MEDITATIE
„Hij dan, ziende velen van de Farizeërs en Sadduceërs tot „zijn doop komen, sprak tot hen : „Gij adderengebroedsels, „wie heeft u aangewezen te vlieden van de toekomende toorn? „Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig". Mattheüs 3 vers 7 en 8.
Machtig is de indruk geweest, waarde lezers, die Johannes de Dooper op zijn tijdgenoten heeft gemaakt. Uit alles merken we zijn tot een beslissing dringende invloed. Alleen zijn verschijning al was merkwaardig. Een dierenvacht beschutte hem ! Sprinkhanen, in de woestijn gegrepen, een handvol honing, vormden zijn menu.
De massa, zelf op zoek naar genot, en lijdensschuw, heeft altijd respect voor de ascese, de onthouding van , , zachte klederen" en „heerlijke spijzen" en , , in wellust zijn".
De inhoud van zijn prediking was echter niet minder opvallend. Hij sprak van bekering, en wel voor iedere Israëliet. Velen waanden die niet nodig te hebben. Zij, het volk van de Wet, het zaad Abrahams —- zij waren immers het uitverkoren volk van God, bemind boven alle andere volken. Vooral de sekte der Farizeërs voelde zich boven allen en 'n ieder verheven, in trotse waan van eigengerechtigheid. De eer zoekende van mensen, rekenden ze op achting bij het publiek en waardering bij God. Het lag niet in hun lijn, de noodzakelijkheid van bekering voor zichzelve te erkennen, alsof hun hart en leven niet was naar Gods wil.
Ook de Sadduceërs keken vreemd op bij deze alarmerende prediking van de cultuurloze woestijnprediker. Het kon hen, de oppervlakkige werelddienaars, allerminst smaken.
„Het Koninkrijk der hemelen is nabij", zo riep Johannes. Ach, er was geen heimwee naar : de Farizeërs hadden hun , , rijkje" reeds in hun wettische onberispelijkheid en intellectualistische zelfverzekerdheid, (de dogmatische legpuzzle klopte zo ongeveer en er was geen gebroken hart, door schuldbesef getroffen, dat dorstte naar een God van genade) en de Sadduceërs hadden 'hun „rijkje" in de genieting der wereldse geneugten en oppervlakkige „onze lieve-Heer" - surrogaat-godsdienst, (zij hadden zeker geen behoefte aan inkeer tot zichzelve, afkeer van de zonde en wederkeer tot God, in hun laag-bij-de-grondse aspiraties).
En dan die doop, die onderdompeling in het water! Neen, zo'n radicale omkeer was bij hen niet nodig. Stel je voor, , , als uit de dood tot het leven" ; de oude mens begraven (het verleden dus als verwerpelijk-zondig en onnut oordelen? ) en als nieuw mens opstaan (alsof nieuwbouw nodig was, na opruiming van de ruïnes? ) Neen, dat streelde het vlees niet, dat was een leer, die verzet opriep en weersproken moest worden. De gedachten des harten werden openbaar, waarde lezers, zoals ook in onze dagen, uit de reacties op de prediking des Woords, Wet en Evangelie, ons ontsluit de innerlijke toestand des harten. O, dat bedenken des vleses ! Het onderwerpt zich niet aan het ontdekkende woord der Wet. Het wil het niet en kan het niet. Het hart des mensen is ten allen tijde gelijk : nu en toen, onder Israël en vandaag, 1953, het is ijdel, zelfingenomen, afkerig om het met Gods recht eens te tvorden, zich voor God te verootmoedigen en te bedelen om genade en geen recht.
Dat de Messias nabij was — dat klonk aangenaam in de oren, dat deed het oog opflikkeren. Alleen, het Woord Gods was op dit terrein geheel scheef getrokken en het Messiasideaal was een politiek-sociaal aards ideaal geworden.
Ondanks innerlijk verzet komen, behalve de grote massa, toch ook de bewuste partij-mannen luisteren naar Johannes.
Het stroomt mensen. Het volk acht Johannes hoog. Hij doet geen wonder, doch zijn prediking is machtig ernstig, concreet. Hij wijst hoeren, tollenaren, krijgslieden, de weg. Het eenvoudig gemoed laat zich op de massa-meetings gezeggen, en velen worden gedoopt.
Ook de leidslièden des volks blijken besloten om de doop te vragen. Ze drommen om Johannes heen. Vooruit dan maar, 't is toch ook weer geen onaardige symboliek, deze ceremonie kan er nog wel bij. Het volk dweept nu eenmaal met Johannes. Als zij zich van Johannes distanciëren, dan verliezen ze hun invloed op het volk, de achting bij het volk. In vredesnaam dan ook maar dopen. En, Johannes heeft het maar over die bijl, die aan de wortel van de boom ligt, en die wan, die het koren van het kaf zal schiften — en, het oordeel willen ze toch ook wel graag ontlopen.
Heeft Johannes in hun hart gelezen? Heeft hij aan hun houding, hun blik of uit enkele woorden gemerkt, hoe ze geheel onoprecht daar voor hem stonden ? Fel reageert hij tegen hen. Scherp, ontdekkend en waarschuwend is zijn vermaan. Ja, hij moet 't bevroed, het geweten hebben, dat ze, zonder berouw en zondesmart, zonder behoefte aan genade, tot zijn doop kwamen, anders was zijn vlijmscherp woord onverantwoordelijk geweest.
Want, een leraar, moet hij niet blij zijn als de schare de boodschap nog horen wil; als men uit alle rangen en standen nog de prediking begeert; als de vooraanstaanden niet achterblijven en de instellingen des Heren niet versmaden?
Zeer zeker, waarde lezers. , , Komt allen tot Mij" — „predikt het Evangelie aan alle creaturen". „In de veelheid der onderdanen is des Konings heerlijkheid". We hebben allen dezelfde genade nodig, niemand uitgezonderd.
Toch, hij mag niemand troosten, die God zelf niet troost. En de Heere ziet het hart aan ; vraagt naar waarheid in het binnenste ; wil niet, dat wij de drinkbeker aan de buitenkant slechts reinigen, of in vormendienst opgaan, of, beter-gezegd, ondergaan.
Ook nu nog geldt het, dat hemelzoekers verloren gaan, dat angst voor straf zonder meer te kort en te smal is en vorm zonder inhoud niet baat voor het gericht Gods. De toekomende toorn ontvlieden - — ja, dat willen ze. Geen straf, geen hel. Gods recht billijken •— dat is het werk des Geestes in ons. Waarde lezers, het is wat, om Gods eer liever te hebben, hoger te stellen dan eigen behoud. „Uw doen is rein. Uw vonnis gans rechtvaardig". Van nature zijn we alleen maar bang van de straf der zonde, niet van de zonde zelve.
Is het zo ook niet onder ons, waarde lezers, dat we van nature slechts gedreven worden door vrees voor straf, zonder berouw, eigenlijk maar een droefheid naar de wereld? Gods Geest lere ons de geestelijke droefheid naar God, de hunkering naar Zijn gunst, het roepen uit het Godsgemis, met een mishagen aan onszelve over ons zondig hart, onze opstand tegen Zijn gezag. Dat we God de rug toekeren — dat moet ons smarten. Dat we Hem , , links laten liggen" in ons leven — dat maakt ons het voorwerp van Zijn toorn. Dat we schudden aan de pilaren van Zijn troon — geen nood, we redden het zonder God ! '~ dat maakt ons tijdelijke en eeuwige straffen waardig. Ons daarover voor God te verootmoedigen en Zijn straffen rechtvaardig te keuren, ootmoedig op genade te pleiten en begeren voortaan voor Hem te leven, ~ zie, daar hadden de Farizeërs en Sadduceërs, die tot Johannes kwamen, niets van. O, had hij vruchten gezien, der bekering waardig, hoe blij was hij geweest, uit de liefde, die , , ieder genade gunt" ! Hoe gaarne had hij ze gedoopt. Doch nu ziet hij slechts vleselijke overleggingen, met wat angst, en verder listig overleg om huichelachtig „mee-te doen". , , Adderengebroedsel", zo roept hij verdrietig-verontwaardigd uit. Zó mag je je niet laten dopen. Wie heeft u dat geleerd, zulks te doen, en zo zeker de toekomende toom ontvlieden? Al zijt ge duizendmaal Abraham's kinderen, zonder bekering, zonder berouw, zonder genade, zal het niet gaan. Indien ge u niet waarlijk bekeert, zult ge evengoed vergaan.
Een streng woord, waarde lezers. Ja, naast het lokkend en het vertroostend woord is er plaats voor het bestraffende woord voor de hardnekkigen, die weigeren zondaar te worden voor God. Ook de Heere Jezus sprak menigmaal het , , Wee u" uit tot de geveinsden, de vormendienaars, de eigengerechtigden, de zonde-dienaars.
Heerlijk, de toekomende toorn te ontvlieden, waarde lezers. Doch alleen de Godzoekers zullen behouden worden. Zijt ge een hemelzoeker, die achter God om de hemel wil binnengaan, zonder met Zijn recht van doen te hebben gekregen in verbrijzeling des harten, zonder in liefde Hem te zoeken, om Hem te dienen tot lof en roem van Zijn genade, aan de grootste der zondaren bewezen, — zie, ook wij mogen u niet troosten met de belofte, dat Christus, uw Verlosser, u zal ontvangen in Zijn Koninkrijk. Hij zal ook voor u een vertoornd Rechter zijn. Het behoud der ziel — het mag de heerlijke vrucht der prediking genoemd worden, doch het doel is : bekering, en de vruchten der bekering, in nieuwe gehoorzaamheid, van de vreze des Heeren, uit dankbaarheid ! Geen hemel of hel spele ons door de zinnen, zei Bilderdijk.
Johannes heeft genade voor de boetvaardigen verkondigd en het oordeel voor de onbekeerden. Onderscheiden, separeren is ook thans nodig. Gemeente, onderzoek uzelf nauw, ja, zeer nauw. Zeg niet bij uzelve Ja, zeggen we soms niet bij onszelve, in het diepst van onze overleggingen des harten, in de verborgen , , grondjes" onzer ziele-hope..... De Heere werke de vruchten der bekering mèt de doop der bekering, en we zullen zeker onze ziel wegdragen als een buit uit het oordeel. We zullen God ontvangen - — God, als verzoend Rechter en Vader van alle barmhartigheid — en de hemel „op de koop toe". Doch, vorm-aanbidders en hemelzoekers — zij zullen verloren gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's