WAT ER GESCHIEDT?
Bekering en wedergeboorte twee zijden van dezelfde zaak ! Enerzijds een verborgen doen des Heiligen Geestes en anderzijds de innerlijke verandering des gemoeds.
Wat er dan eigenlijk geschiedt ?
Dat is een vraag, welke heden niet voor de eerste maal wordt gesteld, en waarop verschillend geantwoord wordt. Velen hebben gedacht aan een overbrenging of mededeling der genade op een wijze, die al te lomp en stoffelijk wordt voorgesteld door b.v. de genade aan het sacrament te verbinden, zodat met het gebruik van het sacrament ook de genade wordt ontvangen, terwijl wij deze zonder en buiten het gebruik van het sacrament niet zouden kunnen deelachtig worden.
Zulk een stoffelijke gebondenheid der genade vindt men in alle sactamentalisme, zoals dat men een vreemd woord wordt uitgedrukt. Men denke ook aan de Roomse Avondmaalsleer, volgens welke het brood onder de zegening van de priester zou veranderd worden in het lichaam des Heeren. Aanziender oog zou het wel brood blijven, maar in de werkelijkheid zou het wat anders geworden zijn dan het was n.l. het lichaam des Heeren. Wie dat brood ontvangt en eet, zou dan het lichaam des Heeren tot zich nemen.
De Lutheranen hebben deze leer wel niet in die vorm overgenomen, maar zij blijven daarvan waarlijk niet zover vandaan, en hebben ook overigens de genade aan de heilsmiddelen gebonden.
Daarom behoeft men zich er niet over te verbazen, dat ook in ons land de lokenen niet ontbreken, die op sacramentalisme kunnen wijzen en dat ook doen. Al te lang is onze vaderlandse kerk geïnfecteerd geworden door Lutheraanse invloeden, om aan te nemen, dat zij vrij gebijiaven zou zijn van dergelijke half-paapse leringen en practijken.
In hoeverre daarmede ook een dodelijke afkeer van de gereformeerde belijdenis saamhangt, die velen in de Hervormde Kerk bezielt, willen wij in dit verband niet onderzoeken. Ook zulk een afkeer is in ieder geval niet vreemd aan de Lutheranen. Dit komt echter ook buiten deze kring voor.
Als antwoord, wat er gebeurt in de wedergeboorte, wijzen wij het sacramentalisme, — hetzij Rooms of Lutheraans — met de gereformeerden van alle tijden beslist van de hand. Daarin is een volkomen misplaatste en ongerechtvaardigde toepassing of overbrenging van de vleeswording des Woords.
Het Woord is vlees geworden. De Christus bleef de Zoon van God, gelijk Hij was, en Hij werd, wat Hij niet was, Hij werd vlees. Geen mens kan dat wonder begrijpen, maar het geloof omhelst het in aanbidding en dankbaarheid. Doch nergens leert de Heilige Schrift, dat dit wonder der vleeswording zich voortzet in de gelovigen. En zij leert ook niet, dat het goddelijke genadewoord of de genade brood of water wordt, opdat zij door de mensenkinderen kunnen worden genoten.
De Heilige Schrift spreekt van Woord en Geest, van de wedergeboorte als een werk des Geestes, van de bediening des Geestes, van de dingen, die des Geestes Gods zijn, enz., alles duidende op het rein geestelijk karakter van de waarachtige godsdienst.
Hoe het dan wél geschiedt, als de genade niet gebonden is aan brood en water, aan een stoffelijk en tastbaar middel van mededeling?
Wat er dan wél in de wedergeboorte gebeurt?
Daarop wordt ook nog op andere wijze bescheid gegeven.
Men heeft gedacht aan en gesproken van een ingieting der genade als in een volkomen letterlijke zin, alsof het een vloeistof gold, die men uit het ene vat in het andere giet.
Dat kan echter niet zo zijn, zijnde in strijd met het zo even genoemde geestelijk karakter. Ook Calvijn gebruikt het woord , , indruppelen", maar dat is zonder enige twijfel in een geestelijke zin bedoeld door hem. (Vgl. Inst. I, 3, 1). Hoe sterk toch verzet de Reformator zich tegen de leer van Osiander, als werd de goddelijke wezensgerechtigheid de gelovige ingestort. En zeer terecht, want dan zouden zij, wie dat te beurt viel, geen Christenen, maar veeleer Christussen worden.
De woorden indruppelen, ingieten of instorten, dienen derhalve met voorzichtigheid gebruikt te worden.
Vooreerst, omdat de godsdienst der Schriften rein geestelijk is.
Ten andere, omdat het werk des Heiligen Geestes verborgen en onnaspeurlijk is. Wie zal ons uiteenzetten, ontleden, hoe God in Zijn werk gaat, als Hij schept? Niemand is in de Raad Gods geweest, maar geen mens ook kan doorgronden, wat er precies gebeurde, toen God sprak : , , Er zij licht". En er werd licht.
Nicodemus vroeg, en dit met betrekking tot de wedergeboorte, ook, hoe dat kon geschieden, en het antwoord van de Christus leert ons, dat zulks voor ons verborgen is. (Joh. 3).
Ten derde, omdat deze dingen geheel anders liggen dan veelal wordt voorgesteld.
Daar zijn mensen, die niets willen weten van een plaatsbekledend lijden en sterven van Christus. Deze mensen erkennen niet, dat de zonde zo ernstig wordt genomen door God, zodat van de toorn Gods sprake moet zijn, en dat, ondanks de duidelijke taal der Heilige Schrift! Daaruit volgt derhalve, dat de zonde een overigens doodgewone onvolkomenheid van het schepselmatige leven zou zijn, waarover God niet toornen kan, omdat het zo bij het schepselzijn zou behoren. De leer der genoegdoening van Christus zou door Paulus aan het oorspronkelijke Evangelie zijn toegevoegd.
Die zulke dingen uitdenken, moeten ook het beeld van de Christus, die ons in de Evangeliën wordt voorgesteld, eigendunkelijk veranderen. Men denke alleen reeds aan de titel : , , het Lam Gods". Zij leren een andere Christus.
Gewoonlijk kan men opmerken, dat dergelijke redeneringen ook geen ernst maken met onze schepping naar het beeld Gods, met het menselijk wezen, zoals het daarin wordt uitgedrukt en dientengevolge zich ook niet schijnen te bekommeren om de bestemming van de mens.
Uit deze dingen kan voorts blijken, dat zij, die dergelijke dwalingen aanhangen, ook omtrent het gezag der Heilige Schrift niet instemmen met de kerk der eeuwen, die haar als Gods Woord aanvaardt.
Zij kunnen de nieuwe gehoorzaamheid aan de Christus Gods niet vinden, omdat zij geen recht laten wedervaren aan de Wet Gods en de eis der gehoorzaamheid, waaronder Hij de mens heeft gezet op straffe des doods.
Het behoeft geen lang betoog om aan te tonen, dat degenen, die zo eigengereid omgaan met de dingen, welke ons door God geopenbaard worden in Zijn Woord, zich ook weinig bekommeren om de staat der gerechtigheid, waarin wij geschapen zijn. Velen geloven niets daarvan en hebben daarvoor geen belangstelling.
Die echter leerden buigen voor de waarheid Gods, betreuren het niet alleen dat de mens de heerlijkheid van zijn schepping niet heeft verstaan, maar ook, dat hij zijn heerlijkheid en ere door de zonde heeft ingeboet.
Hoe stond het nu met die mens in rechtheid?
Wij willen die vraag althans op een enkel punt belichten en beginnen met een wedervraag.
Wat dunkt u?
Bracht die rechte staat mee, dat de mens maar zelf zijn weg moest uitvinden om tot zijn bestemming te komen?
Dat in geen geval. Immers reeds de algemene openbaring maakte voor hem, die in de reinheid zijner schepping volhardde, de wereld tot een schoon boek, waarin hij vermocht te lezen.
Daarbij heeft de Heere het echter niet gelaten, want de mens is nooit zonder het Woord Gods geweest. Ook vóór de zondeval. Lees maar, hoe God hem onmiddellijk in de hof bracht en bij de boom der kennis des goeds en des kwaads onderrichtte omtrent de tweesprong zijns levens.
God wilde met de mens spreken en wilde met de naar Zijn beeld geschapen mens omgang hebben.
Edoch, God woont in de hemel en de mens op aarde, zodat ook toen, zodat ook de Paradijsmens was aangewezen op het geloof. De rechtvaardige zal uit het geloof leven. (Hab. 2 vs. 4). Dat geldt ook van de mens in rechtheid, en daarop de aandacht te vestigen is de bedoeling van deze passage. Ook de Paradijsmens leefde uit het geloof, hetgeen intussen uit de Godsopenbaring werd gevoed.
Zoals nu het verstand van de mens door de zonde werd verduisterd en zijn wil verdorven, zo werd ook zijn geloof gekrenkt en van zijn fundament gerukt. Het geloof is het op God en de geestelijke dingen gericht zijn kwijt, het is het spoor bijster, en zet zich op het vermogen van de mens zelf en op de aarde en de dingen van de aarde.
Gelijk dan door de werking van de Heilige Geest het verstand wordt verlicht, de wil wordt omgebogen, zo wordt ook het geloof wederom gericht op de dingen die des Geestes Gods zijn.
Uit een en ander kan men verstaan, dat de genadewerking, waardoor al deze zielevermogens wederom worden opgericht, geen ingieting in letterlijke zin kan zijn, maar een herscheppende werking van Woord en Geest.
Hoewel dit ten aanzien van de wedergeboorte in niet mindere mate geldt en deze zich in de zo even genoemde genadewerkingen doet kennen, is zij in de ganse omvang harer werkingen daarmede nog niet getekend en verdient nadere beschouwing.
Daarover de volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's