WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE
III.
5. God heeft na de val des mensen niet als een vreemde God Zijn Wet weer geopenbaard, doch als de God l en Vader van Zijn Zoon Jezus Christus, d.w.z. in het raam van het Genadeverbond. Hij komt dan ook ; in Zijn openbaring met Zijn Wet op , ons af en doet ons sidderen en beven, niet om te verderven, doch opdat Hij wat Hij gebiedt, van ons uit de volheid van Christus zou hebben. In die zin is ook de Wetsverkondiging enkel vrucht van genade. Echter is zij daarom nog geen genade-v e r k o nd i g i ng en zeker niet de vorm, waarin het Evangelie tot ons komt. Integendeel, zij is juist het middel van de Heilige Geest, waardoor we ontvankelijk worden voor het Evangelie, dat ons de vervulling der Wet uit de volheid van Christus toereikt, en dus enkel genadeverkondiging is.
Is er Zelfopenbaring Gods buiten Jezus Christus ? — En hoe komen wij j daarmee in aanraking zonder tegelijk : met de genade Gods in aanraking te komen ? , vraagt dr. Berkhof. °)
De eerste vraag hebben we reeds beantwoord onder stelling 2. De Zelfopenbaring Gods in de Schrift, welke in de vleeswording haar hoogtepunt en centrum vindt, gaat niet buiten Christus om. — Maar daarmede is ook de tweede vraag eigenlijk beantwoord.
Natuurlijk komen we, wanneer we met de openbaring Gods in aanraking komen, met de genade Gods in aanraking, en dus met Christus. Doch genade en evangelie dekken elkander niet zonder meer. Wanneer een vader besluit zijn kind, dat zich misdragen heeft en straf ondergaat, van de straf verder te ontslaan, wanneer het zijn zonde bekent, en hij naar zijn kind toegaat en en het zoekt tot bekentenis te brengen, dan zit hier de liefde (genade) achter, , doch de blijde boodschap zet pas in, als de vader zijn kind de straf verder kwijtscheldt en de vrijheid hergeeft. M.a.w. wanneer God Zijn heilige Wet geeft (openbaart), dan doet Hij dat om haar vervulling door het Evangelie van ons te verkrijgen, opdat zij alzo hersteld worde. Zijn Wetsopenbaring is niet los daarvan te zien, maar in verband daarmee. Zij komt dus uit de genade voort, welke genade echter eeuwig tegen ons getuigen zal en ons zal veroordelen, indien we ons niet door de Wet naakt laten uitschudden en niet genoegen nemen met het ons toegereikt worden van hare vervulling uit de volheid van Christus, naardat het Evangelie verkondigt,
Dat bedoelen we met het zeggen, dat God Zijn Wet heeft geopenbaard in het raam van het Genadeverbond, God openbaart niet Zijn Wet en Zijn toorn, geheel los van de openbaring van Zijn Evangelie, zodat Wet en Evangelie gescheiden worden en er ondragelijke spanningen komen in het Godsbegrip. God openbaart Zijn Wet en toorn niet om eeuwig te verdoemen, terwijl Hij dan daarna in Zijn Evangelie en liefde komt om daartegenover te zaligen. Doch God komt in Zijn genade met Zijn Wet op ons af en doet ons sidderen en beven, opdat Hij wat Hij gebiedt, van ons uit de volheid van Christus zou hebben. Daarom is echter juist de verkondiging van de Wet Gods geen genadeverkondiging, ook al is zij slechts vrucht van genade, maar is de Wetsverkondiging vloek- en doemverkondiging, echter met het doel, dat de zielen de gerechtigheid des geloofs de eer zullen geven.
Zo zijn Wet en Evangelie in de openbaring dus altijd op elkaar betrokken, gelijk ze dat daarom ook behoren te zijn in de prediking. Echter weer niet in die zin, dat de Wet de vorm zou zijn, waarin het Evangelie tot ons komt, maar zo, dat de Wetsprediking ontvankelijk maakt voor het Evangelie, opdat de Wet door het Evangelie de ere ontvangt. Nu kan niet worden tegengeworpen : Als het zo is, kan de Wetsverkondiging haar verdoemende functie in het geweten van de mens niet realiseren, omdat het Evangelie terstond opvangt, wat de Wet neerslaat. Want daarop moet geantwoord worden : Dat kan alleen gezegd worden, wanneer ook het werk van de Heilige Geest verobjectiveerd wordt in een intellectueel waarderen van Wet en Evangelie. Bij subjectieve realisering van het heil in het geweten van de zondaar blijkt echter wel degelijk de verdoemende kracht der Wet werkelijkheid te zijn, aangezien de zondaar het Evangelie als Evangelie eenvoudig niet verstaat, omdat hij het niet wil, welke onwil zijn onmacht uitmaakt (Gal. 1 : 11) en hem tegenover de eis der Wet tot veroordeling wordt. De totale verdorvenheid van de mens in verstand, wil en gevoel is niet maar een woord, maar een aangrijpende werkelijkheid. De gevallen mens staat in de beseffen van zijn hart geheel en al vreemd en vijandig tegenover het Evangelie, omdat hij geheel leeft in de zelfwerkzaamheid en dus het Evangelie voorbij gaat en, als de rust uit zijn geweten gebannen wordt, zich tot de Wet keert. Maar dan maakt hij alzo kennis met de Wet, dat deze hem in ontdekking van heiligheid en majesteit Gods ter neer werpt. Dan eerst komt er bereidheid om het Evangelie van loutere vrije genade aan te horen met hart en ziel.
Zo voltrekt zich de kracht van Wet en Evangelie in de Heilige Geest, subjectief. Daarop sluit aan het handelen en spreken Gods in Christus door Woord en Geest naar hun objectieve zijde : God in Christus komt door Woord en Geest tot de zondaar, terwijl Christus omwolkt is van de majesteit en heiligheid Gods (Sinaï — de Wet); .die neerwerpen, verbrijzelen en tot boete brengen ; doch Christus (het Evangelie) breekt met Zijn licht van binnen uit naar buiten door, totdat Hij (het Evangelie) met Zijn licht naar alle kanten straalt en de heiligheid en de majesteit Gods (de Wet) in Zich besluit en geborgen heeft (Ps. 40 : 9) en liefelijk doet zijn.
Uit het bovenstaande moge duidelijk geworden zijn, dat we geenszins bedoelen methodistisch de terreinen van Wet en Evangelie af te bakenen en dus ook niet voorstaan een dienovereenkomstige methodistische preekwijze, aangezien wij immers niet bedoelen methodistisch te beweren, dat de mens eerst voor God verbrijzeld moet worden, voordat hij op Christus mag zien, ') doch slechts handhaven, dat, aleer de mens voor God verbrijzeld is, Christus door hem niet geacht wordt (Jes. 53 : 3, 4), en dat dienovereenkomstig is de bediening des Geestes in de toepassing des heils door Wet en Evangelie.
We kunnen derhalve met de openbaring Gods niet in aanraking komen, zonder met de genade in aanraking te komen, terwijl het echter zeer wel mogelijk is, dat geen genade gezien wordt, maar slechts toorn Gods. — Intellectueel overwogen moge dit alles dwaasheid zijn, doch de aangrijpende worsteling uit de duisternis tot het licht in het leven van een in zichzelf verloren en verdorven mensenkind bevestigt de werkelijkheid ervan.
Bij het licht van het voorgaande kunnen we alleen naar we menen de uitdrukking van Luther, dat Gods toorn Zijn vreemd werk is, juist verstaan. Hij bedoelde daarmede immers niet de Wet van haar kracht en eigen plaats te beroven en de toom Gods eigenlijk te neutraliseren *), maar wilde daarmede zeggen, dat Gods toorn geopenbaard wordt in Zijn openbaring (maar dan werkelijk geopenbaard), opdat de openbaring Zijner liefde behouden en zaligen kan. God is Eén in de volheid en harmonie Zijner deugden.
Dr. H. Berkhof, Crisis der Middenorthodoxie, blz. 54. Dr. G. C. van Niftrik, KI. Dogm. Ie dr. blz. 232. Dr. H. Berkhof, Crisis der Middenorthodoxie, blz. 53. Dr. G. C. van Niftrik, KL Dogm. Ie dr. blz. 234. (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's