De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Genees mij, red mijn leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Genees mij, red mijn leven

12 minuten leestijd

Ook mijnerzijds over gebedsgenezing het één en het ander. Maar eerst moet me iets van het hart. We hebben om te beginnen genezing en speciaal gebedsgenezing nodig van de Atheense griep, de actualitis. (Handelingen 17 : 21). Hoe kort nog geleden •— en het lijkt al weer zo lang — dat ieder, die zichzelf respecteerde, zijn geduchte krijgsklaroen liet schallen in het vredige Hardegarijp. Ondertussen bladerde ieder in de reisgids om er bij te zijn in Wuppertal, althans voor een ogenblik, want de walmende, sissende oorlogsfakkelen moesten ros oplaaien in de Gooise radiostad. De leesgrage stoet maakte gedwee de lange kruistochten van Friesland naar Elberfeld en vandaar naar Hilversum. Waar zullen we morgen elkaar in het vizier hebben? Geestelijke leidslieden die in kerkelijke bladen actuele voorlichting opdienen, lopen gevaar te verkeren in journalisten, die hun leven lang achter de feiten aan rennen.

De aandachtige lezer zal met enig leedvermaak constateren, dat ik me na deze openhartige ontboezeming de pas wel heb afgesneden om zonder geveinsdheid over gebedsgenezing iets aan de orde te stellen. Mijn bedoeling was echter overdreven en uitsluitende belangstelling voor nieuwigheden een tikje te breidelen.

Ongetwijfeld hebben zonde en ziekte met elkaar te maken. We zeggen wel eens, misschien te vaak, zodat de zin ons ontgaat : , , waren er geen zonden, er waren geen wonden". Met deze zeer algemene regel zijn we er niet. Calvijn zegt ergens, dat een predikant, die maar wat voortbabbelt, is als een dokter, die aan het ziekbed van een zeer ernstige patient hele beschouwingen ophangt over de geneeskunde in het generaal, terwijl de patient onder het relaas bezwijkt. We hebben met een concreet geval te maken. Dat is ook mijn bezwaar tegen de therapie van de kwaal der kerk : , , Samen zijn wij ziek geworden, samen moeten we gezond worden". Maar kunnen de zieken uit één grote fles medicijnen slikken? Met een - soort Salomo's oordeel wil mën de verscheidenheid der modaliteiten opheffen. Vrijzinnigen kunnen van rechtzinnigen en omgekeerd rechtzinnigen van vrijzinnigen leren. Alsof men beider beschouwingen kan halveren en ieder getroost met twee helften van de beiderlei beschouwingen naar huis kan sturen. Maar als er nu eens een moeder, een modaliteit, opkomt voor een levend kind?

We keren terug tot ons onderwerp. De Joden meenden te weten dat wie lasterde, prompt getuchtigd werd met melaatsheid. Bedriegers en bloedvergieters wachtte dezelfde straf. De ontuchtige kreeg zweren en waterzucht. Epilepsie en verminking waren de droeve vergelding van buitensporigheden in de cohabitatie. Dit waren welhaast dwingende natuurwetten.

Christus gaat hier wel lijnrecht tegen in, wanneer hij categorisch verklaart: „Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders ; maar dit is geschied opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden". (Joh. 9). Zeer beslist heeft Christus niet de volkomen zondeloosheid van deze mensen willen proclameren. Maar het gaat niet aan, om uit elke bepaalde ziekte zonder blikken en blozen te besluiten tot een zeer bepaalde zonde. Christus verdedigt de vrijheid van Zijn Vader. Laat ons echter niet in een ander uiterste vervallen, door hoegenaamd elke relatie tussen zonde en ziekte te ontkennen. Overigens waren gedachten als ziekte is tuchtiging uit liefde of aflossing op eeuwige straffen hier en daar niet onbekend.

Bij de genezingswonderen uit het N. Testament moeten wij letten op het motief. Elders speculeerde men op het egoïsme. Het Evangelie doet heel duidelijk uitkomen dat liefde de grote drijfkracht vormt. Christus heeft alle sensatie kennelijk gemeden. Het ging om de dank, die niet altijd werd opgebracht. Geloof was de voorwaarde, die Christus overigens zelf vervulde door het vertrouwen in te boezemen. De genezing heeft in het Evangelie een zielzorgelijke bedoeling. Menigmaal ontstond er na een wonderlijke genezing een gesprek.

De verlossing betreft de gehele mens. Het is leerzaam om in de Heidelbergse Catechismus en in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, en dat niet domweg, op te tellen hoe vaak daar gesproken wordt van ziel en lichaam. In de geneeskunde is men vandaag wel overtuigd, dat ziel en lichaam niet hermetisch gescheiden van elkaar ieder een zelfstandig eigen bestaan voeren. Beide werken wederkerig op elkaar in, dat staatvast. Alleen men weet niet hoe. Maar: het is in ieder geval wel zo, dat men niet kan zeggen dat de zielzorger en de dokter elkaar niet in de wielen kunnen rijden. Vandaar ook dat men niet zo bruut en hooghartig afwijzend staat tegenover het feit van de gebedsgenezing. Wel zal men een dergelijke genezing nog heel verschillend uitleggen. Velen zullen de betekenis van het gebed willen beperken tot een interne aangelegenheid van de ziel. Maar men is in medische kringen wél meer en meer overtuigd, dat de genezing van zieken niet uitsluitend een technisch of chemisch bedrijf is. Terecht is opgemerkt, dat het menselijk lichaam niet als een automaat werkt, zodat bij het juiste muntstuk i.e. het juiste medicijn ook prompt de beterschap voor de dag komt. De scheikundige formule is geenszins de onfeilbare toverformule voor deze tijd. Maar al ziet de medicus, dat hij in talloze gevallen niet met een brokje mens, te weten het lichaam, maar met de hele mens te doen heeft, daarmee, is niet een monopolie voor het geloof geschapen. Integendeel. Allereerst heeft de psychologie nog het nodige op te merken. Daarna komt er wat meer ruimte, maar kwalzalverij, pseudo-religie en dergelijke, willen hun triumfen vieren op dit terrein. , , De Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen". (Ex. 7 vs. 11). We hebben niet aanstonds geestdriftig te beweren : , , dit is Gods vinger". Er is wel een grens, maar waar loopt die? •

Er is dus een relatie zonde-ziekte. Maar dit is niet een eenvoudige rechte lijn. Allereerst moeten we de onderscheiding erfzonde en persoonlijke zonde recht laten wedervaren. , , Ik werp haar te bed", zo zeide dreigend de verhoogde Immanuël van vrouw Jezabel te Thyatire. (Openb. 2 VS. 22). Hier is het verband wel zeer onmiddellijk. Maar het zou grof onrecht zijn iedere patient te verdenken van een of andere vreselijke zondedaad. Wanneer 'we niemand en niets ontziend van dit schema uit opereren, zullen we als zieketroosters, evenals Jobs vrienden, moeilijke soulaasbrengers zijn. Dan wordt ziekenbezoek, meer nog dan wel eens het geval blijkt, een bezoeking. Het onoverzichtelijke is echter dat de zieke zondaar zichzelf zoekt te rechtvaardigen en zich vastbijt in Johannes 9. , , We zullen ons kruis moeten dragen", zegt hij berustend, en wij bewonderen het geduldig gedragen lijden. Satan zal niet nalaten andere zieken evenwel tot wanhoop toe te bestrijden met de suggestie dat ze een vreselijke zonde hebben bedreven, waarvoor ze nu bitter gestraft worden. Ér is weinig verbeeldingskracht nodig om ons in te denken hoezeer de vorst der duisternis deze misverstanden vergroot en uitbuit. Wanneer we dus het veelal onnaspeurlijk verband van zonde en ziekte en' niet simpel als oorzaak en gevolg, maar in het licht van de souvereine Voorzienigheid handhaven, dan hebben we nodig de voorzichtigheid der slangen en de oprechtheid der duiven. Zielzorger en zieketrooster behoeven de voortdurende voorlichting en leiding van de Heilige Geest. We mogen de breuken niet op het lichtst helen, maar we moeten ook recht spreken van Gods knecht Job. We mogen de goddeloze niet rechtvaardigen —• tenzij op de wijze als God dit doet — evenmin hebben we de vrijheid om de rechtvaardige te verdoemen.

Als alle ziekte onder Christenen een onmogelijkheid en onfeilbaar zondegevolg genoemd wordt, mogen we wel oppassen dat we niet geraken in het kielzog van de Christian Science, die beweert dat reeds onze lichamelijkheid een fictie is. Ziekte is derhalve waan tot de tweede macht. Volgens de Christian Science zijn alle patiënten zonder uitzondering ingebeelde zieken. Inderdaad zijn ziel en lichaam één. God

leeft de mens uit het stof der aarde geformeerd en hem de levensadem ingeblazen. Alzo werd 'hij tot een levende ziel. Wat God heeft samengevoegd, scheide de mens niet. De scheiding van lichaam en ziel door de dood als zondestraf is inderdaad onzerzijds een wrede scheiding van wat God verbonden had. Ziel en lichaam zijn één. Christus heeft in beide geleden en heeft zodoende beide verlost. Maar de vrucht van de verlossing wordt niet in énen toegepast. De kinderen Gods, die begenadigd zijn met de eerstelingen des Geestes, verwachten de verlossing van hun lichaam. , , Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van iet lichaam des doods", horen we Paulus klagen. De Apostel kent ook een begeerte om ontbonden te zijn en met Christus te wezen. Het ideaal van een gezonde geest in een gezond lichaam in de geijkte zin, is zeker niet wat Paulus nastreeft. Integendeel, we moeten tot onze beschaming constateren dat het levensgevoel van de Apostelen en ook van de Reformatoren ons vreemd geworden is, door allerlei oorzaak en invloed. De kwestie van leven of dood is voor de gelovige secundair geworden. Primair, overheersend moet wezen dat we van Christus zijn. Dat is het beslissende. „Hetzij dat we leven, hetzij dat we sterven, we zijn des Heeren". Er is een hunkering om altoos bij Christus te zijn. Ik meen te mogen schrijven, dat de dood toch altijd de radicaalste genezing is. Want de dood is totaal van karakter veranderd. De dood is geen betaling, geen ondergang, maar een afscheid, waar we allerminst om treuren, en een doorgang. In sommige gevallen mogen we ook de ziekte in dat licht zien. Namelijk als een afsterven en een opstanding. Het gaat er maar om, welke taak God aan een ziekte heeft toebedeeld in het heilsplan met ons leven. Ziekte kan een tuchtiging zijn, maar ook beproeving en loutering of opvoeding.

Er is wijsheid van Boven nodig om in elk geval afzonderlijk op te sporen, wat God met ons voorheeft. Daarom is ook allerminst geboden dat we in de ziekte zullen berusten. Van de dood, speciaal de martelaarsdood, geldt, dat we die niet willen. Met ziekte ligt het niet anders. We mogen derhalve bidden of God, kon het zijn, die beker van beproeving wil laten voorbijgaan of wegnemen. Maar dan ook werkelijk bidden, d.w.z. geloven dat God gewilliger is te horen dan wij om te vragen. Maar omdat genezing per slot toch een tijdelijke verlossing is, want als we geloven in de belofte van de opstanding des vleses, weten we dat genezing geen definitieve overwinning betekent. Hoogstens kan men begeren en vragen om te mogen behoren tot het geslacht der nog levenden bij Christus' wederkomst, om dan in een punt des tijds veranderd te worden. Het verlossingswerk heeft phasen. De verlossing van de ziel is het begin. De vrijmaking van het lichaam des doods en de opstanding van het vlees tot heerlijkheid is een vervolg. De genezing moet derhalve wel gezien worden als een teken en zegel, als een manifestatie van Christus Koningsmacht, als een voorschot, dat straks wordt weggenomen als God het volkomen herstel schenkt. Het is een genadig onderpand van de toekomstige verlossing en geenszins noodwendig.

De gave der gezondmaking wordt in I Cor. 12 opgesomd onder de charismata. Als we ijveren voor geloofsgenezing dwars door alles heen, moeten we ook ernst ma­ken met alle andere gaven en krachten, daar opgenoemd.

We mogen wel onderscheid maken tussen ziekte en lijden anderzijds, maar ik weet niet of we het recht hebben om ziekte uitdrukkelijk uit te zonderen, als we spreken over het lijden van deze tegenwoordige tijd en over de vele verdrukking, waardoor we in het Koninkrijk moeten ingaan.

Genezing is een gave, waarom we mogen bidden zoals we dat ook doen om het dagelijks brood. Maar we moeten ruimte laten voor het „Uw wil geschiede". En dat niet om ongelovig een slag om de arm te houden. We mogen er geen stringente regel van maken, dat de zieken nu ook per sé moeten genezen als een onbedriegelijk kenmerk van ons Christen-zijn en als een onfeilbare toetssteen voor ons geloof.

Christus stelt niet de genezing voorop. , , Uw zonden zijn u vergeven", zegt Hij tegen de verlamde. (Lukas 5). Deze had na het halsbrekende transport wellicht liever gehoord : , , Sta op, neem uw beddeke op en wandel". Dit kwam pas later, opdat wij mogen weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde de zonde te vergeven. Het Evangelie van de vergeving der zonden moet centraal blijven. Juist in een tijd, dat we aards- en wereldgezind zijn, is het een verzoeking, wanneer de belofte van genezing al te zeer gesleurd wordt in het middelpunt van de belangstelling.

Ik geloof niet, dat de tendenz van het Evangelie is dat er in de gemeente geen zieken mogen zijn. Men kan zeggen, dat Christus nimmer ziek was. Dit is maar betrekkelijk juist. Zal Hij immers niet eenmaal zeggen : „Ik was ziek en gij hebt Mij al of niet bezocht". Wanneer ziekte absoluut indruist tegen de Wil des Heeren en een blijk is van bestraffelijk ongeloof, dan zouden deze woorden van Christus geen bestaansrecht hébben. De Rechter van hemel en aarde zal niet verwijten : , , Gij hebt Mij niet genezen". Ik lees in de zo juist aangehaalde uitspraak van Christus dan ook een troostvolle taak voor de zieken. Het ambt der zieken is stedehouder en plaatsbekleder van Christus te mogen zijn. Worden ook zo niet de overblijfselen van Zijn lijden vervuld?

Wie persisteert op genezing in alle en elke ziekte en wie het een blijk van schromelijk ongeloof acht, dat er geen genezing volgt op het smeekgebed, moet wel weten dat hij een gravamen indient tegen de belijdenis, want de Catechismus leert ons dat gezondheid en krankheid ons uit Gods vaderlijke hand toekomen. Nu is een gravamen inderdaad mogelijk. Maar het ongelukkige is in de kerk, dat men maar rustig theologiseert en redeneert zonder te weten dat men aan een gravamen toe is, omdat men de belijdenis niet eens meer kent. Het is toch wel zaak dat men „in gemeenschap aan het belijden der vaderen" nog zóveel verantwoordelijkheid heeft, dat men in ieder geval zich rekenschap geeft van wat onze vaderen in een onderhavig geval beleden hebben.

Ik lees nog wel eens met mijn zieken Daniël 3. „Onze God, die wij eren, is machtig om ons te verlossen uit de oven van het brandende vuur en Hij zal ons, o koning, uit uw hand verlossen, maar zo niet " Dat is geloofstaal. Ik zou willen dat menige zieke er zo voorstond, voorlag. God is machtig en Hij zal verlossen. En zo niet: Ook dit moment wordt ernstig en gelovig onder ogen gezien. Hier is geloof nuchterheid.

God schenkt op het gebed meermalen wonderlijk genezing, opdat we niet zouden menen dat de verlossing uitsluitend een aangelegenheid voor de ziel is. Maar Hij geneest lang niet altoos, opdat wij niet onze ziel zouden vergeten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Genees mij, red mijn leven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's