Over de geestelijke regering
In de Middeleeuwen kondigde een der pausen de leer der twee zwaarden af. Dit betekent, dat hij niet alleen alle macht in de kerk voor zich opeiste, het geestelijke zwaard zouden we kunnen zeggen, maar ook het wereldlijke zwaard. Hij stelde zich hiermede boven de keizers en de koningen en meende, dat bij de kroning door de Paus, deze hun macht uit de handen van de Paus ontvingen. Echter waren niet alle vorsten bereid dit recht van de Paus te erkennen en zijn bevelen op te volgen. Hendrik IV, die zich tegen de Paus verzette, zag zich echter genoodzaakt te voet door ijs en sneeuw laaar Canossa te gaan om de Paus vergiffenis te smeken voor zijn verzet. We zien hier dus de neiging van de kerk (hier R.K. kerk) om over de staat te heersen.
In de tijd der hervorming werd in Lutherse landen grote macht en invloed aan de landsvorst gegeven. Deze fungeerde als opperste bisschop der kerk. In ons land trachtten in die tijd de regenten invloed uit te oefenen op de kerkeraden, door het recht voor zich op te eisen, dat de kerkeraadsvergaderingen door een of meer afgevaardigden der plaatselijke regering zouden worden bijgewoond. Ook op meerdere Synoden treffen we commissarissen van de overheid aan. Wel trachtten de Gereformeerden het eigen recht der, kerk te handhaven, maar dit gelukte niet altijd. En omstreeks 1615 verdedigden de Remonstranten de opvatting, dat het de taak en roeping der overheid was, zich met de kerkelijke zaken in te laten en daar orde op zaken te stellen.
Het is de grote verdienste van Calvijn geweest, dat hij tussen deze ontsporingen een helder en klaar standpunt heeft ingenomen, waarin hij zowel aan de kerk als aan de staat een eigen plaats heeft toegewezen. Hij zet dit uiteen in zijn Institutie.
Er is onder de mensen tweeërlei regering : de een geestelijk, waardoor de consciëntie wordt onderwezen tot vroomheid en de dienst van God, de ander burgerlijk, waardoor de mens wordt onderricht tot de menselijke en burgerlijke plichten, die onder de mensen in acht genomen moeten worden. Gewoonlijk worden zij genoemd de geestelijke en de tijdelijke jurisdictie. Daarmee wordt te kennen gegeven, dat de eerste soort van regering betrekking heeft op het leven der ziel, en de tweede soort zich beweegt op het terrein van wat tot het tegenwoordige leven behoort. De eerse heeft haar zetel in het inwendige des gemoeds ; maar de tweede regelt slechts de uiterlijke zeden. Laat ons de eerste een geestelijk rijk mogen noemen, de tweede een burgerlijk rijk. En deze twee, zoals wij ze verdeeld hebben, moeten altijd ieder op zichzelf beschouwd worden en wanneer het ene in ogenschouw wordt genomen, moeten de harten weggeroepen en afgewend worden van de gedachte aan het andere. Want er zijn in de mens als het ware twee werelden, over welke verschillende koningen en verschillende wetten kunnen regeren. Door deze onderscheiding zal het geschieden, dat we niet verkeerd datgene, wat het evangelie leert over de geestelijke vrijheid betrekken op de burgerlijke orde, alsof de Christenen minder naar de uiterlijke regering aan de menselijke wetten onderworpen waren, omdat hun gewetens vrijgemaakt zijn voor God. Evenmin zijn ze verlost van alle dienstbaarheid des vleses, omdat ze vrij zijn naar de geest.
Evenals geen enkele stad of dorp zonder overheid en burgerlijke regering kan bestaan, zo heeft ook Gods kerk haar geestelijke regering nodig, die echter van de burgerlijke regering geheel onderscheiden is, en deze niet alleen niet hindert of vermindert, maar haar veeleer helpt en bevordert. Tot dit doel zijn er van den beginne in de kerken kerkeraden ingesteld om censuur te oefenen over de zeden, fouten te straffen, en het ambt der sleutelen te bedienen. Deze orde wijst Paulus aan in de brief aan de Corinthen (1 Cor. 12 VS. , 28), wanneer hij spreekt van regeringen ; evenzo aan de Romeinen (12 vs.. 8), wanneer hij zegt: „die een voorstander is, zij het in naarstigheid". Want hij spreekt daar niet tot de overheidspersonen, onder wie toen geen Christenen waren, maar tot hen, die aan de herders waren toegevoegd tot verzorging van de geestelijke regering der kerk. Ook in de brief aan Timotheüs (1 Tim. 5 VS. 17) spreekt hij van tweeerlei ouderlingen : van de enen, die arbeiden in het Woord, en de anderen, die de prediking des Woords niet bedienen en toch wel regeren. Het is niet twijfelachtig of hij verstaat onder deze laatste soort hen, die tot het toezicht op de zeden en tot het ganse gebruik der sleutelen aangesteld waren. Want deze macht, waarover wij spreken, hangt geheel aan de sleutels, welke Christus aan de kerk gegeven heeft, in Matth. 18, waar Hij beveelt officieel en ernstig hen te vermanen, die persoonlijke vermaningen veracht hebben ; en indien zij in hun hardnekkigheid volharden, leert Hij, dat ze van de gemeenschap met de gelovigen vervallen verklaard moeten worden. Nu kunnen die vermaningen en bestraffingen niet geschieden zonder dat men kennis genomen heeft van de zaak : daarom is er een rechtbank en een zeker college nodig. Daarom, indien wij de belofte der sleutels niet ijdel willen maken, en de ban, de openbare vermaningen en wat er verder van die aard is, niet willen wegnemen, moeten wij aan de kerk noodzakelijk enige rechtspraak toestaan.
Matth. 18 VS. 18 zegt : „Indien een broeder der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar : voorwaar zeg Ik u, al wat gij op de aarde binden zult, zal ook in de hemel gebonden wezen, en al wat gij ontbinden zult, zal ontbonden wezen". De macht om te binden of te ontbinden is door het Woord Gods.
De kerk bindt dengene, die ze afsnijdt ; niet dat ze hem werpt in een eeuwig verderf en wanhoop, maar omdat ze zijn leven en zeden veroordeelt en indien hij zich niet bekeert, hem reeds herinnert aan zijn verdoeming. Zij ontbindt dengene, die zij weer tot haar gemeenschap aanneemt, omdat zij hem als het ware deelgenoot maakt aan de eenheid, die zij heeft in Christus Jezus. En dan zegt Calvijn zo schoon : Opdat dus niemand het oordeel der kerk hardnekkig zou versmaden, of het van weinig betekenis zou achten, dat hij door de stemmen der gelovigen veroordeeld is, betuigt »de Heere Heere, dat zulk een oordeel der gelovigen niets anders is dan een afkondiging van Zijn eigen uitspraak, en dat in de hemelen voor geldig gehouden wordt wat zij op de aarde gedaan hebben. Want zij hebben het Woord Gods, om daarmee de bozen te veroordelen, zij hebben het Woord Gods, om daardoor hen, die zich bekeren, weer in genade aan te nemen. En zij kunnen niet dwalen, en niet verschillen van Gods oordeel, omdat ze slechts uit de wet Gods oordelen, die geen onzekere of aardse mening, maar Gods heilige wil, en een hemelse uitspraak is.
Calvijn zet ook het onderscheid en de grote ongelijkheid tussen de kerkelijke en burgerlijke macht uiteen. De kerk heeft niet het recht van het zwaard om daarmee te straffen of te bedwingen, zij heeft geen macht om te dwingen, geen gevangenis, en geen andere straffen, die door de overheid plegen opgelegd te worden. Bovendien is het niet haar streven, dat hij, die gezondigd heeft, tegen zijn wil gestraft worde, maar dat hij door een gewillige kastijding zijn boetvaardigheid betone. Er is dus een zeer groot verschil : want de kerk neemt niet alles voor zich, wat eigen is aan de overheid, en de overheid kan niet verrichten, wat door de kerk volbracht wordt. Is iemand dronken, dan zal in een goed ingerichte stad de kerker zijn straf zijn. Zo zal voldaan zijn aan de wetten, en aan de overheid en aan het uiterlijk oordeel. Maar het zal kunnen geschieden, dat hij geen enkel teken van boetvaardigheid geeft, ja zelfs dat hij tegen moppert of bromt. Zal de kerk het dan daarbij laten? Maar zulken kunnen niet tot het Avondmaal worden toegelaten, zonder dat aan Christus en Zijn heilige instelling onrecht geschiedt. En de rede eist, dat hij, die de kerk door een slecht voorbeeld heeft geërgerd, door een openbare verklaring van boetvaardigheid de ergernis, die hij verwekt heeft, wegneemt.
Calvijn meent, dat de kerk de geestelijke rechtspraak niet kan missen en dat het niet behoorlijk is, om deze aan de burgerlijke overheid over te dragen, zoals sommigen wensen. Indien de overheid vroom is, zal ze zich niet willen uitzonderen van de algemene gehoorzaamheid der kinderen Gods, waarvan het voornaamste deel is, dat men zich onderwerpt aan de kerk, die naar Gods Woord oordeelt; laat staan, dat ze dat oordeel zou moeten wegnemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's