De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEEN ONZEKERE UITKOMST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEEN ONZEKERE UITKOMST

8 minuten leestijd

„En Hij zeide tot hen ; Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen". . Lukas 10 vs. 18.

Er zijn mensen, die in het geheel geen satan zien.

Tegen deze Achteloosheid heeft de satan zelf geen enkel bezwaar. Maar zij worden door dit tekstwoord aangeklaagd. Wie meewarig het hoofd schudt achter hen, die , , nog" aan boze geesten geloven, moge bedenken, dat de Heere Jezus leefde uit de werkelijkheid van satan's bestaan. En ook hier is Hij onze hoogste profeet en leraar, Die de verborgen raad en wil Gods van onze zaligheid volkomen bekend maakt.

Wat we in deze tekst lezen, behoort dus tot de stukken, die Hij bekend maakt, opdat Zijn volk getroost zal leven en zalig sterven. We zouden het niet hebben geweten, als niet de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders was, het ons had geopenbaard.

Het is nodig en kostelijk, dit na te gaan.

De Heiland spreekt van een gebeurtenis, die slechts éénmaal is geschied. En van een onherstelbaar feit. We denken wel wat weinig aan de satan en aan dat allerontzettendste, dat namelijk zijn val definitief is en het oordeel over hem ten volle besloten. Voor hem is geen verwachting. Zijn val is als een bliksem, en de Heere Jezus zegt ergens, dat de bliksem tot zijn punt van uitgang niet wederkeert.

Wanneer is dit dan geschied? Ziet de Zaligmaker op het laatste oordeel? Ziet Hij vooruit? En wil Hij daarmede Zijn discipelen troosten? Of betreft het de periode van Zijn omwandeling op aarde? En wil Hij Zijn leerjongeren daarmede verblijden? Ziet Hij terug op satans zondeval, voorafgaande aan de zondeval van het ganse menselijk geslacht? Of blikt Hij in Gods eeuwig raadsplan en wil Hij de Zijnen daarop funderen?

Het onderzoek van deze tekst wijst uit, dat er sprake is van iets, dat slechts eenmaal geschiedt. Eén vallen! Eén keer slechts. En van dat vallen kan geen enkel stuk worden uitgesloten: des Vaders eeuwige bedoelingen, satans zondeval, Christus' strijd met hem, toen Hij de wil des Vaders kwam volbrengen en datgene, wat er zijn zal ten uitersten dage. Voor het aanschouwen van Christus is dit blijkbaar één enkele zaak.

Wil men onderscheiden, dan zie men op raadsplan, voorzegging, volvoering en voleindiging.

De Heere Jezus is de in het vlees verschenen Zone Gods. Satans val is met de arbeid van het vleesgeworden Woord onlosmakelijk verbonden. Al wat de Vader Zich te dezer zake had voorgenomen en al wat dientengevolge in de Schriften was voorzegd, liep uit op het werk van Zijn Zoon in de volheid des tijds. De Zaligmaker heeft uit de eeuwige wil des Vaders geleefd en heeft geheel Zijn arbeid juist daaruit verklaard. , , Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik mijn wil zou doen, maar de wil Desgenen, die Mij gezonden heeft". (Joh. 6 vs. 38). Tot het volbrengen van dit werk was de Godmens bekwaam. , , De overste dezer wereld komt en heeft aan Mij niets". (Joh. 14 VS. 30). Hij leert de Zijnen wel bidden : , , En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de Boze". Zelf echter behoeft Hij hem niet te vrezen. Alleen wanneer het de godverlating tegemoet gaat, begint Hij droevig en zeer beangst te worden. Wel is de satan ook voor Hem de sterk gewapende, die zijn hof bewaakt. Maar Hij is die Ene, Die sterker is en hem al zijn vaten ontrooft. Satans val is niet twijfelachtig, want zowel de komst van de Zone Gods als de nederlaag van de vorst der duisternis vloeien voort uit het eeuwig voornemen van God. , , Als een bliksem", zo zegt de Heere. Als een duidelijk bewijs van goddelijke almacht. Niet te stuiten en definitief.

Intussen bedenken wij, dat de Zoon des Vaders ons in alles gelijk geworden is, opdat Hij in onze natuur alle gerechtigheid zou vervullen. Hij is het hoofd der gemeente en de borg des verbonds. Met Zijn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid treedt Hij in der Zijnen plaats voor het aangezicht Gods. Hij is ons van God geworden tot gerechtigheid. Ten volle beantwoordt Hij aan Gods heilige eisen. Ook doordat Hij zonder ophouden leefde uit de raad Gods. Zo is Hij de Vader welbehagelijk en zo troost Hij de Zijnen. Want moeten wij niet gedu­rig hierdoor beschuldigd worden, dat wij de satan niet zien als uit de hemel gestoten gelijk een bliksem? Zo dikwijls wij de begeerten van deze vader doen door de geboden van onze God te overtreden — en zo dikwijls wij in vrees en benauwdheid zijn vanwege gevaren en zorgen en verzoekingen — en zo dikwijls wij onderhevig zijn aan verachtering in de genade, dan zou het alles op hetzelfde ogenblik verdwijnen, wanneer wij slechts zagen, hoe de satan door Gods banbliksem getroffen is. Want weliswaar valt hij niet gelijk een bliksem uit het hart der kinderen Gods, waarin hij integendeel veel werk heeft en waartegen hij sterke aanvallen richt, maar de beveiliging hierbij en de strijd hiertegen zal zijn oorsprong nemen in het feit van satans reeds beslechte nederlaag.

Zo zitten we — om met Andrew Gray te spreken — vaak in het duister, terwijl we het licht vlakbij hebben.

Het is het werk van de Heilige Geest om in zondaarsharten dat leven te verwekken, waardoor Christus gestalte verkrijgt in de Zijnen. , , Hetgeen in Hem waarachtig is, zij ook in u waarachtig". De kinderen Gods zijn , , eens anderen geworden". Niet meer van de satan, niet meer der wereld toebehorende, niet meer voor eigen rekening, maar het eigendom van Christus, Die hen niet met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed gekocht en vrijgemaakt heeft. Vrijgemaakt van alle geweld en heerschappij des duivels.

Hier vandaan enkele zekerheden. Vooreerst, dat wie de satan toebehoort, het eigendom is van een overwonnene. Voor die is geen andere verwachting dan de buitenste duisternis. , , Morgen zult gij bij mij zijn !" — zo krijgt koning Saul, de ongelukkige, te horen van de meester, die hij had verkozen in de plaats van God. Hem eeuwig overgegeven tot zijn wil.

Ten andere, dat wie van Christus is, bij de Overwinnaar behoort. Het vooruitzicht is de plaats, , , alwaar geen nacht zal zijn". , , Vader, Ik wil, dat waar Ik ben ook die bij Mij zijn, die Gij mij gegeven hebt !" , , En alzo zullen wij altijd met de Heere wezen".

In Lukas 10 komt onze tekst voor in een verband, dat ons wijst naar de prediking van het evangelie. De Heiland had Zijn leerlingen uitgezonden en zij waren gegaan, gehoorzaam in het gebod en blind voor de uitkomst. Die uit-

Indien wij de openbaringsdromen in de H. Schrift met elkander vergelijken, zal het blijken, dat zij naar de inhoud van het zeer algemene tot het zeer bijzonder religieuse kennen verscheiden zijn en dat het dromend subject een vreemdeling kan blijven aan het religieuse leven, dat zich in de droom openbaart, terwijl het ook in de verhevenste gemeenschap met de Zich openbarende God kan verkeren.

Het kan ons niet verwonderen, dat de profetische droom dan ook steeds verschijnt in een volstrekt logische symboliek en in tegenstelling met de profane droom een normale werking van het menselijk bewustzijn vertoont.

De beschouwing van de dromen, welke de H. Schrift ons biedt, kan dit nader toelichten.

Een afzonderlijke plaats nemen die dromen in, waarin God of een engel verschijnt. De aanleiding om deze dromen tot één groep te verenigen ligt echter niet alleen daarin, dat God verschijnt in de droom, maar ook hierin, dat de man, aan wie God verschijnt, de man, die droomt zich verheugt in een zodanig religieus leven, dat hij zich bewust is van de gemeenschapsoefening met God, en geen uitlegger meer behoeft.

Tot deze groep van dromen behoren : 1. De droom van Abimelech (Genesis 20). 2, De droom van Izaak (Genesis 26).

3. De dromen van Jacob (Genesis 28 en 31). 4. De dromen van Salomo (1 Kon. 3 en 9). 5. De dromen van Daniël (Daniël 7 V.V.). 6. De dromen van Jozef, de man van Maria (Matth. 2).

Een andere groep vormen, die dromen, waarbij een goddelijke openbaring wordt gedaan, aan iemand, die de zin daarvan niet verstaat. Zij hebben slechts de herinnering aan de manifeste droom, of zelfs ook dit niet, b.v. Nebukadnezar. Hiertoe behoren : .

1. De dromen van de bakker en de schenker (Genesis 40). 2. De droom van Farao (Genesis 41). 3. De droom van Nebukadnezar. Het beeld met het gouden hoofd. Daniël 2.

De tweede droom van Nebukadnezar, van de boom, waarin de wachter verschijnt, die het oordeel uitroept (Dan. 4) kan in zoverre tot de eerste groep worden gerekend, doch behoort overigens bij de tweede. Hij vertegenwoordigt een tussendroom.

Als derde groep nemen wij dan de overige dromen, te weten : 1. De droom van Jozef. Genesis 37. 2. De droom van Paulus. Handel. 16. 3. De droom van de Midianiet. Richteren 7.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

GEEN ONZEKERE UITKOMST

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's