De erven de Korte
DOOR . J. W. OOMS
(Slot):
, , 't Is een gruwelmerakel zo ont als jij de keuperen sloten maakt, " kijfde ze gram., , Het ware beter dat je op de bietenakker ging poeren, instee van hier te gaan zitten lezen al gelijk een dominee!"
Gart staarde zijn zuster aan en zijn ogen stonden weemoedig.
, , Ik zoek, meidje " zegde hij zacht en toen keek hij zijn zuster zo onzegbaar verdrietig aan, dat Lijs alle moed verloor, en verdween naar het woonvertrek, alwaar ze bij haar zusters ging klagen. Neeë, sinds die tijd hadden de Erven De Korte niks geen rust meer.
Zou er onder ons één zitten, die rechtevoort ontrouw zal worden aan het eens gesproken woord om altijd bij elkaar te blijven en niet té delen het goed van vaders ?
Ziet, deze bange vraag kwelde de vier gezusters en de broer, als ze dachten aan broer Gart, die de leste tijd dukkels in de Statenbijbel las en ook meermaals vortging, zonder te zeggen waarheen.
Op een keer begon Gart te praten. Ach, mensen, wat schrokken die geldpotters toen hevig !
, , lk heb een grote schat gevonden, " zegde Gart blijd. , , 't Is niet voor geld te koop ; ik heb dat fortuin glad en al voor niks gekregen "
, , Waar is er iëverans zo'n goed mens in de Waard ? " vraagde Maaike, het gezegde van Gart niet begrijpend.
, , Ik heb Christus gevonden, o mensen, wat is dat een geluk ! Jij, Aai, en jij Maaike, jullie allegaar kunnen Hem vinden ; gaan ook tot Hem en Hij zal de zonden vergeven, hoewel we geen van allen zulk een grote gratie waardig zijn "
De Erven De Korte zaten geslagen. Wat mankeerde broer Gart ? Welke kwaaie gedachten murden er in zijn kop ?
Het was Aai die het eerst sprak. „Ik ben bang, dat jij malende ben, " zeg de hij ijzig koud en weès naar zijn hoofd.
Doch Gart, getrokken uit de duisternis in het licht van het Evangelie, sprak innig en met vuur van de liefde van Jezus voor een verloren zondaar. Het deerde hem niet, dat er heftige verwijten uit de monden der verwanten kwamen, hij getuigde van het werk van Christus, want ook zijn broer en zusters wilde hij wijzen de weg naar geluk.
De gezusters en broer Aai krompen ineen, want een barre benauwenis viel op hen neer. Gart sprak over geld en goed en zegde, dat die dingen onbelangrijk waren en van geen nut als de dood zou aankloppen aan hun stee. Bar en bar, hoe durfde Gart zulke kwaaie woorden te spreken ? Wier de jongste van de keinders De Korte nu een onterik, een opstandige die niet wilde achten het geld en het goed dat vaders hun onderjaars had nagelaten ? Deze vragen kwelden hen beangstigend en zozeer waren ze verschrikt voor de scheuring van het erfgeld, dat Mensje opstond en vloekwoorden uitte, schrikkelijk om te vernemen.
Gart was gegrepen door de liefde van Christus en daarom ging hij niet fel tegen zijn ontaarde zuster tekeer, doch hij vermaande haar vriendelijk en nadrukkelijk.
Vanaf deze dag was het kwaad leven in het keuterspulletje.
Aai en de zusters gingen heftig tegen het belijden van Gart in, aangepord door de angst, dat er een schrikkelijke scheuring vanwege de in hun ogen weerstrevende broer zou komen.
Op een zomerdag kwam de slag voor de Erven De Korte.
Gart had het besluit genomen om weg te gaan. Hij voelde zich geroepen om zijn medemensen, die het geloof nog niet bezaten, te wijzen naar de weg des behouds.
Hij maakte zijn voornemen kenbaar en toen wieren de geldwolven bekant gek van haat. Leefden ze zo niet goed en geriefelijk, wier het geld op deze wijs niet rechtschapen bij elkaar gehouden ? Ach ach, een giftige geldfurie greep de gezusters aan, er klonken ontaarde verwijten door het kleine boerensteedje. Aai vloekte en dreeg te stikken van drift.
„Wij zijn hier de Erven en dat mot zo blijven, " brulde hij luid.
Doch Gart voelde zijn roeping en met grote gewisheid herhaalde hij zijn plannen. Hij sprak hen van Jezus, hij gewaagde van naastenliefde en zo meer.
„Als jij dat durft besteken, ben je onze broer niet meer, " gilde Maaike boven allen uit.
„Ik weet mij geroepen en daarom moet ik schielijk gaan, " zegde Gart kalm, doch zijn stem klonk smartelijk , , En mijn portie van vaders versterf wat dat aanbelangt dat hoef ik niet te hebben "
Op dat woord wier het stil; het was krek of de gezusters en de broer plotseling bevrijd wieren van een hevige angst. Ja, toen kwam wel bar goed aan het licht, wat een geldpotters en bezitbegerende mensen de Erven De Korte waren, uitgezonderd dan die éne.
Een week naderhand vertrok Gart de Korte, in zijn zakken slechts een gering bedrag aan geld, een zakbijbel en het boek van Bunyan.
Hij was de Gijbelandse dijk al een eindweegs uitgelopen en toen keek hij nog eens om naar het kleine boerenspulletje, waar zijn zusters hem van achter de gordijnen nagluurden.
Aai was toen achter in het land doende met aard overdoen. Hij had naar hij eigens gezegd had, geen lust om de onterik te zien gaan en na te turen.
Hoe was het nu toch eigenlijk met deze mensen ? Waren ze verdrietig, omdat er een broer wegtrok en niet meer dag aan dag bij hen zou zijn ? Neeë, dat waren ze heel niet.
De een voor de ander dacht er gans niet kwaad over. Want nadat Gart gezegd had, dat hij zijn erfdeel niet begeerde mee te nemen, waren ze aan het rekenen geslagen, ieder voor zich. En zo dom waren deze vijf ouwe mummelmonden nog niet, of ze begrepen rap, dat hun part door het gaan van Gart nog groter was geworden. En dat vonden die geldmensen best.
Zo zijn bij ons die vijf ouwe mensen, die zich noemen en schrijven : de Erven De Korte.
Rijke mensen, maar in de grond van de zaak steenarm. Slechts Gart was rijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's