De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET ONTWERP VAN EEN GENERALE REGELING VOOR DE PREDIKANTSTRACTEMENTEN (II)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET ONTWERP VAN EEN GENERALE REGELING VOOR DE PREDIKANTSTRACTEMENTEN (II)

7 minuten leestijd

Het zij mij vergund nog eens in te gaan op het betoog dat enige tijd geleden in de Waarheidsvriend werd gegeven.

Ondanks de uiteenzetting, die ik in de Waarheidsvriend van 16 October over de hoogte der gevraagde stortingen heb gegeven, gaat de schrijver in dezelfde lijn voort als te voren en maakt een vergelijking tussen het Burgerlijk Pensioenfonds en onze kerkelijke fondsen.

Deze vergelijkingen zijn totaal zinloos, zoals uit het onderstaande moge blijken.

Allereerst over het Burgerlijk Pensioenfonds. Het is inderdaad waar, dat voor een Rijksambtenaar 16, 1% aan premie betaald wordt en wel over het gehele salaris inclusief de dienstjaren toelagen. Doch de schrijver vergeet er bij te zeggen, dat deze premie in het geheel niet voldoende is om daaruit de pensioenen te betalen. De wiskundige reserve van dit fonds heeft een tekort van anderhalf milliaid gulden. Het is toch wel onverantwoordelijk deze premie als voorbeeld te nemen !

Hij herhaalt voorts in zijn antwoord op mijn uiteenzetting van de pensioenregeling, dat de premies in de Gen. Regeling genoemd enorm hoog zijn. Deze opmerking heeft alleen zin, als hij bedoelt dat ze te hoog zijn. Hij noemt dan „feiten". Bij Rijk en Gemeente wordt betaald 16, 1% aan premies en in de Gen, Regeling 36 tot 48 %. Voor deze berekening van 36 tot 48 % is hij blijkbaar niet uitgegaan van de traktementen maar N.B. van het pensioen van ƒ 3000.— en van de premies van resp. ƒ 1080.— en ƒ 1440.— in de hoogste en laagste groep van gemeenten. Bij de berekening van de 16, 1 % gaat hij uit van het salaris. Hier worden dus onvergelijkbare grootheden vergeleken. En daarmede wordt dus een onjuiste voorstelling van zaken gegeven.

Het berekenen en vergelijken van premies heeft geen zin wegens de gecompliceerdheid van onze kerkelijke pensioenen. De pensioenbijdragen, die gevraagd worden, hebben immers niet alleen betrekking op het emeritaatspensioen maar ook op het weduwen- en wezenspensioen, op de betalingen aan de Weduwenbeurzen en de contributies hieraan verschuldigd, op de pensioen­ kindergelden, op de steun aan de emeriti. De grondfout ligt hierin, dat de schrijver het doet voorkomen, alsof de betaling van de pensioenbijdragen geheel ten goede komt aan het eigen pensioen van de eigen predikant. En dat is in het geheel niet het geval. Het heeft er eigenlijk niets mee te maken. De in de Gen. Regeling voorgestelde pensioenbijdragen zijn zogenaamde doorsnee premies of omslag premies. Al deze premies te samen vormen het bedrag, dat nodig is om aan alle verplichtingen te kunnen voldoen. En dan natuurlijk met inschakeling van het Pensioenfonds, het Rijkspensioen en de Weduwenbeurzen. Nu kan men die doorsnee premies natuurlijk ook anders vaststellen. Hierover valt te praten. Men kan de premies voor de bepaalde groepen te hoog, of het aandeel van de Kerkvoogdijen te laag of te hoog vinden. Allerlei wijzigingen zijn hierin aan te brengen, als men er maar voor zorgt, dat het eindbedrag hetzelfde blijft. Als men tot een lager eindbedrag komt, kunnen de voorgestelde uitkeringen niet gedaan worden.

Voorts wordt beweerd, dat een predikant uit Klasse V bij een Verzekerings Maatschappij duurder zou uitkomen en een predikant uit Klasse I weer goedkoper. Maar ook dit is niet juist. De doorsnee premie voor Klasse I is bepaald op ƒ 720.—.Volgens aan mij verstrekte gegevens betaalt een 25-jarig man, die gehuwd is met een niet meer dan 3 jaar jongere vrouw bij een Verzekerings Maatsch. circa ƒ 928.— voor een eigen pensioen op 65-jarige leeftijd van ƒ 3000.— (inclusief invaliditeitspensioen) en een gefixeerd weduwenpensioen van ƒ 1000.— (dat dus overgaat op de wezen). Volgens de Gen. Regeling wordt door die ƒ 720.— echter verkregen ƒ 3000.— eigen pensioen en ƒ 1750.— weduwenpensioen, wanneer we het Rijkspensioen gemiddeld op ƒ 1000.— en de uitkering uit de Beurzen gemiddeld stellen op ƒ 750.—.

Verder werd bezwaar gemaakt tegen de omslag, die in de pensioenbijdragen is opgenomen ten behoeve van de verhoging der bestaande pensioenen. Inderdaad : dit bezwaar kan ik delen. Maar nu moeten we ook aanwijzen op welke wijze men aan het hiervoor benodigde geld moet komen. Het gaat hier in totaal om een bedrag van jaarlijks ƒ 400.000.— zegge dus 4 ton. Er zijn immers ruim 400 emeriti, die geholpen moeten worden. En daarbij nog de weduwen.

Nu meen ik, dat hier een taak ligt voor de Diaconieën. Dat zijn de instellingen van barmhartigheid, in de kerk van Gods wege gegeven.

Het gaat hier om de nood der emeriti te lenigen. Want vele onzer emeriti verkeren met de weduwen in kommervolle omstandigheden. En nu hebben de Diaconieën hierin stellig een roeping te vervullen. Maar dan moeten niet de pensioenen der emeriti en weduwen verhoogd worden maar hun inkomens. Het gaat hier alleen om de allerhoogste nood te lenigen. Wie door God met goederen gezegend is, komt niet voor steun van onze Diaconieën in aanmerking. Dat dit hard is voor degenen, die door spaarzaamheid zich een kapitaaltje hebben verworven, is een feit. Maar het zal wel heel weinig predikanten gelukt zijn om van hun traktementen nog iets voor de oude dag over te houden.

Ik vind, dat het geld der Diaconieën in deze zin besteed, niet aan zijn bestemming onttrokken wordt. Dat is m.i. wel het geval met de zeer sterk verhoogde quota, die door de kerk van de Diaconieën geheven wordt voor de bestuurskosten der kerk. De Diaconieën brengen hiervoor in 1952 zelfs bijeen een bedrag van ƒ 126.000.—.

De Diaconieën hebben zich op verzoek van de Gen. Synode enkele jaren geleden het lot aangetrokken van de Ontheemden en in iedere Classis worden zulke beklagenwaardige mensen verzorgd. Zeer terecht. Maar wanneer dan aan degenen, die verre zijn, barmhartigheid wordt bewezen, waarom zouden de Diaconieën dan afwijzend staan tegenover het lenigen van de nood onzer predikantsweduwen en emeriti. Hier ligt een taak van de Diaconieën.

, , De predikanten zullen het vernederend vinden, dat het geld, dat zij ontvangen van de Diaconieën afkomstig is", zo werpt misschien iemand mij tegen. Ik geloof dat echter niet. Wie de Diaconie ziet in het licht van Gods Woord mag tegen de door mij voorgestelde regeling geen bezwaar maken. Daarenboven heb ik nooit vernomen, dat de Hoogmogende Heren, die zitting hebben in onze hoogste Kerkelijke colleges bezwaar hebben gemaakt tegen het feit, dat hun traktementen voor een groot deel bestaan uit , , Diaconiegeld" ! 

Ook zou ik in overweging willen geven een tweede mogelijkheid om gelden vrij te maken voor de betaling van de verhoging der bestaande pensioenen. Aan de predikanten zou de mogelijkheid moeten worden gegeven om na hun 65 jaar in het ambt te blijven onder voorwaarde, dat zij het hun toekomende pensioen storten in de kas, waaruit de bedoelde verhogingen worden betaald. Het spreekt van zelf dat hiervoor nadere regelingen zouden moeten worden gemaakt. Door deze maatregel zouden beduidende bedragen kunnen worden vrijgemaakt voor de leniging van de nood der emeriti en der weduwen. Het spreekt van zelf dat iedere maatregel bezwaren heeft. Ook deze en wel met het oog op het grote getal Candidaten, die te vergeefs op een beroep wachten. Maar dan moet men zich afvragen of de nood onder hen, die de kerk hun gehele leven met eer hebben gediend niet ruimschoots opweegt tegen het bezwaar van hen, die de kerk nog niet hebben gediend. Nog op een derde mogelijkheid zou ik willen wijzen. De Bestuurskosten moeten verlaagd worden. Het is natuurlijk voor een buitenstaander niet mogelijk te zeggen op welke diensten zou kunnen worden bezuinigd. Maar in het algemeen wil het mij voorkomen dat de toporganisatie der kerk te zwaar belast is ten koste van het draagvlak : de gemeente met haar nood voor emeriti en weduwen.

Over de verdere uitbouw van de pensioenvoorziening in onze kerk zou nog veel te zeggen zijn. Een vraag van groot belang is stellig ook de vraag of men de pensioenvoorziening moet gronden op het kapitaaldekkirigstelsel of op het omlagstelsel. Deze vraag is belangrijk door de bepaling van dé nieuwe Pensioen- en Spaarfondsenwet die het kapitaaldekkingstelsel voorschrijft. Maar het staat te bezien of de kerk hiertoe binnen korte tijd zal kunnen overgaan. Er liggen op dit terrein nog vele voetangels en klemmen. De bestudering van deze kwesties moet echter aan deskundigen op het verzekeringsgebied worden overgelaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

HET ONTWERP VAN EEN GENERALE REGELING VOOR DE PREDIKANTSTRACTEMENTEN (II)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's