De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

TUSSEN JA EN NEEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TUSSEN JA EN NEEN

7 minuten leestijd

Het optreden van het , , Verband" van Hervormde-Gereformeerde predikanten heeft het weekblad „De Hervormde Kerk" aanleiding gegeven enige beschouwingen ten beste te geven. Het ligt niet op mijn weg als verdediger van dit , , Verband" op te treden, het bevat zelve voldoende krachten om zich te verweren, indien het dit nodig of gewenst acht. Toch neem ik de vrijheid op deze artikelen in te gaan, omdat zij van algemeen belang voor onze kerk zijn en het nodig is een en ander te weerspreken.

Vooreerst wordt hierin gesteld, dat de kerkorde een bepaald patroon zou gegeven hebben van de Hervormde Kerk, welk patroon door de tegenstanders der kerkorde ontkend zou zijn, terwijl zij zelven dan een ander patroon zouden gewenst hebben. Ik meen, dat hier een vertekening der jongste historie wordt gegeven, die wij niet mogen laten passeren. De stukken liggen hier enigszins anders. De zaak is deze, dat, artikel 10 der kerkorde op verschillende wijze kan worden uitgelegd. Dit spreekt thans van „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen". Nu konden de tegenstemmers zich hiermede wel op zichzelf verenigen, maar zij meenden, dat dit niet voldoende ondubbelzinnig bepaald was en wensten daarom te spreken van , , in overeenstemming met". Door anderen is toen aangevoerd, dat dit geen tegenstelling was, maar, dat het in gemeenschap met veel geestelijker en dieper was en het in overeenstemming met inhield. De laatsten stemden uiteraard voor de kerkorde. Nu gaat het niet aan om .te beweren, dat er door de Synode toen een bepaald patroon is vastgelegd, want welk patroon is vastgelegd zal eerst de tijd leren, als art. 10 wordt toegepast, en uitgewerkt. Men kan alleen beweren, dat art. 10 voor verschillende uitleg vatbaar is en het gaat niet aan, dat de schrijver van deze artikelen maar eventjes zijn visie op art. 10 als door de Synode nog wel gesanctioneerd den volke kond doet. Feit is, dat ook door de voorstemmers een onderscheiden uitleg aan art. 10 wordt gegeven.

In een volgend artikel tracht de schrijver zijn bedoelingen te verduidelijken en wil het dynamisch karakter van de belijdenis naar voren schuiven en zelfs aan de kerkorde een dynamisch karakter toekennen. Dit is wel in schrille tegenspraak met het voorgaande artikel, waarin hij op grond van het door de Synode in de kerkorde getekende patroon (volgens hem althans) anderen wil verbieden anders te handelen dan overeenkomstig dat patroon. We zullen deze tegenspraak laten voor wat ze is, maar moeten toch opmerken, dat de kerkorde geen accoord van kerkgemeenschap is, maar wel een orde, die voor de kerk geldt en waaraan men zich, althans alle organen en instanties der kerk, zich te houden hebben. Heeft de schrijver intussen misschien ontdekt, dat art. 10 hem nog niet zoveel vrijheid schenkt als hij wel zou wensen. Durft de schrijver te ontkennen, dat het belijden der kerk de belijdenis inhoudt ? Wil hij ontkennen, dat als de kerkorde zegt: De Kerk weert al wat haar belijden weerspreekt, dit ook niet inhoudt, dat de kerk weert, wat haar belijdenis weerspreekt? En blijkt niet uit het zevende lid : Bezwaren inzake dat belijden kunnen door lidmaten — onder beroep op het Woord Gods — worden voorgelegd aan het oordeel der Kerk, die zich daarover uitspreekt, dat de kerk wil blijven in de weg van de kerk der hervorming, waar ook de mogelijkheid open stond om gravamina in te dienen op grond van de H. Schrift?

Het blijkt echter, dat de schrijver zich afwendt van de kerk der reformatie, want hij heeft er geen helder inzicht in, hoe deze de verhouding van belijdenis en Schrift verstond. Hij maakt deze tegenstelling , , Hoe belangrijk in een reformatorische kerk de functie van de belijdenisgeschriften ook moge zijn, het grondprincipe van de reformatie was niet terug naar de belijdenisgeschriften, maar terug naar de Heilige Schrift". Ik zeg hieruit blijkt, dat de schrijver de reformatie maar moeilijk verstaat. Waarom ? Wel het is inderdaad juist, dat de reformatie zeide ; terug tot de Schrift, maar de kerk der reformatie gaf de belijdenisgeschriften als een repetitie der Heilige Schrift. Zij legde daarin neer, wat zij meende van de H.Schrift te hebben verstaan. En dat niet alleen, maar zij aanvaardde zeer bewust en zeer beslist ook de belijdenissen der oude Christelijke Kerk. Lees het slot van art. 9 der Geloofsbelijdenis : Daarom nemen wij in dit stuk gaarne aan de drie geloofssommen, namelijk : der Apostelen, van Nicea en van Athanasius ; insgelijks hetgeen daarvan door de Ouden in gelijkvormigheid met die besloten is.

Daarom bleef zij de Schrift normatief stellen door te eisen, dat wie bezwaren had tegen de belijdenis, deze op de Schrift moest funderen en deze niet mocht leren, voor, dat de kerk in wettige vergadering daarover uitspraak zou gedaan hebben. En zij stond niet toe, dat er geleerd zou worden in strijd met de belijdenis, omdat zij achtte dit in strijd met de Schrift te zijn. Maar wanneer men nu dit ook verlangt voor de kerk van heden, in gemeenschap met de kerk der vaderen, dan zegt de schrijver : , , Toch willen wij het wagen het in twijfel te trekken of deze gedachtengang geheel aanvaardbaar is". Hij spreekt ook afwijzend over de wijze van uitselecteren zoals o.a. de Geref. Kerken plegen te doen. Geldt deze afwijzing dan zeker ook de kerk der reformatie, die de remonstranten veroordeelde ? En als dat zo is, waarom zegt hij dat er dan niet duidelijk bij, dat hij wel ernstig in gemeenschap met de kerk der vaderen wil belijden, maar dat hij het toch niet met die kerk eens is en niet die ernst voor de zuiverheid der leer voor het heil der zielen wil betrachten als de kerk der reformatie ?

De schrijver merkt op, dat de kerk der middeleeuwen de belijdenisgeschriften der eerste eeuwen bezat en toch was haar belijden in feite in strijd, met de prediking van profeten en apostelen. Ik zou zeggen, dat was treurig genoeg, maar pleit nog niet tegen het bezit van die belijdenisgeschriften. Zelfs kan ik met hem mede gaan en vragen : hoe staat het te dien opzichte bij ons ? Hoeveel wordt er niet geschreven en geleerd in strijd met de belijdenis en ook in strijd met het klare zelf getuigenis der Heilige Schrift ? Maar is dit een veroordeling van degenen, die zulks leren en zulks toestaan en toleren of van Schrift en belijdenis ? Mij dunkt het eerste. Maar ik wil hem nog verder tegemoet komen. Ik geef hem grif toe : een goede kerkorde en een zuivere belijdenis zijn niet voldoende voor een gezond kerkelijk leven. Daarvoor is nodig, dat Gods Heilige Geest onze kerk doorwaait en tot nieuw leven wekt, en wanneer dit nieuwe leven ontwaakt, dan zullen ook de belijdenisgeschriften weer gaan resoneren en erkenning vinden. Maar wij hebben niettegenstaande dit te doen, wat onze hand vindt om te doen ; verlangen, dat Schrift en belijdenis norm zullen zijn in ons kerkelijk leven !

De schrijver zegt, dat de belijdenisgeschriften het Schriftgetuigenis niet uitgeput hebben en dat na de 17e eeuw nieuwe ontdekkingen zijn gedaan. Ik zal de laatste zijn om dit te ontkennen, de kerk der reformatie heeft nimmer beweerd het einde van alle wijsheid te zijn, maar daar wringt de schoen niet. Het gaat er om, dat men alleen op grond van de Schrift na wettige kerkelijke uitspraak tot afwijking van belijdenisgeschriften mag komen. Toch kan ik anderzij, ds niet nalaten te herinneren aan de volgende uitspraak van prof. dr. H. de Vos : Er zullen dan ook weinigen wagen te beweren, dat wij dieper in de waarheid van God zijn doorgedrongen dan b.v. Augustinus of Luther. Men zou met succes zelfs de stelling kunnen verdedigen, dat althans sinds enige eeuwen het verstaan eerder achteruit dan vooruit gegaan is.

De onrust in onze kerk is een gevolg hiervan, dat men niet alleen niet ziet, dat de kerk weert, wat haar belijden weerspreekt, maar dat er ook weinig bereidwilligheid is, om deze weg te gaan. Artikelen als de hier besprokene kunnen dan ook niet anders dan dienstig zijn om, deze onrust te voeden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

TUSSEN JA EN NEEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's