De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE

Bekijk het origineel

WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE

11 minuten leestijd

In onze vierde stelling wezen we er op, dat de Wet eeuwig is, doch het Evangelie tijdelijk. Reeds terloops wezen we in de toelichting er op, dat dat natuurlijk niet inhoudt, dat in de heerlijkheid het Lam uit het gezicht zou verdwijnen. Immers klinkt er het lied : Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed...! Waar we ons beperking moesten opleggen in verband met de tijdsruimte, die ons werd toegemeten, moesten we het bij die enkele heenwijzing laten. Het is echter goed om in een artikel er hier nog wat nader op in te gaan.

De Wet Gods is de levenswet voor de mens. Met zijn schepping heeft God de wet gegeven in zijn hart. Door de zonde is de functionering van de levenswet geschonden. De herschepping brengt het herstel van het geschondene, waarom het evangelie juist zijn doel bereikt heeft, als de Wet hersteld is. We wezen naar hetgeen Bavinck in zijn dogmatiek daarvan zegt. We kunnen ten overvloede ook nog laten horen, wat Ursinus in zijn Schatboek dienaangaande schrijft. In zijn verklaring op de 115e vraag van de H. Catechismus lezen we : In de natuur des mensen, die nu volkomen weder opgericht, en na dit leven verheerlijkt is — hoewel de predikatie der wet en de ganse kerken-dienst zal ophouden — zal nochtans blijven een kennis der wet, en daar zal blinken in de uitverkorenen een volkomen gehoorzaamheid derzelve, en een gelijkvormigheid met God. Want alsdan zo zullen dezelfde gebruiken der Wet zijn, die tevoren geweest zijn in de onverdorven natuur voor de val.

Hierbij moeten we echter wel bedenken, dat de heerlijkheid van de eeuwige erfenis nog Verre uitgaat boven de heerlijkheid van Adam in de staat der rechtheid. Adam bezat immers nog niet het eeuwige leven. Hij was op de weg gezet tot het eeuwige leven, hetwelk hij en al zijn nageslacht zouden hebben verkregen bij vervulling der gehoorzaamheid. Adam was nog aan de stoffelijke wereld gebonden en bovendien werd hem in het werkverbond de wet in een bepaalde vorm voorgehouden, een vorm die ook van tijdelijke aard was. Adam had nog niet het einddoel der volle eeuwige heerlijkheid bereikt, doch was gezet op de weg erheen, terwijl alle voorwaarden tot het bereiken ervan in en voor hem aanwezig waren. Wat in wezen in hem aanwezig was, zou in alle heerlijkheid en rijkdom tot volle ontplooiing komen. Zo zou ook de ongerepte functionering van de Wet Gods en de ongerepte kennis van die Wet God als de levenswet voor de mens, gelijk deze waren geschonken in het hart van de mens, tot de allerheerlijkste ontplooiing komen, in de gestage ononderbroken ontmoeting van de Zich openbarende God en zijn ontvangend en opnemend redelijk schepsel. Op deze ontwikkeling en voortschrijdende ontplooiing wijst ook onze Catechismus, als hij verklaart betreffende het naar Gods beeld geschapen zijn : dat is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen. Zo gaat dan de staat der heerlijkheid de staat der rechtheid nog verre te boven. De veranderlijk goed geschapen mens, de mens, die vallen kon, is verheerlijkt en eeuwig vastgesteld in de heerlijkheid der volle gemeenschap met de Drieënige God, terwijl alles, wat ten dele was in zijn ontplooiing, te niet is gedaan. En dat meerdere heeft ook betrekking op de Wet Gods en haar functionering. We staan hier aan de grenzen : Wat geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geen mensenhart is opgeklommen.

Vervolgens hebben we te bedenken, dat we de herstelde wet niet ons uitwendig hebben voor te stellen. De wet was immers geschreven op de tafelen des harten en de herscheppende genade schrijft ze daar weer op. Dat de wet van buiten af tot de mens komt — zo immers de wetgeving op de Sinaï -, is tijdelijk, en als zodanig is ook de vorm der wet tijdelijk. De tien geboden, zoals wij die nu kennen, zijn derhalve een tijdelijke vorm van de Wet Gods. Hetgeen ook daaruit reeds blijkt, dat ze bijna alle in de ontkennende vorm zijn gesteld, en verder op een bepaald volk, n.l. Israël, zijn toegepast. Dit alles is tijdelijk en nabij de verdwijning. In de staat der heerlijkheid zal alle uitwendige wet buiten ons plaats maken voor de innerlijke wet op de tafelen des harten. De Wet Gods, als de Wet der liefde, zal het leven der verlosten des Heeren zijn in de volle kennis van Hem en het dienen van Hem dag en nacht in Zijn tempel. En zij zullen geen kaars van node hebben, want de Heere God verlicht hen.

Wanneer we nu zo de nadruk leggen op de Wet en het herstel van de Wet en er op moeten wijzen, dat het evangelie daaraan dienstbaar is, en alleen vanuit de wet verstaan kan worden, ja, dat het uiteindelijk om de eeuwige wet gaat, terwijl het evangelie tijdelijk is, dan is het geenszins mijn bedoeling om dit alles los te maken van Christus, de Middelaar. Als zou dus het Middelaarswerk van Christus ook een einde nemen en slechts daartoe dienen, dat de functionering van de Wet Gods als de menselijke levenswet weer zou worden hersteld. Er zijn er wel, die dat hebben beweerd. Er is wel geleerd, dat het rijk van Christus en ook de vereniging van de menselijke met de Goddelijke natuur een einde zouden nemen. Men grondde dit op 1 Kor. 15 vs. 24—28, waar Paulus zegt, dat na het eindgericht Christus het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben, en dat de Zoon Zelf Dien onderworpen zal worden, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. — Doch de Kerk heeft reeds in vroeger eeuwen deze dwaling hartgrondig verworpen en uitdrukkelijk beleden: Wiens Koninkrijk geen einde zal hebben. (Geloofsbelijdenis van Nicea). — Toch is er de eeuwen door nog veel strijd en gedachtenwisseling geweest over de aard van het koningschap van Christus. Het is duidelijk, dat de woorden van Paulus wijzen op een wijziging in de aard van Christus' koningschap. Tot aan het einde der dagen is in Zijn handen gelegd van de Vader alle macht in hemel en op aarde, opdat Hij de wereld leide naar haar eindbestemming. Zijn Kerk vergadere en regere. De Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, is waardig bevonden om het Boek met de zeven zegelen te openen. Zo is Immanuël gezeten aan de rechterhand des Vaders, gekroond met eer en heerlijkheid, als Slons Vorst en Heere van hemel en aarde. Ook als verhoogde Middelaar vervult Hij de opdracht, die Hem van de Vader gegeven is en waarmede Hij geëerd is. Doch straks zal Hij de wereld tot haar bestemming hebben gevoerd, Zijn vijanden hebben ondergebracht. Zijn Kerk hebben vergaderd, bewaard en gedragen, en zal Hij haar als Zijn reine Bruid voorstellen. Deze arbeid en deze uitoefening van Zijn Koningschap nemen dan een einde, en ongetwijfeld wordt daarop door de apostel gedoeld, als hij spreekt van het overgeven van het Koninkrijk aan de Vader. Daarbij zal de wijze van regeren ook van een andere aard zijn in overeenstemming met het Rijk der volle heerlijkheid. Calvijn tracht het aldus onder woorden te brengen: dat Christus in deze weg niet Zijn koningschap zal neerleggen, maar het in zekere zin zal overbrengen van Zijn menselijke natuur naar Zijn volheerlijke Goddelijke natuur, omdat er dan een weg van toenadering tot God zal geopend zijn, waarvan onze zwakheid ons nu terughoudt. Zo zal dan Christus onderworpen zijn aan de Vader, omdat, doordat de sluier dan verwijderd is, wij openlijk God zullen aanschouwen, met Majesteit regerend, en Christus' menselijke natuur zal dan niet langer er tussen gesteld zijn om ons terug te houden van een klaardere aanschouwing Gods.

We stamelen hier met Calvijn. Toch mogen en moeten we gelovig nadenken over deze dingen der eeuwige toekomst, indien we ons maar laten voorlichten door het Woord des Heeren en niet buiten dat Woord om gaan speculeren. En dan zal het het Godvrezend hart nog geestelijk genot en vermaak schenken ook. - We menen, dat we het verschil, waarom het hier gaat, het best onder woorden brengen als we met Bavinck wijzen op het onderscheid tussen het middelaarschap der verzoening en het middelaarschap der vereniging. (H. Bavinck, Geref. Dogm., 3e dr., Ill, biz. 550). Het middelaarschap der verzoening zal in het Rijk der heerlijkheid een einde genomen hebben. Dit middelaarschap wordt thans immers ook in Zijn verhoging nog voortgezet. Hij is met Zijn eigen bloed ingegaan in het hemelse heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. En nu vervult Hij als Sions verhoogde Hogepriester Zijn bediening aan Zijn gemeente. Hij leeft eeuwig om voor haar te bidden. Hij is de verse en levende weg tot God. Hij stort als haar verheerlijkt Hoofd Zijn gaven uit in Zijn gemeente. Hij leert haar ais haar hoogste Profeet en regeert haar als Koning tot haar eeuwige heerlijkheid. - Al dit werk, dat dus samenhangt met deze bedeling, zal eenmaal een einde hebben. Doch daarmede verdwijnt Hij niet als Middelaar. Neen, al Zijn verlosten zullen eeuwig met Hem zijn en juist in, met en door Hem de volle zalige onuitsprekelijk zoete en rijke gemeenschap met de Drieënige God smaken. Nu Is alles ten dele. Maar dan zullen profetieën, talen, kennis te niet gedaan zijn; alsdan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht, en, wij zullen kennen, gelijk ook wij gekend zijn. Gelijk God ons doorgrondt, zo zullen de verlosten des Heeren als het verloste schepsel hun God volmaakt kennen en doorgronden, terwijl nochtans het onderscheid Schepper—schepsel gehandhaafd blijft. Daar zal de mens opgeheven zijn tot de allerhoogste heerlijkheid. Maar niet buiten Sions gezegende Middelaar om. Integendeel, Hij zal wel het koninkrijk aan God en de Vader overgeven, maar zó, dat Hij toch Zelf het Hoofd blijft van de nieuwe mensheid. Christus gaat niet weg, opdat Adam weer als hoofd van ons geslacht in Zijn plaats trede. Neen, Christus, de tweede Adam, behoudt deze plaats der ere. Doch, als we het zo met Kuyper mogen zeggen. Hij zal niet maar de ingeschoven Middelaar zijn, maar nu het natuurlijk Hoofd van het tot heerlijkheid gekomen menselijk geslacht zijn. *) In, door en met Hem zal de menselijke natuur zich op het luisterrijkst ontplooien. En waar het profeetzijn, het priesterschap en het koningschap met de menselijke natuur gegeven* is, in het beeld Gods ligt opgesloten, zo zijn deze ambten het hoogst en het rijkst in Christus als het Beeld Gods verwezenlijkt. Zo blijft Christus het Hoofd, uit Wien alle leven en zaligheid eeuwig toevloeit. — Zo kunnen de verlosten en verheerlijkten des Heeren dan ook niet zijn zonder en buiten hun Heere. Alzo zullen wij altijd met de Heere wezen. (1 Thess. 4 vs. 17). —

Maar hierin zal de menselijke natuur niet meer de heerlijkheid Zijner Godheid verbergen of verduisteren, doch juist voeren tot de openlijke aanschouwing van de Drieënige, de Vader der heerlijkheid. En zo komen we toch ook weer terug tot de gedachte en woorden van Calvijn, daarstraks geciteerd.

Nu zal het tenslotte duidelijk zijn — en hiermede komen we op ons uitgangspunt terug — dat de herstelde wet nooit gedacht kan en mag worden zonder of buiten de Middelaar. Zij zal integendeel juist volkomen hersteld zijn en op het allerheerlijkst functioneren in de tot heerlijkheid gebrachte mensheid, in de gemeenschap met en de bediening uit haar Hoofd. — Zo gaat het om het herstel van de Wet Gods en het Evangelie verrichtte juist daartoe zijn functie. Als we nu zeiden, dat het evangelie tijdelijk is en dus zijn functie verricht heeft, als het zijn doel heeft bereikt, dan bedoelen we daarmede niet, dat de inhoud van het evangelie of iets daarvan te loor is gegaan, doch integendeel, dat juist alles, wat het evangelie bracht, tot zijn volle bestemming is gekomen in het volle herstel der Wet Gods, in het leven der nieuwe mensheid onder haar enig Hoofd, in, door en met Wie zij nu God ziet van aangezicht tot aangezicht.

Laat ons luisteren naar de ziener op Patmos en mogen Gods kinderen elkander troosten met deze woorden: En ik zag geen tempel in dezelve (het nieuwe Jeruzalem) ; want de Heere, de almachtige God, is haar Tempel, en het Lam. En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen, want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare Kaars. (Openb. 21 vs. 22, 23).

V. SI.


*) A. Kuyper, Ene. d. H. Godgeleerdheid, 2e dr. Tweede Deel, blz. 325, 326.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WET EN EVANGELIE, IN VERBAND MET DE CHRISTOLOGIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's