Zekere algemene kennis van God
Calvijn leert, zoals wij gezien hebben, een zekere algemene kennis van God. Een Godskennis derhalve, welke aan alle mensen eigen is. Hij spreekt ook van een algemene leer der Schrift, in aansluiting daarop en daarnaast onderscheidt hij die bijzondere Godskennis, waardoor de zondaar God als Verlosser in de Middelaar Christus aangrijpt.
Uit verschillend oogpunt is het van belang op deze algemene Godskennis te letten. Dat is onder ons wel eens vergeten en zoal niet vergeten dan toch geheel op de achtergrond geraakt. Hoewel verklaarbaar, is dat toch een groot verhes en wij zien daarin een invloedrijke factor in het moderne proces van ontkerstening.
Het is verklaarbaar zeiden wij en wel om twee redenen : n.l. van uit de kerk zelf en vanuit de haar omgevende wereld.
Om met dit laatste maar te beginnen, wie iets van onze vaderlandse geschiedenis weet, met name van ons volksleven in de 16e eeuw, heeft kunnen ontdekken, dat de twisten tijdens het Twaalfjarig bestand tussen Remonstranten en Contra-Remonstranten waarlijk maar niet een twist van enige theologanten is geweest.
Ons hele volksleven is door die twist beroerd, is daarbij betrokken geweest, en zo ingrijpend waren de belangen, waarom het ging, dat de tegenstrijdigheden op kerkelijk en politiek terrein dermate doorwerkten, dat algehele verwarring ons ternauwernood gevestigde gemenebest bedreigde.
Wat deze dingen met de algemene kennis van God als onze Schepper te maken hebben ?
Niet zo weinig. De leer der Remonstranten n.l. had een achtergrond in een streven van die tijd naar vrijheid, die met de Christelijke vrijheid, welke de Reformatie had gezocht, maar heel weinig verband hield en een libertijns karakter droeg.
Voor de Remonstranten was het gereformeerde Schriftgeloof te strak. Zij hebben reeds toen beweerd, dat de gereformeerden voor de paus te Rome een papieren paus n.l. de Bijbel in de plaats hadden gezet. Voor de libertijnen echter was het algemeen geloof in God de Schepper moeilijk te verenigen met het gezochte vrijheidsideaal.
En daarmede komt nu juist de betekenis van dat algemeen Schriftgeloof aan het licht. Immers deze leer staat maar niet op zich zelf. Men kan niet ontkennen, dat zij consequenties heeft voor het dagelijkse leven. Want als God de Schepper van hemel en aarde is, die ook door Zijn voorzienigheid en alomtegenwoordige kracht de wereld en al wat er in is onderhoudt, dan moet men daarmede rekenen in al zijn aardse doen en laten, dan is Hij Souverein ook in dit leven en over de aardse verhoudingen, dan is Zijn wet een koninklijke wet welke haar eis op ons stelt in de aardse dingen, dan zijn wij van die God afhankelijk, staan met Hem in rekening en zijn Hem verantwoording schuldig.
Als de kerk deze dingen predikt en de mensen voor houdt, wordt men in en buiten de kerk daaraan telkens herinnerd en dat legt dus beslag op het volksleven. Het volk wordt in ied.er geval geconfronteerd aan de eis, welke daarin is gelegen. Het aangezicht der religie komt over het volk.
Zoals gezegd strookte dat niet met het libertijnse vrijheidsideaal en zij, die dit najoegen, zochten zich te ontdoen van een dergelijke confrontatie met de leer, dat God zo hoog verheven is in de hemel, en zich met die aardse dingen niet inlaat. Hij bemoeit zich daarmede niet, maar Hij heeft de aarde aan de mensen gegeven. Wel heeft God de wereld geschapen, maar Hij laat haar aan zich zelf over als een enorm mechaniek, dat de hand van Zijn Maker niet nodig heeft.
God zou zich alleen .met de geestelijke dingen bemoeien. Dat is een departement apart en dat is aan de kerk toevertrouwd. Op die wijze werd een scheiding getrokken tussen aardse en hemelse dingen, tussen natuurlijke en geestelijke dingen, tussen wetenschap en geloof.
Ik laat in het midden of die libertijnse geest daarvoor moet worden verantwoordelijk gesteld, of dat in de kerk zelf ook zulk een laksheid is opgekomen —• en dat zou niet te verwonderen zijn, want de remonstrantse leer had zich een ruime plaats in het kerkelijk leven verworven, zozeer, dat de gereformeerde belijdenis op verschillende plaatsen buiten de kerk een toevlucht moest zoeken. Denk aan de slijkgeuzen — maar een feit is, dat ook de ontwikkeling van het kerkelijk leven het ontstaan van een onschriftuurlijke scheiding tussen de geestelijke en de natuurlijke dingen heeft bevorderd.
Niemand kan ontkennen, dat met name door de mannen van de nadere reformatie en de piëtisten eenzijdig de nadruk is gelegd op het , , innige Christendom".
Ik behoef niet te zeggen, dat ik de grote betekenis van het waarachtige geestelijke leven van ganser harte erken. Dat deed Calvijn ook, maar dat verhindert hem niet een heel boek te schrijven over de kennis van God de Schepper en de , , algemene leer der Heilige Schrift". En dat weerhoudt hem ook niet over de burgerlijke overheid en de burgerlijke gerechtigheid te schrijven en allen aan te zeggen, overheden en volk, dat zij gehoorzaamheid schuldig zijn aan de Wet Gods.
Verklaarbaar kan het heten, dat in een tijd van scholastieke verdorring van de leer op de kansels, de hongerende en dorstende zielen niet werden gevoed en dat ook de , , geestelijke" mensen de kerkgang gingen opgeven om naar een oefenaar te lopen of voedsel te zoeken in het conventikel. Hoe werden ook de godzalige predikers, die er nog mochten zijn, onderscheiden, zodat hun naam onder ons nog voortleeft. Het waren de mannen van het , , innige Christendom".
Alles zeer begrijpelijk, maar bedenk eens hoe de officiële kerkdienst op die wijze werd overgegeven aan allerlei wind van leer en hoe ook het , , algemeen Schriftgeloof" werd verzaakt ten koste van de vermanende en van afval weerhoudende kracht, die daarvan op het volksleven uitgaat; Het ware Christendom werd een volk in struiken en heggen en het openbaar gelaat der Christelijke religie werd allengs verduisterd.
De echte kerkelijke religie werd neergedrukt tot een sectarische godsdienst, welke zich bezighoudt met enkele geloofsstukken omtrent het „éne nodige", en zich hoe langer zo meer uit het openbare leven terugtrekt. Zo is het gegaan en wij ondervinden nog de gevolgen daarvan.
Gewis de vraag aangaande de zaligheid, de persoonlijke kennis van de Christus als Borg en Middelaar, ik erken het, is de allerbelangrijkste levensvraag, want zij betreft onze eeuwige toekomst en het is een groot voorrecht daaromtrent niet in het onzekere te verkeren en medegenoten te ontmoeten. Maar dat kan geen grond zijn om een „vroom" egoïsme te kweken, zo iets als ik ben geborgen en zij moeten maar zien. Dat kon ook , , vrome" eigengerechtigheid zijn.
Ik denk aan Johannes de Dooper. Hij heeft aan de Jordaan, bij het veerhuis, waar ieder, die overvaren wilde, langs kwam, een plaatsje gekozen en predikt, dat zij zich bekeren. Daar verzamelen zich enkelen om hem heen. Nog enigen voegen zich daar bij en nog enigen. Ja, hij heeft de aandacht. Sommigen staan met open mond te luisteren en zij schrikken terug. Welk een aanspraak ! Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te ontvlieden van de toekomende toorn ? Adderengebroedsels ! Dat is duivelskinderen. Heeft de Heere Jezus dat ook niet eens gezegd tegen de Joden, die zich beroemden Abrahamskinderen te zijn? Ge zijt uit de vader, de duivel! (Vgl. Lukas 2:7 Yv. en Joh. 8 : 44).
Diep getroffen door de prediking van Johannes vragen zij : wat zullen wij dan doen?
Wat antwoordt Johannes de Dooper dan ? Gij weet het al. „Die twee rokken heeft, dele hem mede, die geen heeft ; en die spijze heeft, doe desgelijks". En de tollenaars ? Wat zullen zij doen ?
, , Eist niet meer dan u gezet is", m.a.w. Houdt op met uw woekerpractijken. En de soldaten ? Wat zullen zij doen ?
Antwoord : , , Doet niemand overlast, ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen".
Zie daar, wat eenvoudige, gewone dingen daar geëist worden.
Dat nu wordt onder ons dikwijls vergeten. Het gewone, alledaagse leven staat ook onder de eis van Gods wet. Het valt ook onder de godsdienst. Hier bij Johannes de Dooper zelfs onder de eis der bekering !
Tot deze ontdekking kan ook leiden de ernst met het geloof, dat God onze Schepper is en dat wij alles uit Zijn hand ontvangen. Dat wij zonder Hem niets kunnen doen. En dat wij Hem ook over onze dagelijkse handelingen en nalatigheden rekenschap zullen hebben te geven.
En als de wereldling toch ook nog een besef van deze dingen heeft, hoeveel te meer zal dan de Christen, daar hij van deze dingen klaarder onderricht wordt door de Heilige Schrift, deze dingen moeten bedenken en ernstig nemen.
Wij, die in het Woord arbeiden mogen, moeten veelmeer daarop wijzen dan gewoonlijk geschiedt. Want als de voorloper en wegbereider des Heeren zulks doet roepende de mensen tot bekering, is dat ook voor ons tot navolging geschreven en wij kunnen zeker zijn, , dat het bevorderlijk is voor de mensen om de weg naar Christus te vinden, als zij deze dingen waarnemen te doen.
Al te veel wordt ook onder ons de gewoonte aangetroffen om het geestelijke af te zonderen van het natuurlijke, alsof ook het natuurlijke niet onder geestelijk licht verscheen, zodra wij het oog opheffen tot onze Schepper. Als wij daaraan mede doen, lopen wij gevaar er een geloof voor de Zondag op na te houden en zes dagen voor ons zelf te nemen. Wat verschillen wij dan ten slotte van de libertijn, die dat ook deed ? Ook zij gingen Zondags naar de kerk.
Wij vermijden gaarne alles, wat in schijn of werkelijkheid , , algemeen" klinkt, want de gemeente wil onderscheidenlijk gepreekt hebben. Goed, maar laat Gods Woord' en niet de gemeente onze leidsman en onderwijzer zijn. Eén is uw Meester. In de gemeente wordt ook wel eens algemeen genoemd, wat niets met, , algemeen" te maken heeft. Als men zich aan zulke misplaatste klachten zou storen, zou men zelfs menige psalm niet kunnen opgeven, omdat deze of gene pruttelt, dat hij dat niet zeggen, in dit geval niet zingen kan. Indien dat op zijn ongeloof wil wijzen, zou het hem moeten uitdrijven. Onderstel, dat de gemeente des Heeren zou zwijgen en de lofzangen Sions deed verklinken in het niet, zouden wij niet herinnerd worden aan het Woord van de Christus bij Zijn intocht in Jeruzalem : , , Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen". (Lukas 19 : 40).
Als wij getrouw aan het Woord zijn zullen wij voorts algemeen zijn in de dingen, waarin de Heilige Schrift algemeen is, en dat is zeker niet in de laatste plaats de „algemene leer der Schrift", zoals Calvijn dit noemt, welke leert, dat er een God is en dat Hij onze Schepper is.
En als de gemeente er bij wordt bepaald, wat dat betekent voor ons Zijn schepselen, die naar Zijn beeld geschapen zijn, ook voor onze omgang onder de mensen, voor ons gezin en voor onze persoon, dan zal , daaruit een roep ter bekering uitgaan, die voor velen tot een ernstige drang kan worden als de prediking van Johannes de Dooper, en een weg bereiden tot de Heere Jezus Christus.
Met name in onze tijd zal de kerk een roeping vervullen, als zij niet langer verzuimt nadruk te leggen op dit algemeen Schriftgeloof, omdat het zo diep is weggezonken in het bewustzijn van onze tijd en overwoekerd wordt door beschouwingen van de moderne wetenschap, welke degenen, die niet anders horen, doen vervreemden van de beseffen, welke in de menselijke ziel van Godswege zijn ingeplant.
Het mag wel overbodig heten op te merken, dat de prediking daarbij niet mag blijven staan, alsof dat algemene Schriftgeloof genoegzaam ware tot zaligheid.
De prediking zal moeten voortvaren tot kennisse Gods als Verlosser in Christus Jezus de Middelaar om de gemeente te leiden in het zaligmakend geloof.
Maar zij mag het eerste niet tot schade van het kerkelijk en burgerlijk leven laten liggen. Wie nagaat, hoe vaak en telkens weer de Heilige Schrift ons er bij bepaalt, dat wij met een God van doen hebben, die de hemel en de aarde heeft geschapen en al wat daarin is, zal ons toestemmen, dat dit ons iets te zeggen heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's