De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE

7 minuten leestijd

IV.

In aansluiting op de uiteenzetting van onze vorige volgt onze zesde stelling :

6. Door de Wèt is de kennis de zonde en niet uit of door het kruis. Doch wel wordt juist in en door Christus en in Zijn kruis de geestelijke zin der Wet het aangrijpendst ontdekt.

Het zou niet moeilijk zijn om een aaneenrijging van citaten te geven uit de reformatorische geschriften, die bevestigen, dat het juist het eigene van de Wet is om tot boete te brengen, welke de weg is, waarlangs God Zijn volk tot de kennis van de gerechtigheid van Christus leidt en op deze weg houdt, zonder dat deze boete ook maar enigszins een verdienstelijk karakter krijgt. (Zie o.a. Dr. A. D. R. Polman, Onze Ned. Gel. Bel. III bl. 41—45, 76, 127).

Het onderscheid tussen Wet en Evangelie, dat te vergeefs gezocht wordt in de geschriften der nieuwere theologen, komt telkens bij de reformatoren klaar naar voren of blijkt verondersteld bij hun theologiseren over het Evangelie.

Het Evangelie is enkel Evangelie en geeft als zodanig, wat de Wet eist. Wie zonder apriorische beschouwingen dan ook wil luisteren naar het spreken van de gehele Schrift hoort van alle kanten: Door de Wet is de kennis der zonde. Paulus zegt het letterlijk in Rom. 3 : 20. De Openbaring Gods begint in Genesis met het gebod. De heilshistorische plaats van Johannes de Doper vóór Christus heeft zeker ook wat te zéggen t.o.v, de toepassing des heils in het hart van de zondaar. De grote Leraar der gerechtigheid is Zelf begonnen met uitleg en toepassing van de Wet in Zijn Bergrede. — Hier ontmoeten elkander Wetgever en Wetsvervuller, Wet en Evangelie. Daardoor ligt hier de Wet zo diep geestelijk op. We moeten ons immers wel voor dit misverstand hoeden, als zouden we de geestelijke diepten der Wet alleen uit haar zelf aflezen. Neen, de geestelijke zin der Wet wordt juist door Christus en Zijn kruis het aangrijpendst ontdekt. — Dat goed te zien is van groot belang voor de prediking. Al zou in de prediking nog zo geslingerd worden met vloek en verdoemenis (in de veronderstelling, dat men scherpe wetsprediking hield), terwijl er echter niet zou gezocht worden om de geestelijke diepten van de Wet, gelijk Christus die voorstelt en gelijk die in Hem en Zijn kruis ook openbaar zijn geworden, der gemeente voor te stellen en haar zo tot ontdekking aan haar Wetsovertreding met het kruis te confronteren, zo is er geen diepgaande wetsprediking geweest en kunnen ook de volle heerlijke tonen van het Evangelie niet klinken. Het Evangelie verkondigt immers de vervulling der wet in Christus, als ook de vervulling van haar in het mystieke lichaam van Christus, dus in het hart en leven van de gelovigen. — Juist Christus leert ons dus, wat de inhoud der Wet is en wat dus het houden van de Wet inhoudt.

Maar daarom is de kennis der zonde nog niet uit het kruis, hoewel een zondaar wel de genadeslag krijgt (van de Wet), als hij met het kruis wordt geconfronteerd (de aangrijpendste ontdekking der vijandschap tegen God).

Daarom is het fout om met prof. van Niftrik b.v. te zeggen, dat blijkbaar in de Wet Evangelie zit. ") Dat zoekt hij te staven met de geschiedenis van Simeons wonderbare visvangst (Luk. 5 : 1 V.). Na het wonder belijdt immers Petrus : Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.' — Petrus is, zo zegt prof. van Niftrik, tot kennis der ellende gekomen door de vriendelijkheid van Jezus, door de openbaring van Zijn goddelijke liefde.

Maar is er voor deze belijdenis van Petrus geen achtergrond der Wet Gods, der relatie tot God dus ? , zo vragen we. Natuurlijk wel. Dat leert ons het bijbels zondebegrip duidelijk. Doch dan doet de daad van Jezus niets anders dan de verhouding Petrus—God hel oplichten voor zijn geweten. Daarom zijn de Kanttekeningen van de Staten-Vertaling dan ook dichter bij de Waarheid als ze opmerken bij het nedervallen van Petrus aan de knieën van Jezus : Overmits hij uit dit wonder erkende de Godheid van Christus, en bij zijn belijdenis : n.l. als die onwaardig ben, dat ik in Uw gezelschap zou blijven.

Hier is derhalve niets anders uit op te maken, dan wat we reeds gezegd hebben, dat n.l. door Christus een bijzonder licht geworpen wordt op de Wet en onze verhouding tof God. Ware er echter geen Wet, zo zou er geen zonde en geen zondekennis zijn (Rom. 5 : 13 en 7 : 7, 8). Het Schriftbewijs, dat prof. van Niftrik hier zoekt voor zijn stelling, is meer suggestief dan overtuigend. In de Wet zit geen Evangelie, doch wel zijn ze in elkanders gezelschap in de openbaring Gods en op elkander betrokken, zodat b.v. de Wet juist gaat spreken bij het licht van het Evangelie. Maar daarin wordt dan ook weer des te meer bevestigd, dat uit de Wet de kennis der zonde is.

Slotconclusie : De Schriftuurlijke verhouding van Wet en Evangelie tot elkander wordt tot uitdrukking gebracht in het vooropstellen van de Wet in het noemen van haar beide - .Wet en Evangelie. — De omkering van deze volgorde — Evangelie en Wet — legt getuigenis af van een vals openbaringsbegrip bij haar verdedigers, alsmede van hun vermenging van Wet en Evangelie, waardoor de leer van het „sola gratia" (door genade alleen) wordt aangetast.

Naar onze mening hangt het omke­ren van de volgorde door de nieuwere theologie — dus „Evangelie en Wet" samen met haar apriorisch openbaringsbegrip.

Zoals we reeds opmerkten, ziet ..de nieuwere theologie slechts de wezenlijke openbaring in de incarnatie. Al het voorafgaande spreken. Gods door Zijn profeten is geen eigenlijke openbaring, doch heeft slechts op een bepaalde wijze deel aan dè openbaring Gods in Jezus Christus.

Hiermede heeft men zich echter èèn openbaringsbegrip aangemeten, dat geheel indruist tegen het getuigenis der Schrift, welke toch gewaagt van het werkelijk spreken Gods op allerlei gevarieerde wijze, ook onder het Oude Verbond (Hebr. 1:1). — Zie hiervoor nader dr. G. C. Berkouwer, De Alg. Openbaring, blz. 81—90.

We moeten dan ook dit apriorisch openbaringsschema, van waaruit men tot de Schrift nadert, verwerpen als een openbaringsbegrip, dat de toets der Schriften niet kan doorstaan en derhalve vals is.

Vervolgens zijn we ook telkens weer gestuit op een vermenging van Wet en Evangelie.

De Wet wordt een vorm genoemd van het Evangelie, of er wordt beweerd, dat er in de Wet Evangelie zit.

Deze uitdrukkingen achten we gevaarlijk, omdat ze niet duidelijk doen uitkomen het eigen karakter van de Wet Gods en dat van het Evangelie, waarom ze onschriftuurlijk zijn.

Eigenlijk blijft er van de Wet niets meer over, waar zij geabsorbeerd wordt door het Evangelie. Maar dit heeft weer tot gevolg, dat het Evangelie van karakter verandert en de mens op de een of andere wijze in zijn gerechtigheid stijft. Zo wordt echter de leer van het , , sola gratia"; door genade alleen, aangetast. Want alleen bij handhaving in de meest strikte zin van het eigen karakter der Wet in eis en dreiging Gods, kan het Evangelie als de boodschap van het allesschenkend en vervullend heil doorklinken.

Wij zullen er daarom goed aan doen in gedachte te houden wat Luther o.a. schreef in zijn voorwoord op zijn verklaring van de Galatenbrief :

De duivel.... heeft weer onlangs zo'n dweperij verwekt, n.l. van hen, die voorhouden, dat men in de kerk, d.i. onder de christenen, de tien geboden niet moet preken, d.i. men moet de mensen niet verschrikken met de wetsprediking, maar men moet ze door de zoete genade van Christus echt vriendelijk en liefelijk lokken en vermanen, opdat vervuld worde, wat de profeet Hosea hfdst. 4 : 4 gezegd heeft : Men mag niet schelden, noch iemand straffen ; want uw volk wil niet gescholden worden ; en Amos in hfdst. 7 : 16 : Profeteer niet tegen Israël, en spreek niet tegen het huis van Izaak, enz. Alsof wij niet wisten en nog nooit hadden geleerd, dat men de ellendigen, die een beangstigd en verslagen hart hebben met de genade van Christus troosten en hen op de been helpen moet ; daarentegen moet men echter de hardnekkige verstokte farao's, die naar geen genade Gods vragen, met de Wetsprediking opschrikken. .. .

Y Dr. G. C. van Niftrik, KI. Dogm, Ie dr. blz. 229.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's