„OOST NOCH WEST, NOCH ZANDWOESTIJN”
(DE VOORZIENIGHEID GODS)
IV.
En dan vervolgens : , , Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt ? Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar zijn mogen en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal, aangezien alle schepselen alzo in Zijn hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen."
Dit alles is kinderlijke geloofstaal, waarin doorklinkt : oost noch west, noch zandwoestijn, doet ons meer of minder zijn.
Kinderlijke geloofstaal, want hoorden we niet in het antwoord dat vertrouwelijke en tegelijk eerbiedige „onze getrouwe God en Vader"? Alleen in deze gestalte gaat het oog open voor de voorzienigheid Gods. Dan gaat men de dingen ook anders zien dan de natuurlijke mens. De natuurlijke mens toch rekent niet met het feit der zonde en met Gods onkreukbaar recht. Zelfs wordt dit in menige prediking geheel verwaarloosd. Maar al te vaak wordt de Bijbelse prediking verkort, versmald en verminkt. Men predikt genade zonder gericht, liefde zonder gerechtigheid en vergeving zonder voldoening. Maar op deze wijze wankelen de fundamenten, waarop het geestelijk leven dient te rusten. Alleen de volle Waarheid toch zal kunnen vrij maken en een halve waarheid is gelijk aan een hele leugen.
Men gaat het beeld Gods vermenselijken. De toorn Gods heeft men uitgeschakeld. Daarom zijn er ook zovele problemen ten opzichte van de voorzienigheid Gods, omdat men van een straffende God niet meer wil weten. Zijn oordelen, die alom te aanschouwen zijn, meent men in strijd te zijn met een Goddelijke voorzienigheid.
De gestalte ontbreekt maar al te zeer, waarbij het met schuldbesef en ootmoed beleden wordt: , , wij zijn leem en Gij zijt onze Pottenbakker". We hebben te bedenken, dat we te doen hebben met onze Maker, tegenover Wie we gezondigd hebben; dat we te doen hebben met de Bouwheer der wereld, die wij met ons zwakke menselijk verstand niet kunnen narekenen.
Maar indien we daarvan enigermate doordrongen zijn en bovendien iets door genade hebben leren kennen van Gods vergeving in Christus Jezus, dan gaat de wetenschap, dat de Heere door Zijn voorzienigheid alles onderhoudt en regeert, haar lichtglans over het leven spreiden. Dan gelooft men ook dat vele onverklaarbare dingen na deze zullen verstaan worden en achteraf zal blijken hoe juist ook in donkere dagen Gods voorzienigheid alles leidde. „Alle dingen zijn tegen mij", zo getuigde Jacob, doch de Heere was juist toen bezig hem Jozef weer terug te geven.
Voor alles heeft God Zijn wijze redenen. Dikwijls wil Hij door bepaalde wegen ons lijdzaamheid leren, tot geloofsoefening brengen, enz. In Zijn voorzienigheid schitteren Zijn Vaderlijke gunst en weldadigheid of de strengheid van Zijn oordeel.
De voorzienigheid Gods is niet zelden een verborgen voorzienigheid. Hier is het woord van Paulus op zijn plaats: , , 0 diepte des rijkdoms, beide die der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen. Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? "
Gods voorzienigheid vaak een verborgen voorzienigheid. Zijn oordelen ondoorgrondelijk en Zijn wegen onnaspeurlijk.
Toch brengt dit Gods kind niet tot een stille en doffe berusting. Het verschil tussen een wereldling en een kind des Heeren is niet, dat de eerste in opstand komt tegen Gods wegen en Zijn voorzienigheid ontkent, terwijl de opstandigheid bij degenen, die de Heere vrezen, alleen maar tot stilzwijgen gebracht zou zijn. Maar Gods genade vermag méér. Gods genade leert lofzangen zingen. En ze worden gezongen niet maar alleen door de ingeleiden, doch ook door de kleinen in de genade.
Voor God rijzen de lofzangen omhoog. De Heilige Schrift gaat er in voor en Gods gemeente van alle tijden wordt opgewekt er mede in te stemmen.
Zelfs in de nacht worden ze gezongen. Midden in de nood en dwars door vele vragen en verschrikkingen heen. Wanneer het geloof levendig is, zijn de oprecht gelovigen er in alle verzoeking van doordrongen dat God niet is een God van willekeur, maar de Herder Israels, Die tevens is de God der heirscharen. Ze kennen bij ervaring de troost van de schone Herderspsalm:
„De Heere is mijn Herder; mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij ; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie; mijn beker is overvloeiende.
Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen". (Slot volgt).
F. Troost.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's