ZIJN EEUWIGE KRACHT EN GODDELIJKHEID
Nadruk op de algemene openbaring ! De vrees voor natuurlijke theologie kan sommigen weerhouden om ook een algemene openbaring te leren en daaraan de plaats toe te kennen, welke God de Heere daaraan gegeven heeft.
De eenzijdige nadruk op de bijzondere openbaring brengt weer het gevaar mede, dat de vroomheid zich afsluit in de binnenkamer en dat het openbare leven wordt prijsgegeven, alsof het buiten God omging, althans, alsof God zich daarmede niet bemoeit.
Eenzijdigheid schaadt, omdat eenzijdigheid een stuk werkelijkheid negeert, doet, alsof het er niet is. Verder roept een eenzijdige waardering juist vanwege dat tekort doen aan de andere kant, reacties op, die weer in een tegengestelde eenzijdigheid uitkomen. De rust, de geestelijke gelijkmatigheid en evenwichtigheid gaat op die manier verloren, en dat ten koste van het gemeenschappelijk welzijn.
In de ontwikkeling van het moderne cultuurleven treedt dat telkens weer aan de dag, en ook binnen het terrein van de theologie kan men dat constateren. Trouwens de theologen zijn ganselijk niet onschuldig aan deze gang van zaken.
Waarom wij zo grote waarde en betekenis hechten aan de algemene openbaring ?
Wel, ten eerste om de zaak zelf, welker ontkenning tegelijkertijd een miskenning van de Majesteit Gods en van de positie van de mens is.
Er is dus een tweeledig belang aan verbonden.
God heeft ons in deze wereld gezet als in de schouwplaats van Zijn werken. Tot welk doel anders dan opdat wij daarin de tekenen Zijner Majesteit zouden opmerken ?
Zeker ! Wij kunnen soms ook onder de indruk komen van de schoonheid der , , natuur", zeggen wij dan, met een vrijblijvende, een neutrale uitdrukking.
Wij kunnen het standpunt innemen, dat wij het schone genieten , , om het schone zelf." Hoe heerlijk vrijblijvend. Het schone om het schone zelf !
In dit opzicht heeft Kierkegaard wel enigszins gelijk, als hij beweert, dat de , , aesthetische" mens, dat is die mens, die het schone geniet , , om het schone" eigenlijk niet , , existeert". Wij verstaan dit woord wel wat anders dan Kierkegaard, die er trouwens geen definitie van gaf, maar er is wat in.
Wij nemen , , existeren" in de meer klassieke zin, die ook bij Kierkegaard niet ontbreekt. Maar laat mij het dan zo zeggen, de mens, die in de werken der schepping niet iets gewaar wordt van de eeuwige kracht en heerlijkheid Gods, is niet op zijn plaats. Hij miskent de sprake der schepping, welke tot hem uitgaat. Hij onttrekt zich er aan. Hij is er niet bij. In zoverre existeert hij niet.
Kierkegaard wil dat , , existeren", dat bestaan, verbinden aan de werkingen van het zedelijk bewustzijn, onderscheiding van goed en kwaad, kiezen tussen goed en kwaad, althans kiezen. Verder maakt hij dat zedelijke weer los van het religieuse.
In dit opzicht kunnen wij het niet eens zijn. In de Lutheraanse theologie van de negentiende eeuw zien wij dat ook geschieden en onderscheid maken tussen de religieuse verhouding van de mens tot God, zijnde een verhouding des geloofs en de zedelijke verhouding van de mens tot zijn naaste. Ook deze onderscheiding is zelfs in het Handboek der Ethiek van prof. Aalders doorgedrongen, een bewijs van de Lutheraanse infiltratie in onze Nederlandse theologie.
Wie het zedelijke los maakt van de religie, ontneemt daaraan het gezaghebbende normatieve element, waarin de kracht, het eigenlijke wezen van het zedelijke is gelegen. Niet, hoe men doet, handelt, leeft, maar, hoe men behoort te doen, te handelen, te leven. En dat behoort niet naar de norm van ons wensen, begeren, redeneren of gevoelen, maar naar de norm van onze goddelijke d.i. onze van God gegeven en bevolen levenswet.
Het gaat juist over die goddelijke autoriteit over ons leven. Daaraan moet voor alles worden vastgehouden ! Het is daarom jammer, dat ook de oude gereformeerde theologen reeds begonnen zijn met een afzonderlijke behandeling van de ethiek. Danaeus is daarmede reeds begonnen in de bloeitijd der reformatie en dat in tegenstelling met Calvijn, die de ethiek in de dogmatiek behandelt (III. C. 10) De gereformeerde theologen gingen daarbij wel van de Wet der Tien Geboden uit en daarmede bleef men in zoverre wel in de juiste lijn, hst leven van de mens staat onder de eisvan Gods Wet, maar de afzonderlijke behandeling gaf toch aanleiding tot de gedachte aan een zelfstandige plaats der moraal en is mogelijk ook bevorderlijk geweest aan het streven naar een zelfstandige moraal, zoals die b.v. wordt gevonden bij de Engelse theologen.
Ook de deïstische Godsvoorstelling, die immers geen ruimte biedt voor de Voorzienigheid Gods, welke ook over ons aardse leven gaat, en reeds daarmede op een zelfstandige moraal was aangewezen, heeft in belangrijke mate invloed uitgeoefend op zulk een ontwikkeling der Engelse moraal.
Wij kunnen een en ander slechts als een onheilvolle inzinking van het reformatorische geloofsleven beschouwen en de doorwerking van het kerkelijk verval tengevolge van een veldwinnend rationalisme heeft de ethiek allengs geheel losgemaakt van het goddelijk gezag en aan de heerschappij van een wijsgerige idee overgegeven.
Op zich zelf beschouwd heeft K. Barth alzo een echt Schriftuurlijk en reformatorisch moment op de voorgrond geschoven, als hij de ethiek weer binnen het kader van de dogmatiek heeft geplaatst. Wij zouden daarvoor zeer erkentelijk willen zijn, ware het niet, dat zijn dogmatiek met name ook in dit verband zo individualistisch, of wil men zo subjectief , , existentioneer', is, dat er van een ethiek, welke de naam Schriftuurlijk verdient, niets terecht komt.
K. Barth vecht wel als een machtige gigant tegen vele theologische misvattingen van de negentiende eeuw, maar hij is in verschillend opzicht toch te zeer verwant aan de negentiendeeeuwse geest en aan de Lutheraanse gedachtenwereld om zich te kunnen vinden in de theologie van Geneve.
Geen mens zal ontkennen, dat de mens door de werken Gods wordt aangesproken en dat het Godsbesef gepaard gaat aan een gevoel van volstrekte afhankelijkheid. Niemand ook kan ontkennen, dat de zedelijke grondbeseffen van de mens beantwoorden aan de normen van de door God geopenbaarde zedewet.
En deze geboden beantwoorden ook aan het religiéus-zèdelijk karakter der ethiek, aangezien de eerste tafel betrekking heeft op de verhouding van de mens tot God, en de tweede tafel op de verhouding van de mens tot zijn naaste. Daarom is de erkenning en de positieve waardering van de algemene openbaring Gods door de schepping, onderhouding en regering der wereld (zie art. II Ned. Gel. bel.) in overeenstemming, niet alleen met wat de Heilige Schrift ons leert, maar ook met de ervaring. Het kan dan ook geen enkel voordeel hebben, terwille van een reactie tegen al wat natuurlijke godsdienst of theologie genoemd wordt, de waarheid Gods te weerspreken. Hierdoor keert men ten slotte het zwaard tegen zich zelf ondanl^s al zijn ijver en goede bedoeling.
De symptomen ontbreken ook niet, die er op wijzen, dat een leer der openbaring, welke haar in feite tot niet-openbaring maakt, de mensen, die haar aanhangen in de armen ener , , natuurlijke" theologie voert, zo zij reeds niet ten offer vielen aan liturgiek en sacramentalisme. Dat komt er van als men aan het menselijke redewezen meer gezag toekent dan aan het Woord Gods, zoals het ons in de Heilige Schrift gegeven is.
Over , , existentioneer' gesproken, want een ieder schijnt dat woord te mogen gebruiken, zoals hij wil, staat het echter zo, dat het de mens niet aan het besef ontbreekt, dat God is, en dat Hij onze Schepper is, en dat hij van die Schepper afhankelijk is, maar dit drijft nauwelijks één op de honderd tot onderzoek en ware Godskennis.
Het is juist daarom zo nodig, dat de kerk daarop volle nadruk legt en de mensen opvoedt in de kennis der Heilige Schrift, hen onderwijzende omtrent de toorn Gods, welke op een iegelijk blijft, die volhardt in de ongehoorzaamheid van de gevallen mens. Daar moet de mens zich zelf vinden. Dat is zijn ongelukkig bestaan.
Men spreekt in onze dagen heel gemakkelijk, naar ons gevoelen, veel te gemakkelijk, te modieus en kortzichtig van nood. Als men door redeneert met degenen, die zo spreken, komt men vaak tot de ontdekking, dat zij daarover spreken, alsof er geen God en geen Godsopenbaring ware. Men redeneert uit de omstandigheden, men praat andere mensen na in dingen, waarover het nu eenmaal mode is zo te praten, ook al begrijpt men ze niet en men concludeert naar het uitvalt.
Men meent ook al krachtens een verkeerd begrepen apostolaat, de buitenkerkelijken te moeten benaderen in hun buitenkerkelijkheid en doet dat in de sfeer der buitenkerkelijkheid, met een Evangelie, dat zich schijnt aan te passen bij die sfeer, maar m.en wacht zich er voor de mens zijn beeld voor ogen te houden van zijn bestaan, zoals dat verschijnt in het licht der Godsopenbaring. Evangelie en kerk worden zo ruim gesteld, dat de hele wereld met haar wereldse wandel binnen het kader valt. Dit is erger dan Rooms, en men moest bedenken, dat niemand enig respect kan hebben voor een kerk en dominees, die geen onderscheid maken tussen het heilige en het profane.
De eigenlijke nood van onze tijd bestaat niet slechts in de vervreemding van de leer der Schriften en van de kerk, maar deze heeft een stadium bereikt, waarin ook de algemene religieuse en zedelijke beseffen en grondgevoelens zodanig zijn afgestompt, dat men in een staat van zedeloosheid vervalt, die beneden het heidendom is weggezonken. Anders gezegd, de mens kan zonder erkenning van het goddelijk gezag zijn weg zelfs in dit aardse leven niet vinden en welvaren. Een tijd lang heeft hij nog geteerd uit de erfenis der vaderen, maar is ook aan, hetgeen hij voor zijn eigen grootheid hield, ontval len, en overgegeven aan zichzelf en tast in het duister als de blinde naar de wand.
Wie zal het verlossende woord spreken ?
Geen mens. Dwaas, die daarop wacht, en nog dwazer, wie zijn vertrouwen zet op een mensenwoord.
Als er nog verlossing uit die nood voor de moderne mens is, dan is het verlossende Woord reeds gesproken en dan is het bij de kerk, aan welke het is toebetrouwd, daar zij de getuige van Christus in deze wereld is. Wee echter de kerk, die uit loutere wereldse gezindheid, uit ijdele modezucht, dat Woord in zijn eenvoud niet heel duidelijk laat horen en die de mens niet aanaanspreekt met een beroep op de beseffen van Gods Majesteit en gezag, om hem te bepalen bij zijn zondig bestaan voor God.
Als de kerk de naam Gods noemt, kan zij zijn als de stem eens roependen in de woestijn, maar voor niemand is die God een ganselijk Onbekende, ook al heeft hij Hem niet leren kennen als een Verlosser in Christus. En niemand kan zich losmaken van het gevoelen met die God van doen te hebben, ook als men dat gevoelen onderdrukt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's