WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE
I
In aansluiting op de uiteenzetting in de voorgaande artikelen gegeven, wil ik graag nog enkele opmerkingen maken. Allereerst iets betreffende de samenhang van het stellen van de volgorde : evangelie—wet met de theologische visie op het heilswerk Gods in Christus.
Het is wel niet te ontkennen, dat het sterk naar voren brengen van de volgorde , , evangelie—wet" nauw samenhangt met de verobjectivering van het heilswerk. Of beter met de verwaarlozing van de subjectieve toepassing des heils door de Heilige Geest in het hart van de zondaar. Men legt alle nadruk op het heilswerk, dat voorwerpelijk geschied is. Het heil is verworven door Christus en is in Hem bereid. De verzoening is geschied. Het kruis is geplant in het midden dezer wereld. Maar de subjectieve relatie van de zondaar tot dit objectieve heil door de toepassende bediening van de Heilige Geest wordt niet of bijna niet aan de orde gesteld. Of wel, doordat men het theoretisch niet verwerpt, maar er practisch weinig belangstelling voor heeft, of wel doordat men principieel stelling neemt tegenover de bredere behandeling van het werk van de Heilige Geest in de toepassing des heils in de totale versimpeling en verschraling van dit werk tot de ja- of neen-houding van de mens t.o.v. het voorwerpelijke heil in Christus. Daaruit volgt vanzelf, dat de prediking niet anders meer kan zijn dan verkondiging of afkondiging, proclamatie van de verzoening in Christus als algemeen geldend feit, in ieder geval geldend voor de gemeente, zoals die daar nederzit en hoort. Men kan hoogstens in dié zin nog oproepen tot bekering, dat de gemeente en de enkeling ja zegt op deze proclamatie. Doch in geen geval in die zin, dat men de verlorenheid van de zondaar buiten Christus voorstelt, ontdekkend voorhoudt de afkerigheid van het zondig hart en de noodzaak van subjectieve verzoening der zonden en vernieuwing van het gemoed. Dit laatste roept vanzelf om voorstelling van de norm van Gods heilige wet, waaraan de mens, en zeker juist de mens, die leeft bij het licht der bijzon dere openbaring op het erf des verbonds, als schepsel Gods heeft te beantwoorden. Zo alleen kan er immers in het hart plaats komen voor de subjectieve verwerkelijking van de verzoening met God en een waarlijk functioneren van de Wet Gods in het leven van de gelovige als regel der dankbaarheid. Doch het eerste kan natuurlijk niet anders beginnen dan met de proclamatie van het objectieve heil en kan daarmede eigenlijk geen andere bedoeling hebben dan dat de gemeente het juiste inzicht in de werkelijke situatie ontvangen zal, dus zal weten, hoe het er nu eigenlijk bij staat, en zich daaraan gewonnen zal geven. Het bekende woord van Paulus uit Rom. 6 : Houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere, wordt dan ook in deze kringen gaarne aangehaald, hoewel geheel misplaatst en weggerukt uit de sfeer der Schriftuurlijke religie. Men krijgt dan ook onvermijdelijk telkens het gevoel, dat het in deze prediking enkel of hoofdzakelijk gaat orh het rechte inzicht. Men moet van een waan worden verlost. Men moet weten, dat men met God verzoend is. Men moet weten, dat men een verkorene is. Men kan wel als een verworpene leven, maar niet een verworpene zijn. Hoezeer men ook te velde trekt tegen het intellectualisme, verintellectualiseert men hiermede toch intussen niet de religie ? Ja, wordt zo alle besef van wat religie eigenlijk is niet in de wortel gesmoord ? Wij menen van wel.
Bij deze theologische visie kan men natuurlijk niet anders dan spreken van: evangelie—wet. Men moet beginnen met het rechte inzicht, met het wegnemen van de waan, dus met het evangelie. Doch hierdoor komt men toch bedenkelijk kort in de buurt van het libertinisme. Dit heeft zich door alle eeuwen heen juist daardoor gekenmerkt, dat het de zonde zag in de waanvoorstelling. Mogelijk vindt deze of gene, dat ik te ver ga. Ik meen echter toch verbanden te zien. Het stellen van de volgorde „evangelie—wet" in samenhang met het objectivisme, dat men voorstaat, brengt noodzakelijk met zich mede een vrijere houding tegenover de wet. Het evangelie wordt immers eenvoudig geplaatst over de verdorven natuur. Deze laatste wordt gehandhaafd en moet vanzelf haar rechten behouden. Dus komen we weer in de buurt van de libertinistische opvatting ten opzichte van de wet. De wet Gods als uitdrukking van Gods wil en openbaring van onze levensnorm ontvangt niet haar ere, doch daarmee wordt ook noodzakelijk de heerlijkheid van het evangelie der allesomvattende genade in zijn wezen aangetast.
Het tweede gevaar, dat we ook in dit stellen van de volgorde „evangelie—• wet" zien rondsluipen, is het altoos acute gevaar van het antinomianisme. — Het antinomianisme heeft nooit een welomschreven systeem naar voren gegebracht. Doch door alle eeuwen heen duiken telkens weer antinomiaanse gedachten en beginselen op, die altijd hieraan te herkennen zijn, dat ze tegen de wet ingaan, hoezeer ze ook verder in de uitwerking mogen verschillen. Vaak openbaarde zich het antinomianisme in gemeenschap met het libertinisme, b.v. in het anabaptisme in de dagen der hervorming.
Een kenmerk van het antinomianisme is, dat het niet wil weten van de toepassing des heils. Christus heeft niet alleen als Borg voor de uitverkorenen de schuld betaald, maar Hij heeft óók de smet der zonde gedragen, en is daarom als Borg voor de Zijnen óók wedergeboren en heilig gemaakt. Daarom is het voor de Christgelovige, die borgtochtelijk gedekt is, niet nodig wedergeboren en heilig gemaakt te worden. Het is niet nodig om aan te dringen op berouw, boete, gebed om vergeving der zonde en bekering. Dat alles behoort tot het leven onder de wet, en moet als wettisch worden aangemerkt. De Christen leeft niet onder de wet maar onder de genade. Hij is vrij van de wet. En het geloof is het komen tot het inzicht, dat de christen alles in Christus bezit. (Chr. Ene. I s.v. Antinomianisme). — Hoewel we zonder meer het oude antinomianisme aan de objectivistische richting in theologie en prediking niet in de schoenen willen schuiven, zo kunnen we toch niet ontkomen aan een ontdekken van trekken van overeenkomst hier en daar. Het antinomianisme moet gezien worden als het bederf van het beste, waardoor het het slechtste wordt. Waarin de religie der Schriften haar rijkste levensbron vindt, n.l. de allesomvattende genade Gods in Christus, zowel tot vergeving der zonden als tot vernieuwing des gemoeds, daarvan maakt zich de natuurlijke mens met wat godsdienstig vernis een kussen om op te slapen. De religie wordt uitgebannen, maar de vorm en terminologie worden behouden, echter nu geplaatst in de intellectualistische sfeer. Hierdoor kan juist het tegenovergestelde van het oorspronkelijke plaats vinden. De natuur krijgt kans om zichzelf te blijven en uit te leven, hetgeen juist in de beoefening der ware religie onmogelijk is. De allesomvattende genade in en door Christus is voor de ware gelovige juist de bron tot de doding van zijn leden, die op de aarde zijn ; doch voor de intellectualistisch beschouwende mens wordt ze juist de vrijbrief voor het zichzelf uitleven, of in ieder geval voor het zich als natuurlijk mens vrijer gevoelen tegenover de geboden des Heeren.
Dit antinomiaanse gevaar achten we ook allerminst denkbeeldig in het herhaaldelijk beklemtonen van de uitspraak, dat het „Gij zult" en „Gij zult niet" zowel gebod als belofte inhoudt. Ja, men gaat zelfs wel zover, dat men er niets anders meer in horen wil dan belofte. Immers het evangelie gaat vooraf : Ik ben de Heere, uw God... . God komt eerst met Zijn alles-vervullend heil en staat daarom Zelf in voor de vervulling van Zijn geboden. — Nu ligt hierin een heerlijke rijkdom besloten voor Gods kinderen, mits we het maar goed verstaan. Het is immers niet zo, dat het gebod, het , , gij zult" op zichzelf een belofte is. Neen, dan is het niets dan de heilige eis, die God den mens stelt. Doch de Heere bedient Zijn kinderen uit Zijn Verbond, waarin ook als weldaad besloten is en waaruit ook als weldaad vloeit : Ik zal maken, dat ge in Mijn inzettingen zult wandelen. Dat doet hen neerzinken op de knieën en smeken : Och, of wij Uw geboón volbrachten, gena, o Hoogste Majesteit, gun door 't geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid. — Zeker, zo klinkt het , , gij zult" als een belofte in de ziel van Gods kind, en stamelt hij „amen" op het getuigenis van Ef. 2 : 10 tot zijn rijke vertroosting-. Echter de antinomiaan maakt ervan, dat de Wet zelf een belofte is. En dat is de grote antinomiaanse dwaling, die ongetwijfeld door velen niet genoegzaam onderkend wordt. Dat kan niet anders met zich meebrengen, dan een afslijpen van de scherpe kanten der wetsprediking en wetsvervulling. Men moet gaan vergoelijken. Men moet de verdorven natuur tegemoet komen. Men komt tot een totaal andere opvatting van het ge bod. Ja, tenslotte weet niemand meer, wat eigenlijk de wet Gods inhoudt en dat God onze Souverein is, onze Schepper, Die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van Zijn schepsel eist. Men wordt daarom ook niet meer met zijn neus gedrukt op zijn totale verdorvenheid. We krijgen een christendom, dat zogenaamd zich inzet voor de zaak van het Koninkrijk, maar dat in werkelijkheid naar inspraak van eigen hart leeft, hetzij in een zich in oppervlakkigheid los-leven van Gods heilige wet, hetzij in het zich overgeven aan het activisme, waardoor de Jehu-ijver gekenmerkt wordt. (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's