De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE BIDDENDE HOGEPRIESTER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BIDDENDE HOGEPRIESTER

6 minuten leestijd

Toen ging Jezus met hen in een plaats, genaamd Gethsémané, en zeide tot de discipelen: zit hier neder totdat Ik heenga en aldaar zal gebeden hebben. En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, begon Hij droevig en zeer beangst te Moorden. Mattheüs 26 vers 36 en 37.

Bij de ingang van de hof klinkt Zijn woord tot de jongeren : Zit hier neder, totdat Ik zal gebeden hebben, Slechts de drie discipelen, die Hem het naast stonden, gingen mee de hof in, deze drie, die op de berg aanschouwers geweest waren van Zijn verheerlijking. Maar het zou een worstelstrijd zijn, die Hij alleen uit te vechten zou hebben, want op een steenworp afstand moeten zij achterblijven. Alleen moet Hij de strijd uitvechten, opdat Zijn Kerk ook alleen door Hem verlost zou worden.

En de ontroerde klacht laat Hij horen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe. Hij knielde, en viel op Zijn aangezicht en bad. Als wij nu een ogenblik daarbij stil staan, hoe ontzaglijk groot is dan de vernedering van de Zoon des Mensen geweest.

Daar ligt Hij dan met het aangezicht ter aarde, het aangezicht verbergende. Daar ligt Hij als een worm en geen man, daar ligt Hij onder de schuldenlast der Zijnen. Daar ligt Hij, en al de golven en baren van Gods toorn gaan over Hem,

De hele macht der duisternis was uitgelaten en Hij moest de pers alleen treden en niemand der volken was met Hem.

Wat een strijd is dat geweest, die door Hem alleen moest gestreden worden. Alle helse machten werden op Hem losgelaten. Voor de zonde van Zijn ganse Kerk werd met Hem afgerekend.

Als wij een ogenblik bij dit alles stilstaan, hoe ontzaglijk groot is dan de vernedering geweest. En die plaats van diepe vernedering heeft de Heere nu opgezocht. Het is altijd maar uit de verte, dat wij bij het licht des Geestes iets aanschouwen kunnen van de vernedering en het lijden van Jezus Christus. Wij vermogen slechts, als de Heere ons gunt, de uiterste delen van 's Heeren heerlijkheid te zien. En toch, gelukkig die het ervaren mag, wat het zeggen wil één plant met Hem te zijn in de gelijkmakiiig van Zijn dood, maar ook één plant met Hem in de gelijkmaking van Zijn opstanding.

En de Heere Jezus bad : , , Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van Mij wegnemen". Welke drinkbeker zou dan voor de Heere Jezus zo bitter geweest zijn, dat Hij deze klacht naar voren bracht? Zou het geweest zijn de vijandschap van het volk van Israël, of de zwakheid van Zijn discipelen, die lagen te slapen?

Neen, de bangste bijzonderheid voor Hem was de scheiding van de gemeenschap met God ; daarom moest Hij straks uitroepen : Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Maar dit moest Hij doormaken omdat Zijn volk God verlaten had, omdat het van hen gold: Mijn volk heeft twee boosheden begaan. Mij, de Springader des levenden waters hebben zij verlaten.

Welk een belijdenis van Gods souvereiniteit komt toch uit in dit gebed : Vader, of Gij wildet deze drinkbeker van Mij wegnemen.

Niet, alsof Hij niet bereid was zich onder het oordeel te buigen. Niet, alsof Hij daarin niet erkende de openbaring van het recht en van de liefde Gods, maar als Hij vraagt : Of Gij deze drinkbeker wilt wegnemen, dan onderwierp Hij zich geheel aan de wil des Vaders. Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede, zo klinkt het van de Borg in de zwaarste strijd. En in zware strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. De ganse hel was op Hem aangevallen, maar Hij hield aan, totdat Hij overwonnen had. Welk een volheid ligt toch in het borgtochtelijk werk van onze Heere Jezus Christus. Een diep aanhoudend gebed is het toch, dat hier tot driemaal toe opgezonden werd. En Hij bad te ernstiger, want Zijn zweet werd gelijk grote druppelen bloeds, die op de aarde nederliepen. Zonder bloedstorting geen vergeving. Deze bloedstorting geschiedde door de ontzaglijke benauwdheid der ziel onder de toorn Gods.

Maar welk een diepte van ontferming ontdekt zich hier aan ons oog ! De Zoon des Vaders, worstelende en roepende, wordt verhoord, want had Hij zelf niet eenmaal gesproken; Ik dank U, Vader, dat Gij Mij verhoord hebt, maar Ik weet dat Gij Mij altijd hoort.

Een engel daalde neer om Hem te versterken. Die engelen, die nederdaalden bij de geboorte van de Heere Jezus, daalden nu neer om Hem in dit lijden te versterken. Een diep aanhoudend gebed is het, tot driemaal toe opgezonden. Zo werd Gethsémané's hof een volmaakte leerschool des gebeds. Het behoort tot Zijn offer, want het werk van Hem als Hogepriester is offeren en bidden. Ons niet bidden, ons hoog bidden, ons kwalijk bidden, werd door Zijn heilig, volkomen gebed verzoend. Bij die biddende Hogepriester is vergeving.

En als Hij daar in de hof nederlag, lag Hij toch niet alleen, want Zijn ganse Kerk droeg Hij op Zijn Middelaarsziel. Dan werd Zijn benauwdheid haar benauwdheid, maar ook Zijn overwinning haar overwinning.

Maar wanneer hier menigmaal strijd en vrees is, dat de Heere zulk een zondaar niet zou willen zaligen, dat men niet oprecht genoeg is, niet genoeg verbrijzeld, dat de schuld voor God teveel is, dan dat zij vergeven worde, men geen gebed heeft — dan ligt alleen in die biddende Zaligmaker alles, wat de ziel van node heeft. Hij heeft de pers alleen getreden. Hij heeft alles volbracht, de schuld volkomen betaald, en als dan de Heere overkomt, dan daalt die vrede in de ziel, die alle verstand te boven gaat en leert hij het verstaan, dat Jezus als Zoon des Mensen een vervullende Borg voor Zijn Kerk is.

Kent gij reeds dat roemen in het kruis van Christus? Of gaat uw hart alleen uit naar de wereld? Zo ja, dan zult gij in de wereld teleurgesteld uitkomen en met de wereld verloren gaan. Maar laat de strijd vaak zwaar zijn, de weg nauw, en gij gedurig zo lauw, zo dor en dodig — toch zegt de Heere : Ik zal voor u strijden, gij zult stille zijn !

De strijd zal niet altijd duren en straks, wanneer de strijd ten einde is, dan zal het verstaan worden :

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven; Die van de straf voor eeuwig is ontheven. Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt, Voor 't heilig oog des Heer en is bedekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE BIDDENDE HOGEPRIESTER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 februari 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's