EN ZIET, HOE GROTE NOOD!
Wij hebben er geen woorden voor. Welk een ellende hebben velen doorstaan in de koude nachten, gevlucht voor de zwellende wateren op het dak, terwijl de vloed dood-dreigend met zijn onweerstaanbare stormrammen de wankelende muren beukte en vaak onverhoeds uiteensloeg en met man en muis opslokte in de woeste kolken. Elders stonden de uitgedreven dorpers samengevlucht op een dijk. En welk een schrik, als in een enkel ogenblik een wilde aanloop van woeste golven de dijk wegstoof en de mensen, die daar hun redding hadden gezocht, meesleurde in de diepte. Bijna veertien honderd mensen hebben de dood in de golven gevonden en tienduizenden zagen zich als in één slag beroofd van huis en hof, en van al hun bezit, en dan die doden! Vrouwen, die haar man verloren, mannen, wier vrouwen werden medegerukt, kinderen zonder ouders, ouders die hun kinderen niet meer terug zagen.
Och, neen, wij kunnen dat toch niet zo beschrijven, als wij het zouden wensen. Dat behoeft echter ook niet, want wij gevoelen het, wij zijn diep onder de indruk. Diep onder de indruk van zó grote nood! Wij zijn verbijsterd en verpletterd van de geweldige krachten, die zee en aarde bewogen — en ons klein maken, heel klein.
Wat is de mens? Wat vermag de mens tegen zulke natuurkrachten......
Natuurkrachten?
Wat zijn eigenlijk natuurkrachten? Sommige mensen spreken daarover, alsof dat zonder meer heel duidelijke taal is, terwijl de vraag gewettigd is, of zij daarmede eigenlijk willen verbergen, wat zij gevoelen.
Wat is er dan, dat ons zo diep beroert, dat het ganse volk beweegt tot een bewonderenswaardige offervaardigheid en niet alleen ons volk, maar de volkeren?
Is dat alleen medegevoelen, medelijden, „sociaal" gevoel, zedelijke drang? Is het niet meer dan ontzetting bij de aanblik van het catastrophale, het overweldigende, waarbij de mens klein wordt en het besef van zijn kleinheid iets van het menselijk gemeenschappelijke openbaar maakt?
Dat is het zonder twijfel en het is niet goed, het is zelfs goddeloos, om dat te willen onderdrukken en verdringen.
Morgenochtend ('t is Zaterdagavond) zullen de kerken volstromen en velen zullen daar gezien worden, die niet gewoon zijn te kerken en slechts zelden komen. Doch morgen gaan zij. Zij hebben er vrede mee, dat de ganse dag in 't teken van verootmoediging, gebed en offer zal staan, en de regering vertrouwt dat het ganse volk zal meewerken om te bevorderen, dat deze Zondag zulk een karakter zal dragen.
Deze ramp heeft de ganse natie getroffen en heeft oók wat te zeggen. Dat gevoelt men. Natuurkrachten hebben niets te zeggen. Alleen personen spreken.
Maar er is een stem Gods in dit vreselijk gebeuren, een stem van de Almachtige, die hemel en aarde gemaakt heeft en de wereld draagt door Zijn eeuwige kracht. Een roep tot verootmoediging en bekering.
Er zullen wel onverlaten zijn, die dit niet erkennen willen, die het verwerpen als vrome praat van een voorbij gegaan geslacht. Dat betekent echter niet, dat zij er niets van gevoelen.
Dat is het noodlottige en tegelijk onverantwoordelijke voor de mens, dat hij de stem Gods kan verachten en dat hij zulks nooit straffeloos doet.
De oordelen Gods, zegt iemand, en soms zegt iemand het zó, alsof het hem niet raakt.
Nochtans kan niemand weerspreken, dat de oordelen Gods over ons land gaan. De oorlog met zijn verwoestingen, de bezetting gedurende vijf jaren van verdrukking en vernedering, de verarming en verachtering van een machtig rijk tot een kleine staat, en nog nauwelijks een weinig bekomen van de slagen van de oorlog, kwam deze nacht van ellende de landzaat hullen in smart en rouw.
Wij denken aan het woord van Habakuk (1 vs. 12), als hij zijn klacht opzendt tot God, die hem ellende laat zien en ongerechtigheid. Waarom verlost Gij niet, n.l. uit de verdrukking der Chaldeën? En dan ziet hij het. Tot een oordeel hebt Gij hem (t.w. de Chaldeën) gesteld.
Daarin is voor Habakuk een lichtpunt. Tot een oordeel, d.w.z. om te straffen. God handelt met Zijn volk Israël gelijk een vader met zijn ongehoorzaam kind. Hij zendt Zijn oordelen om te straffen, d.w.z. om ze terug te roepen van een onbekeerlijke wandel en een schadelijke weg.
Daarom is er in deze oordelen een stem Gods en een roep der bekering. De Heere God wil nog bemoeienis met ons land en volk hebben. En daarom kan deze ramp nog in een zegen verkeren, als ons volk acht geeft op de roepstem in deze grote nood.
De profeet Habakuk zet zich voor heel het volk Israël in, als hij zegt: „Zijt Gij niet van ouds af de Heere, mijn God, mijn Heilige?" Dat hebben die Oud-Testamentische profeten. Zij zijn echte profeten met een priesterlijk hart.
Waar zijn onze profeten?
En hoe is de kerk, die toch tot de getuige Gods en van Zijn Christus in ons vaderland geroepen en gezet is, hoe is zij verdeeld en ontrouw en een verkondigster van allerlei wind van leer geworden. Zij is geworden tot een smaad.
Bovenal gaat de roepstem uit tot de kerk, die onder voorwendsel van gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift.en gemeenschap met de belijdenis der vaderen, de eerbied voor het Woord Gods ondergraaft en de leer der vaderen veracht. In de naam van een verkeerd begrepen „dienst aan de wereld", wordt een sæcularisering van het kerkelijk leven zelfs opzettelijk nagestreefd, als ware dit in overeenstemming met de waarachtige roeping der kerk.
Wij spraken van oordelen Gods. Daar kan ook eigengereidheid in zijn, alsof de getroffenen zondaren waren, erger dan wij. De Heere Jezus Christus waarschuwt daarvoor en vermaant tot bekering. Denk aan de blindgeborene : Heeft deze gezondigd, of zijn ouders? Denk aan degenen, die werden bedolven onder het puin van de toren van Siloam!
Die een ander van oordelen Gods wil spreken, verootmoedige zich zelf. Dat geldt van de persoon. Dat geldt van de kerk. Deze moet van de oordelen Gods spreken, zoals de profeten dat doen. Zij moet roepen tot de bekering. Tot de Wet en de getuigenis, zoals de Heilige Schrift dat doet.
En het zal ten zegen van ons volk worden, als zij dat doet en in getrouwheid gaat getuigen. Niet „in dienst aan de wereld". Laat de kerk bedenken, dat Christus niet bidt voor de wereld!
Het staat er. Hij zegt het. (Vgl. Joh. 17 vs. 9).
Dus niet in dienst aan de wereld, maar dienst aan God.
Dan echter zal de kerk eerst moeten wederkeren tot de Wet en de getuigenis en de waarachtige gemeenschap met het geloof der vaderen weder vinden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's