EEN INNIGE BEGEERTE
Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. Psalm 27 vs. 4.
De meeste uitleggers plaatsen deze psalm in die tijd van Davids leven, toen hij moest vluchten voor Absalom, zijn zoon. Deze toch had een revolutie op touw gezet om de troon zijns vaders te beklimmen. En nu bleef er voor David maar één ding over te doen: zijn heil in de vlucht zoeken.
Deed hij dat niet, dan zou Jeruzalem een toneel worden van strijd tussen vader en zoon. Maar David wilde niet, dat in Jeruzalem een bloedbad zou worden aangericht. Hij wilde niet strijden tegen zijn eigen kind.
Nu zie ik in mijn gedachten de vluchtende Koning in de eenzame woestijn voorttrekken, omringd door zijn getrouwen. Ze zullen nu worden nagejaagd als een veldhoen over de bergen.
En nu gaan Davids gedachten weer terug naar Jeruzalem. En als we nu uit zijn mond zouden hebben beluisterd woorden vol van heimwee en verlangen naar zijn paleis, naar zijn vrouw en zijn andere kinderen, naar zijn troon, naar de schatten, die hij in Jeruzalem had achtergelaten, dan zouden we dat zo hebben kunnen begrijpen.
Maar neen, van dat alles hoor ik niets. Hij spreekt het uit, dat er in het diepst van zijn ziel maar één begeerte leeft, n.l, deze, om al de dagen zijns levens te mogen wonen in het huis des Heeren.
Waaraan zou David hebben gedacht? Aan de weidse tabernakel, die tot in Salomo's tijd in Gibeon is blijven staan of aan de ark, die sinds de wegvoering naar het land der Filistijnen door de zonen van Eli, Hofni en Pinehas, tenslotte weer was terecht gekomen op de Sionsheuvel te Jeruzalem, waar David een tent van kostelijke gordijnen voor haar had gespannen.
Die scheiding tussen heiligdom en ark moet David wel hebben gesmart. Maar het is er net mee als wanneer een kind weer verlangt naar de ouderlijke tafel. Dan is het eigenlijk niet te doen om de tafel, maar om vader en moeder en broers en zusters.
De moeilijke omstandigheden, waarin hij op dat ogenblik verkeerde, doen hem verlangen naar de ark en tabernakel, om aldaar de Heere zelf weer te mogen ontmoeten.
In zijn prille jeugd had de Heilige Geest zijn oog al geopend voor zonde en schuld. Die Heilige Geest had hem laten zien, waar al die zondige begeerten en lusten de mens. tenslotte brengen. Wat baat het de mens, of hij al de hele wereld zou gewinnen en al zijn begeerten zou vervuld? zien, doch tenslotte schade zou moeteen lijden aan zijn arme, onsterfelijke ziel.
In zijn jeugd had hij reeds veel mogen smaken van die lieflijkheid des Heeren, van Zijn gunst en genade jegens arme zondaren. Geen wonder, dat zijn ziel bij vernieuwing daarnaar uitgaat. Hij wist het door genade, dat de hulp alleen van Boven komt. Dat had het verleden hem ruimschoots geleerd. Daarom durft hij ook de jubel aan te vangen in zijn lied : De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen ? De Heere is mijns levens kracht, voor wie zou ik vervaard zijn?
En de moeilijke omstandigheden van het heden deden hem bij vernieuwing afzien van de ijdelheden dezer wereld. Schuldgevoel vervult opnieuw zijn hart. De herinnering aan Nathan's woord, dat het zwaard van zijn huis niet zou wijken doet hem zijn zonde weer steeds voor zijn ogen zweven.
Het is daarom, dat hij begeert naar de woning Gods op de Sionsheuvel. Hij hoopt aldaar bij vernieuwing de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen. Elk offer, dat daar gebracht wordt, predikt van Gods genade. De plaat op de hoed van de hogepriester predikt van de heiligheid Gods. De ingang in het binnenste heiligdom op de grote verzoendag is de profetie van het machtige heilsfeit, dat later het voorhangsel van boven naar beneden zou scheuren, toen Christus stierf aan 't kruis, opdat de weg voor een arm zondaar naar het binnenste heiligdom zou geopend worden.
Daarom bidt de dichter. We lezen, dat hij het van de Heere begeerde. Het is zijn brandende begeerte om die liefelijkheid des Heeren steeds meer te onderzoeken.
... Als een arm zondaar tenslotte geen enkele reden in zich zelf kan vinden, waarom God naar hem zou hebben omgezien, o, wat is 't dan heerlijk, om steeds dieper zoekend te mogen eindigen in die heerlijke smeekbede :
Och, mocht ik in die heilige gebouwen, de vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog; Zijn lieflijkheid en schone dienst aanschouwen.
Zalig de zondaar, die biddend onderzoekend, mag eindigen in de souvereine genade Gods.
En nu hoor ik Gods kinderen vragen of David altijd zo dicht bij de Heere zal hebben geleefd. Menigeen zal met beschaamdheid des aangezichts moeten zeggen, dat de wereld hem bij vernieuwing weer zo heeft verlokt. Mijn ziel kleeft aan het stof, klaagt de dichter.
David heeft ook zijn tijden gekend, dat hij zich weer vastklemde aan de wereld. Als Abner kwam in naam van Saul om een verbond met Saul te sluiten was David bereid op éne - voorwaarde : Hij begeert Michal zijn vrouw, die trotse koningsdochter weer terug te hebben. Later in zijn leven is hij weer begerig om het volk te tellen. Flij wil weten, hoe groot zijn macht is.
Het is waar, lezers, maar het is met het nieuwe leven dat uit God is, als met een veer. Ge kunt die veer indrukken. Maar die veer drukt straks weer terug. Dat nieuwe leven komt altijd weer boven. De begeerte naar dat ene nodige waarover eens Christus tot Martha sprak zal altijd weer moeten boven komen, zal het wel zijn.
Arm is de mens, die geen andere begeerte kent, dan die naar de ijdelheden dezer wereld. Immers die mens leeft zonder God. Hij zal ook zonder God moeten sterven, indien hij zich niet tot Hem bekeert.
Allen, die echter door genade die zalige begeerte leerden kennen, die uitgaat naar God en Zijn zalige dienst, zullen hier beneden moeten blijven bidden, dat de Heere hen gedurig zal blijven trekken, opdat ze Hem zullen nalopen.
Maar straks aan het einde van de reis zullen ze met de dichter zingen :
'k Zal dan gedurig bij U zijn in al mijn noden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten, wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten! Gij zult mij leiden door Uw raad, o God, mijn heil, mijn toeverlaat, en mij, hiertoe door U bereid, opnemen in Uw heerlijkheid.
Nieuwerkerk aan de IJssel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's