De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BOETVAARDIGHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOETVAARDIGHEID

10 minuten leestijd

In het voorafgaande artikel werd over „bekering en bekering" gesproken. Dat bedoelde op een onderscheid te wijzen tussen uitwendige en inwendige bekering. Hoewel ook een uitwendige bekering uit een persoonlijk en sociaal oogpunt betekenis heeft, hebben we toch met de inwendige bekering een verandering des harten op het oog.

In de gereformeerde dogmatiek wordt bekering vaak genomen in de zin van rechtvaardigmaking n.l. de persoonlijke toeëigening der rechtvaardigmaking, anders gezegd, de persoonlijke toeëige­ning der gerechtigheid Gods in Christus.

De rechtvaardigmaking immers is een vrijsprekende daad Gods, een vrijsprekende daad van de hemelse Rechter over de zondaar. Zij omvat niet alleen de rechtvaardigverklaring van de schuldige, doch het werk Gods reikt verder. Aan deze toerekenende daad Gods is ook de levenvernieuwende daad ver­bonden, waarover wij gesproken hebben in verband met de wedergeboorte. Geheel het werk Gods omvattende de daadwerkelijke roeping, de rechtvaardiging en de heiligmaking wordt ook . wel met één woord lieiliging genoemd. Deze heiligende daad van God maakt scheiding tussen een geheiligd volk en de wereld. Zij zondert een volk af uit de ; wereld tot het Lichaam van Christus. Deze afzondering maakt ook onderscheid tussen tweeërlei gerechtigheid. De gerechtigheid van de mens en de gerechtigheid Gods. , , Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne Gerechtigheid "

De nieuwe gerechtigheid is de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods, het bruiloftskleed op de bruiloft des Lams, dewelke wel om niet, gratis, d.i. uit genade, aan Gods kinderen wordt toegerekend en geschonken(!), doch zonder welke men geen deel kan hebben aan het Koninkrijk Gods. (Vgl. Matth. 22 : 11 en 12).

Niet zonder oorzaak heeft de Christus hierop gewezen, want ten allen tijde zijn er mensen ook onder degenen, die zich bij de kerk voegen, die door hun eigengerechtigheid zoeken het Koninkrijk Gods te veroveren, hoewel de apostel heel duidelijk betuigt, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beerven kunnen, terwijl anderen de onderscheiding van het Lichaam van Christus ganselijk vergeten of negeren en de ganse wereld in de hemel zetten.

De zoeven aangehaalde gelijkenis des Heeren kan ons tegen dergelijke loondiensten en misleidingen waarschuwen.

De eersten, loondienaren en werkheiligen als zij willen zijn, gaan bewust of onbewust uit van de onderstelling, dat zij een beginsel der gerechtigheid in zichzelven hebben, welke voor God zou kunnen bestaan. Zij nemen de val des mensen en mitsdien ook de zonde niet ernstig en zien daarin geen beletsel om voor God te kunnen verschijnen.

Zij, die het als de meest gewone zaak ter wereld beschouwen, dat de mensen na dit leven een hemelse werkelijkheid wacht, en dat zelfs afgezien van geloof en ongeloof, zijn veelal niet zo onwetend aangaande de leer der Schriften, maar zij begeren die niet.

Terwijl de eersten een leven lang zwoegen aan hun bekering, vinden de laatsten bekering zelfs ganselijk overbodig, hoewel de Heilige Schrift daartoe veelvuldig oproept.

Béide groepen hebben weinig of geen besef van de ernst der zonde en van de toorn Gods over de ongerechtigheid.

Bekering is echter ook nog wat anders dan een puriteinse levensstijl, hoe grote waardering deze ook verdient. De ware Christen heeft altijd iets puriteins en zij vergissen zich, die de vrijheid van de Christenmens zó verstaan, dat hun levensstijl in geen enkel opzicht verschilt van die van de wereldling.

Goed verstaan ! Geen Christenmens kan in oprechtheid voor God beweren, dat hij beter zou zijn dan de wereldling, hij zal ook niet in oprechtheid voor God kunnen zeggen, dat zijn puriteinse levenshouding iets bij God verdient.

En toch is er verschil tussen een Christen en een heiden.  Zo'n onderscheid moogt gij in onze tijd niet maken hoor ik iemand opmerken. Weet gij dan niet, dat er tegenwoordig predikers zijn, die de wereldse mens meer Christelijkheid schijnen toe te schrijven dan de orthodoxe kerkse mens ?

Dat verschil moet gij niet daarin zoeken, dat de gelovige mens zich beter of voortreffelijker, heiliger of rechtvaardi­ger vindt dan de ongelovige medemens. Dat wordt vooral door de ongelovige mens vaak zo voorgesteld, omdat de ongelovige het in zijn hart toch beter acht godsdienstig dan onverschillig te zijn. Het zijn met name de ongelovigen, die dergelijke waarderingen in de wereld brengen.

De man, die tot waarachtige zelfkennis is gekomen, weet dat hij de wereldzonde in zijn ziel draagt en dat het alleen Gods genade is, als hij bewaard blijft voor de uitbrekende zonden, die hem in de macht van de aardse rechter overleveren.

Zulk een mens heeft zich zelf beter leren kennen dan een ander. Wat dan wel het verschil tussen de gelovige en de ongelovige, tussen Christen en heiden is ?

Wij noemden daar reeds iets : zelfkennis ! Immers is de mens een vreemdeling in eigen hart. De hoogste kennis op aarde is toch Godskennis en kennis van zich zelf.

En dat is nu juist onze armoede, dat wij aan beide grotelijks gebrek lijden en het zelfs niet eens opmerken.

Uit dien hoofde is het zo nodig, dat wij de Wet prediken en dat de Wet ons gepredikt wordt, opdat wij vernemen, wat God van ons vordert en opdat wij door dé betrachting der Wet leren ontdekken, hoezeer wij aan alle geboden Gods schuldig staan, zodat wij door de Wet voor Zijn aangezicht veroordeeld worden.

Daarom de Wet betrachten. Om te ervaren, dat wij geen lust hebben in de gehoorzaamheid, welke wij Gode schuldig zijn te brengen.

En als wij dat dan zien ? Dan kunnen wij er iets van verstaan, waarom Calvijn van boetvaardigheid spreekt, als het eerste beginsel der bekering. Als wij met de Wet Gods van doen krijgen, hebben wij het niet gemakkelijk en als het hart van een mens geopend wordt voor de Majesteit Gods en Zijn gerechtigheid, komt verootmoediging zijn waanzinnige hoogmoed verdrijven. Vandaar de uitdrukking boetvaardigheid.

Zal deze boetvaardigheid bekering tot God genoemd kunnen worden, dan gaat zij gepaard met het verlangen van een verandering niet alleen van de uiterlijke werken, maar ook in de ziel zelf.

De bekering tot God begint bij de afschuw der zonde. Zo spreekt ook de apostel van de droefheid tot God, die een onberouwelijke bekering werkt. (2 Cor. 7 VS. 10).

Niet aleen huiveren voor het gericht Gods en de straf der zonde, maar de zonde zelf haten, omdat zij Gode mishaagt! Dat is het begin der bekering, die gepaard gaat aan de vernieuwing des harten.

Jesaja bespot de huichelaars, die zich wel inspannen tot een uiterlijke bekering, maar de banden der ongerechtigheid niet losmaken. (Hfdst. 58 vs. 6).

De boetvaardigheid, die het kenmerk is der bekering, draagt dan ook een tweeledig karakter: n.l. de doding van het vlees en de levendmaking des geestes. Calvijn noemt het een door en door moeilijke en bezwaarlijke zaak, ons zelf af te leggen en te verhuizen uit onze aangeboren aard.

Nochtans noemt hij de verzaking van onze natuur de eerste stap tot de gehoorzaamheid der Wet. (Inst. III, 3. 7 V.V.).

De vruchten der vernieuwing, die er uit volgen zijn gerechtigheid, oordeel en barmhartigheid.

Deze beide dingen de doding des vleses en de levendmaking des geestes, vallen ons te beurt uit het deelgenootschap aan Christus. Als wij deel hebben aan Zijn dood, wordt onze oude mens door Zijn kracht gekruisigd en sterft het lichaam der zonde. Door de gemeenschap aan Christus' opstanding worden wij door deze opgewekt tot nieuwheid des levens, welke beantwoordt aan Gods gerechtigheid.

Deze afsterving maakt zich in ons openbaar in de haat der zonde en het leed, dat wij daarvan dragen, terwijl de kracht van Christus' opstanding haar werking in ons doet kennen in de oprechte begeerte om in een nieuwe gehoorzaamheid te wandelen.

Want Hij schenkt de boetvaardige strijders de kracht des Geestes, opdat zij de overhand verkrijgen.

Daarom zeggen wij, dat de oude mens in Gods kinderen gekruisigd is. De wet der zonde is in hen te niet gedaan, zodat de zoiide in hen niet meer heerst, hoewel zij in hen blijft wonen om hen door het bewustzijn hunner zwakheid te verootmoedigen.

Ziedaar, hoe Calvijn over de bekering, die hij boetvaardigheid noemt oordeelt en hij beroept zich daarbij terecht op uitspraken der Heilige Schrift als : „Wijk af, van het kwade en doe het goede". , , Wast u, en reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van verkeerd te dóen, leert goed doen; zoekt het récht, helpt de verdrukte'' (Ps. - 34 : 15 ; Jes. 1 : 16) e.d.g. 

Velen zullen hét mogelijk wat erg eenvoudig vinden, zoals Calvijn over de bekering spreekt. Nochtans is het zo. Zo worden Gods kinderen bevrijd van de dienstbaarheid der zonde door de wedergeboorte.

Meent niet, dat zij het volle bezit der vrijheid reeds verkregen hebben eh daarom geen moeilijkheid voor het vlees meer ondervinden, want dat is niet zo en dat leest gij niet in de Schrift. Integendeel er blijft in hen een voortdurende oorzaak tot strijd, opdat zij geoefend worden en ook hun zwakheid beter leren kennen. 

Als thans naar het verband tussen bekering n.l. de innerlijke bekering of bekering des harten, en de wedergeboorte wordt gevraagd, behoeft naar het antwoord niet lang gezocht te worden.

Ofschoon de Schrift ons van begin tot eind tot bekering vermaant, opdat wij aan onze zonde worden herinnerd en aan onze roeping en verantwoordelijkheid om Gode te leven, zo zal toch een mens niet tot waarachtige bekering komen zonder de kracht Gods.

Laat iemand dit echter niet aangrijpen tot verontschuldiging van zijn onbekeerlijke wandel, want zijn consciëntie getuigt tegen hem.

Hij is als de dwazen, die de Bijbel niet lezen, zeggende, dat zij eerst licht moeten hebben en de weg, waarin het licht hun kan opgaan, versmaden.

Zo is het ook ten aanzien van de roep tot bekering. Zij beginnen niet eens. Zij horen de Wet iedere Zondag en zij denken er niet aan in hun dagelijks leven, hoewel de Schrift leert, dat de kennis der zonde uit de Wet is. Maar dan moet men de Wet ernstig nemen ook in zijn arbeid, in zijn handel, in de zaak, op het kantoor, in de school enz.

Overigens blijft het waar, dat de waarachtige bekering uit God is. Daarom zijn wedergeboorte en bekering in de grond beschouwd dezelfde zaak, maar van twee zijden gezien. De wedergeboorte is de goddelijke, de verborgen zijde; welke werkt op Gods tijd en Gods wijze.

Doch deze werking uit zich, laat zich ontdekken, in de kenmerken der bekering : zonde-kennis, afschuw van de zonde, berouw, drdëfheid naar God, begeerte om in een nieuwe gehoorzaamheid te wandelen, toeëigening van de genade in Christus en van Zijne gerechtigheid, strijd des ; geloofs, blijdschap des geloofs, levende hope en verlangen naar Zijn eeuwige toekomst.

Dat zij zover allen niet vorderen, werpt iemand tegen. Dat is ook zo. Velen blijven wankelen in de bekommernis, zwevende tussen hoop en vreze. En eigen u niet wat meer toe, want dan krijgt u de anderen tegen. Dat kan ook al voorkomen.

Maar dat kan toch geen maatstaf zijn en bekommert u niet al te zeer over degenen, die zich meer toeëigenen, want de Heere waakt over Zijn zaak en de man, die geen bruiloftskleed aan heeft, wordt uitgeworpen.

Anderzijds heeft mogelijk ook de prediking veeltijds bijgedragen tot een blijven steken in de bekommernis. En als die bekommernis oprecht is en echt, is het nog niet zo ernstig, want de echte bekommernis neemt een toevlucht tot Christus en komt wel verder, maar een bekommernis zonder ontdekking heeft met bekering niets gemeen dan een val­se schijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BOETVAARDIGHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's