elkander neemt, maar met nadruk naar voren brengen, dat dezelfde God, die onze Schepper is, ook onze Verzoener en onze Verlosser is.

Intussen heeft de kerk der eeuwen nooit anders bedoeld dan dat God de Schepper, dezelfde is als die God, die ons in en door de Zoon verlossing heeft bereid én die Zijn gemeente heiligt door Zijn Geest. Maar men gevoelt wel, dan zeggen wij het toch wat anders.

Wat K. Barth dan eigenlijk bedoelt? Wel hij vraagt in dat zelfde verband, dat wij aanhaalden : Wie is de handelende mens ? En het antwoord luidt: Hij is Gods schepsel. Hij is de zondaar, die God genadig is. Hij is het kind Gods.

Zo is derhalve de enige verhouding, waarin God en de mens gekend worden een drievuldige, waarin de drie relatiën Schepper-schepsel, Verzoener-zondaar, Verlosser-kind Gods in ééns samenvallen.

Een ander God is er niet. God wordt niet anders gekend en ook is er geen andere mens dan een mens die tegelijk schepsel, zondaar en kind Gods is.

Dat wil dus zeggen, dat God b.v. niet alleen als Schepper kan worden gekend, terwijl de kennis der verlossing in Christus een gesloten boek is voor die mens.

Dat zal duidelijk zijn, als men bedenkt, dat K. Barth geen plaats heeft voor een algemene openbaring d.w.z. dat hij deze feitelijkheid ontkent en als afgoderij van de hand wijst. Wie dus over God de Schepper spreekt, spreekt, volgens K. Barth over een vreemde God, van een algemene Godheid, welke niet zou zijn de God, die zich in Christus heeft geopenbaard als Verlosser. Barth wil dat zo niet zien.

Wie over God spreekt, - spreekt over de Drieënige. 

Dat zeggen wij ook. En als iemand niet over de Drieënige God spreekt, dan heeft hij het over een wijsgerige idee-God, welke alleen in zijn verbeelding bestaat.

Daarin ligt dus niet het onderscheid tussen Barth en de gereformeerde belijdenis, maar het onderscheid treedt aan de dag, als Barth over de mens spreekt in de drievuldige verhouding van schepsel, zondaar, kind Gods. Hij laat dat drievuldig aspect in de mens samenvallen, als beantwoordende aan de door hem voorgestelde drievuldigheid Gods : .Schepper - Verzoener- Verlosser.

Dat is louter theologisch spel, zal iemand zeggen. Inderdaad heeft het veel van een structuur.

Dat hebben de mensen in de dagen van Christus' rondwandeling op aarde zeker niet zó in Christus waargenomen en zij hebben zich zelf ook niet in die drievuldige verhouding ontdekt. Zij hebben zelfs niet gezien, dat Hij de Zone Gods was, de Christus ! behalve dan degenen, die het door de Vader geopenbaard werd. Denk aan de belijdenis van Petrus. (Matth. 16 vers 17).

Barth zal dit niet tegenspreken, want hij noemt de Godsopenbaring in Jezus Christus ter zijner tijd ook verhulling.

En de Evangeliën dan ? Kan hij het beeld, dat hij ons voor ogen wil stellen, niet uit de Evangeliën hebben saamgebracht?

Het is wel mogelijk, maar dan toch met de nodige vrijheid. Want de Christus, die ons in de Evangeliën wordt voorgesteld, is een andere en Hij spreekt ook andere taal dan ons door Barth wordt voorgehouden. Om maar één ding te noemen. De Christus der Evangeliën zegt : Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij ! (Joh. 14 VS. 1).

Dat kan die Jezus Christus van K. Barth niet zeggen. Hij kan geen scheiding maken tussen het geloof in God en het geloof in de Messias. Immers volgens hem vallen de drie verhoudingen samen : schepsel.—zondaar—kind Gods.

Zonder twijfel put Barth uit de Heilige Schrift en uit de kennis van Gods kerk door de eeuwen heen vergaderd en theologiseert daarmede en daarover. Wat zou hij trouwens weinig stof over houden, als hij alleen was aangewezen op de vleeswording des Woords, en dan zonder het Oude Testament, zonder de openbaring, welke tot hen gekomen was, tot wie de Heere zegt: Gijheden gelooft in God, gelooft ook in Mij.

En wat zouden wij, zonder het getuigenis der Evangeliën en der apostelen? En toch wordt de Heilige Schrift door de nieuwe theologie slechts als menselijk getuigenis gewaardeerd en daarmede blijft het alles zo menselijk.

Over de kennis van God de Schepper, zo begint het eerste boek van Calvijn's Institutie.

Dat zou in de structuur van K. Barth niet passen. Volgens hem openbaart God zich niet als de Schepper, wordt Hij als zodanig niet gekend, door de mens, zonder tegelijkertijd ook niet als Verzoener en Verlosser gekend te worden.

Volgens Barth zou er dus geen kennende relatie zijn van het schepsel tot zijn Schepper buiten de bijzondere openbaring om.

En dat is nu juist wat Calvijn in het zoeven genoemde boek, wel erkent en met grote stelligheid en duidelijkheid.

Hoort, hoe klaar en welbewust hij daarvan gewaagt: , , En hier roer ik nog niet aan die soort van kennis, door welke de in zich zelf verloren en vervloekte mensen God als Verlosser aangrijpen in de Middelaar Christus ; maar ik spreek slechts van die eerste en eenvoudige kennis, tot welke de ingeboren en natuurlijke orde ons zou leiden, indien Adam in de staat der rechtheid was gebleven". (Vertaling Sizoo I, blz. 5).

Eerlijk gezegd, is dit voor mij toch altijd een beetje moeilijke plaats bij Calvijn. Niet, omdat ik het omtrent de kennis van God de Schepper niet eens kan zijn. Neen, daar wringt mij de schoen niet. Doch er is wat anders. Ik kom, zo vaak ik met dit punt in aanraking kom bij Calvijn, altijd weer tot de vraag : Welke voorstelling moet ik verbinden aan wat hij noemt de ingeboren, natuurlijke orde, die in de staat der rechtheid tot eenvoudige kennis zou hebben gevoerd?

Zou Calvijn dan toch aan een soort natuurlijke Godskennis hebben gedacht? Zou dus de mens in rechtheid toch langs de weg van philosopheren tot die eenvoudige kennis zijn gekomen? En zou de philosophie de oudste brieven hebben, als het er op aan komt? Dan zouden zij gelijk hebben, die de Bijbel slechts een behulpsel noemen en vergelijken met een kruk voor de man, die niet lopen kan.

Maar, waar blijf ik dan met het woord van de Heere Jezus Christus in de woestijn: , , De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat". (Matth. 4 vs. 4).

Ik versta dit zó, dat de bijzondere openbaring Gods na de val niet als een behulpsel er bij gekomen is, maar binnen het bestek van Gods voorzienige leiding een normale plaats inneemt, zoals het brood in het natuurlijke, een geestelijk voedsel gevende op weg naar de eeuwige bestemming.

Maar ik houd het daarvoor, dat wij Calvijn geen recht zouden doen, als wij hem voor een leraar van natuurlijke theologie zouden houden, omdat er zoveel plaatsen tegenover staan, welke een geheel ander licht verspreiden.

Ten eerste zegt Calvijn ergens, dat de mens nooit zonder het Woord Gods is geweest. (Vgl. I, 6. 1). Dat is volkomen in overeenstemming met hetgeen wij aanhaalden uit de mond van Christus : „de mens zal bij brood alleen niet leven", enz.

Vervolgens gewaagt Calvijn van een zaad der religie, dat alle mensen is ingeplant. En ten volle overtuigend, dat Calvijn niet op een soort natuurlijk vermogen, doch op een openbarende daad Gods doelt, ook als hij ziet op de algemene kennis van God, de Schepper, zijn de woorden, waarmede hij het derde hoofdstuk van het eerste boek aanvangt:

, , Wij stellen buiten geschil, dat er in de menselijke geest een zeker besef van de Godheid is en dat wel door natuurlijke ingeving". Welke gedachten wij moeten verbinden aan die „natuurlijke ingeving", laat zich uit het volgende opmaken. , , Immers, opdat niemand zijn toevlucht zou nemen tot het voorwendsel van onwetendheid, heeft God zelf in allen een zeker begrip van Zijn Godheid gelegd, en de herinnering daaraan gestadig vernieuwend, doet Hij herhaaldelijk nieuwe droppelen indruppen, opdat, daar allen zonder uitzondering inzien, dat er een God is en dat die hun Schepper is, zij door hun eigen getuigenis zouden worden veroordeeld "

Het is wel duidelijk, dat wij de woorden „natuurlijke ingeving" in dit licht moeten zien en wel als een voortdurende openbarende daad Gods.

Keren wij thans terug tot de kennis van God, de Schepper, dan lijdt het geen twijfel of Calvijn onderscheidt tweeërlei Godskennis : , , Wijl dus de Heere zich eerst enkel als Schepper, zowel in de formering der wereld, als ook in de algemene leer der Schrift, en vervolgens in het aanschijn van Christus als Verlosser vertoont, vloeit hieruit voort een tweevoudige kennis Gods". (I, blz. 5).

Dat is nu niet in de geest van Barth. Hij wil niet weten van een algemene kennis van God, de Schepper, en een bijzondere kennis van God, in Christus, de Verlosser. Immers hij ontkent ten stelligste, wat Calvijn zo uitdrukkelijk naar voren brengt omtrent de algemene Godskennis of algemene openbaring.

Daarmede berooft K. Barth de theologie van dit stuk. Brunner heeft in verband daarmede de kwestie van het aanrakingspunt te berde gebracht. Wij achten dit niet het belangrijkste, immers God, de almachtige Schepper, heeft geen behoefte aan een aanrakingspunt. Hij heeft de mens naar Zijn beeld geschapen. Bovendien wijst Johannes de Dooper er op, dat Hij machtig is uit de stenen Abrahams-kinderen te verwekken.

Daarom, erger dan dat aanrakingspunt is, dat Barth op deze wijze een onwetendheid bij de mens plaatst, die er niet is, het Woord Gods : „opdat zij niet te verontschuldigen zijn", krachteloos maakt en dat alles terwille van de door hem ingenomen stelling.

Daar komt nog iets bij. Barth noemt alles, wat buiten de door hem voorgestelde godsdienst ligt, wel afgoderij, maar, hoe wil men zelfs de afgoderij in de wereld verklaren, als er geen algemeen Godsbesef is?

Edoch, Barth kan dat theologisch wel zo stellen, maar de kerk laat zich niet beroven van dat schone boek, waarin alle schepselen zijn als letteren, groot en klein, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid. (Rom. 1 vs. 20).

Volgens art. 2 der Ned. Geloofsbelijdenis is er een kennis van God de Schepper, welke algemeen menselijk is. En, zoals wij gezien hebben, maakt Calvijn een zeer duidelijk onderscheid tussen deze soort algemene Godskennis en de kennis van God de Verlosser.

Dit sluit geenszins in, dat er dan ook twee goden zouden zijn, een Schepper God en een Verlosser God. Wie onderstelt zoiets, als hij Calvijn volgt in de leer van tweeërlei Godskennis? Eén en dezelfde God is de Schepper en de Verlosser, doch, terwijl alle mensen enig besef hebben van God onze Schepper, openbaart God zich niet aan allen als Verlosser. De enigheid Gods is trouwens niet afhankelijk van de mate of soort der toegekende kennis onder de mensen, maar alle Godskennis, hetzij uit de algemene openbaring of uit de bijzondere stammende, is afdalende van de enige God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Tweeërlei Godskennis, maar één God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's