ONDERWIJS
Zuid-Afrika (Transvaal)
II.
Omstreeks het jaar 1840 waren de trekkers jaren geëindigd. Jaren vol herinneringen, onuitwisbare herinneringen aan veel leed en smart. Aan bloedige ontmoetingen tussen blank en zwart, aan zware verliezen, persoonlijk en gemeenschappelijk. Maar er was ook veel dank aan God voor wonderlijke bewaringen in grote gevaren en vooral voor het grote, niet te waarderen feit, dat nu de vrijheid bereikt was. Want in het land ten Noorden van de Vaalrivier — in Transvaal — vestigden de Voortrekkers een onafhankelijke Republiek, geregeerd door mensen van hun eigen volk. De officiële taal was hun eigen taal en hun eigen, voor hen zo waardevolle tradities werden aanvaard. Zo werd langzamerhand geboren een geest van eenheid, die zich ontwikkelde tot een bewust gevoel van nationaliteit en van nationale cultuur.
In 1859 werd officieel de Zuid Afrikaanse Republiek gesticht en in hetzelfde jaar reeds werd een Commissie voor Opvoeding en Onderwijs benoemd, wat wel een duidelijk bewijs was, welk groot belang de Boeren hechtten aan de regeling van onderwijs en opvoeding hunner kinderen. Een stelsel van onderwijs moest worden in elkaar gezet. Dit was moeilijk, omdat de leiders der Z. Afrikaanse Republiek zich er terdege van bewust waren, dat zij in de wereld van alle culturele contacten verstoken waren : zij stonden alléén en vrijwel — zeker de eerste tijd — geïsoleerd.
Inderdaad was dan ook het begin uiterst primitief. Er was totaal gebrek aan materiaal, aan leermiddelen en, wat erger was, ook groot tekort aan onderwijzers. Toen kwamen de contacten met Nederland en dat leidde er toe, dat Hollanders als onderwijzers in de Transvaal zijn gekomen, en daar het werk van onderwijs en opvoeding hebben ter hand genomen. Dit was van buitengewoon grote betekenis voor de nieuwe Staat. De Transvaalse Volksraad vertrouwde deze Nederlandse onderwijzers de belangrijkste posten toe, waaruit wel duidelijk blijkt, hoe algemeen hun werk en hun talenten gewaardeerd werden en met zeer weinig uitzonderingen, verdienden ze deze waardering ten volle.
De Centrale Republikeinse Regering stelde vast, dat de onderwijzers lidmaat moesten zijn van de Nederlandse kerk en voorts moest de Algemene Onderwijscommissie verklaren, dat ze geschikt waren voor hun werk. Dan konden ze aan de slag gaan en volgens voorschrift les geven in Bijb. Geschiedenis, lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, en zingen. Hun salaris werd vastgesteld op 75 pond per jaar, plus de schoolgelden.
Jaarlijks moest een schoolexamen worden gehouden en aan de beste leerling werd een prijs toegekend.
Na korte tijd werden meer gedetailleerde regelingen vastgesteld. Plaatselijke Schoolcommissies werden in het leven geroepen en een begin werd gemaakt met het onderzoek naar onderwijsgelegenheid in de afgelegen districten. Voorts kregen de onderwijzers gespecificeerde instructies. Met 't oog op hen, die ook Engels wilden leren, werd bij het benoemen van personeel ook gelet op de bevoegdheid om les te geven in de Engelse taal.
In 1867 rees in de Volksraad, die herhaaldelijk de onderwijszaken besprak, de vraag of het niet wenselijk was dat het centrale gezag over de hele schoolwereld zou worden uitgeoefend door een Superintendent (Inspecteur, Directeur). Het was vooral de President der Republiek, die hier vóór was. Evenwel besloot de Volksraad, hiertoe niet over te gaan, maar in tegenstelling daarmee juist de Onderwijscommissie op te heffen en de hele regeling van en het toezicht op opvoeding en onderwijs in handen te leggen van de Uitvoerende Raad.
Laat ons van één en ander geen overdreven voorstelling maken. Alles was nog heel in 't begin en heel klein. In 1867 waren er 25 onderwijzers, terwijl het hele onderwijsbudget 1750 pond bedroeg.
In de dorpen ontstonden langzamerhand plaatselijke Schoolcommissies, die verantwoordelijk waren voor de voorziening inzake het onderwijs. De jaarlijkse prijsuitreiking was één van de grootste gebeurtenissen van het jaar.
Ik heb hier een programma voor me liggen van het jaarlijks examen der leerlingen van de Gouvernementsschool te Pretoria op 24 Januari 1868.
Een half uur vóór het begin van het examen werd de kerkklok geluid. Om half 9 begaf de plaatselijke Schoolcommissie zich naar het huis van de voorzitter, om vandaar gezamenlijk zich naar school te begeven. Om 9 uur kwamen ze daar aan, met nog eventueel andere autoriteiten en belangstellenden.
En dan verder luidt het programma : De leerlingen zingen Psalm 118 vs. 10. De voorzitter der plaatselijke Schoolcommissie opent de werkzaamheden. De werkzaamheden zullen bestaan in:
Voormiddag :
1. Zangkunde.
2. Vierstemmig zingen.
3. Rekenkunde.
4. Rekenen.
5. Schrijven.
6. Taalkunde.
7. Zingen.
Namiddag :
1. Zingen.
2. Opstellen maken.
3. Aardrijkskunde.
4. Lezen.
5. Geschiedenis.
6. Reciteren.
7. Zingen.
Het examen zal met toepasselijke aanspraken worden gesloten. Daarna uitdelen van prijzen en kinderfeest.
Het Programma is ondertekend door de onderwijzer en door de voorzitter van de plaatselijke Schoolcommissie, op wier last het examen plaats vond.
P.S. De feitelijke gegevens voor dit en eventueel volgende art. zijn ontleend aan : A. K. Bot, A Century ot Education in the Transvaal. Printed in the Union of South Africa by the Government printer, Pretoria.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's