De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WEDERGEBOORTE EN RECHTVAARDIGING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WEDERGEBOORTE EN RECHTVAARDIGING

9 minuten leestijd

Het is de algemene klacht, dat er in onze gemeenten weinig doorbraak in het geestelijk leven wordt aangetroffen. Daarmede wordt dan bedoeld, dat er weinig bevestigd leven des geloofs wordt gevonden. De meesten van degenen, die in oprechtheid des harten zijn gaan zoeken de dingen van het Koninkrijk der hemelen, blijven staan voor de overgang in het geloof in Christus. Er is wel een bij wijlen schuilen onder de vleugelen van Immanuël, een toevlucht nemen tot Zijn wonden, een geloof oefenen in het toevluchtnemend geloof op de verdiensten van Christus, doch straks zinkt de ziel weer terug in zichzelf, en kent geen vastheid. Er kunnen rijke ogenblikken zijn, waarin de weldaden des Verbonds als de Vaderlijke gunst Gods en de vergeving der zonden worden gesmaakt als zoete zielespijs, doch het blijft bij ogenblikken. Het zijn standen van geloofsoefening, er is geen kennis van staatsverwisseling. De vrijheid der kinderen Gods blijft toch een verborgenheid. Het leven uit Christus, staande in de verzoening met God, blijft in zijn volheid onbekend. Het geestelijk leven blijft ook gekenmerkt door een gericht blijven op zichzelf. We bedoelen: men is meer bezig met de vraag, of men voor zichzelf het goed heeft en hope mag hebben, dan wel dat men a.h.w. geheel ingenomen is door de eer en de deugden Gods, die in Christus op het hoogst verheerlijkt worden, terwijl men daar zelf geheel in het geloof op betrokken is. We denken aan het gedicht van een ontslapen kind des Heeren, waarin zij weergeeft een gesprek met een zoekende ziel. De zoekende ziel klaagt:

'k Ben zo dor; 'k ben zo dodig. Had ik U maar veel meer nodig. Ik leef mij zelve veel te veel. Ach, had ik U maar tot mijn deel.

Zij antwoordt dan in het doorgeven van het Woord des Heeren:

Wie zijn leven wil behouden, Zal Mij niet aanschouwen. Want Ik zal Mij openbaren Als gij alles voor Mij laat varen! Dan zal Ik gewis Mijn Geest u zenden, Opdat uw oog zich naar Mij zal wenden!

Daarop werpt hij echter tegen:

'k Heb toch wel eens mogen smaken Al het goede van Zijn Huis, Dat mijn ziel naar Hem mocht haken onder ramp en smart en kruis. 'k Leerde door al die wegen heen Dat er maar éne rust bestond, — Want buiten Hem is er geen — Die ons dan met God verbond. Maar ik zucht nog onder mijn zonden, 'k Ben mijn schuldenpak niet kwijt. Ik gevoel mij zeer gebonden, Ach, werd toch mijn ziel bevrijd.

Doch zij antwoordt:

Zo zucht men voor zichzelve. Maar, als straks het licht opgaat, Zult gij dieper moeten delven. Zien, dat gij Gods eer versmaadt. Want God, dat volzalig Wezen, doet geen afstand van Zijn recht.

Dan geeft zij verder getuigenis van de inleving des geloofs van het recht Gods, doch ook van de indalende genade Gods in Christus:

Daar ondertekent men met zijn bloed: Ik heb het verdiend: het moet. Verloren gaan, 'k kan niet bestaan! Een open afgrond grijnst ons aan. Wie zal ons hier nog gadeslaan? Men zinkt al in de diepten neder. Maar zie 't Lam, dat spreekt nu teder: Ik gaf Mij in deez' duist're nacht. Van eeuwigheid heb Ik aan u gedacht. Ik heb voor u de pers getreden, Aan 't vloekhout ook voor u geleden. De dood met al zijn angst en pijn, Opdat uw schuld verzoend zou zijn. Ik kocht u 't recht ten eeuwigen leven. Gij zijt van de Vader Mij gegeven. — De Vader, die is nu Zelf voldaan! In 't volbrachte werk mocht ik voor Hem staan.

Daar is de vaste grondslag der verzoening met God in het leven gekomen. De ziel is statelijk overgegaan in Christus. De grote levenswerkelijkheid voor het hart is geworden: Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus; Door Welke wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods. Het wordt in de slotregels van het gedicht alzo tot uitdrukking gebracht:

In Jezus beschouwt Hij nu Zijn kind, Dat vrede in Zijn ogen vindt. Gemeenschap smaken met God Drie-Een Dat is het leven: dat alléén!

We gevoelen, dat bij deze christin in het leven, het omgaan met, het onderwijs en de leiding van anderen, de rechtvaardigheid door het geloof in het middelpunt der belangstelling stond. Alle andere weldaden liggen er om heen geordend, en worden als vruchten er van gekend en genoten.

Nu wordt steeds weer, als hierop gewezen wordt, de tegenwerping gehoord, dat bij zulk zoeken om door te stoten en de zielen a.h.w. op te jagen, met niet genoegzame tederheid en vertroosting de bekommerden en naar heil uitzienden geleid worden. Men zou hen terug stoten inplaats van hen te doen hopen op Gods heil. Verder meent men vaak te mogen komen met het verwijt, dat niet genoegzaam het vrije werk des Geestes geëerbiedigd wordt. De Heere is toch vrij in het wegschenken Zijner weldaden. Tenslotte wijst men met de bedoeling een tegenwerping te maken op het ingezonken leven, dat als een oordeel zich uitbreidt over de Kerk des Heeren. — Echter moet, om met het laatste te beginnen, geantwoord worden dat datgene, wat als een oordeel openbaar wordt, toch zeker als een oordeel zal moeten worden aanvaard. Doch die aanvaarding veroordeelt dan ook volkomen en werpt het oordeel als ónze zonde terug op ons hart, zodat we in deze geestelijke situatie geen rust kunnen vinden, maar uitgedreven worden om de Heere te zoeken en Hem te leven. Er wordt wat gebabbeld over een oordeel, zonder dat men in de verste verte er iets van begrijpt, wat het eigenlijk inhoudt. — Verder moeten we met alle kracht ontkennen, dat de vrijheid des Heeren in Zijn werken zou worden aangetast. Deze gedachte kan alleen maar postvatten, doordat men wezenlijk, meer of minder bewust, denkt en redeneert vanuit de wedergeboorte en die centraal stelt. Immers vanuit de wedergeboorte denkend, ziet men een weg voor zich, die voor de helft of voor driekwart is afgelegd, en nu zou men toch een groot kwaad doen, als men niet vertroostend trachtte bij te brengen, dat die ziel toch op de weg is en dat de Heere het verder zal maken, doch naar Zijn vrij welbehagen. — Hoe anders is het echter, als de rechtvaardiging centraal staat. Dan wordt de souvereiniteit en vrijheid Gods juist het meest geëerbiedigd in de heenwijzing naar Christus, opdat de ziel daar moge komen, opdat zij God vrij late en toch niet los kan laten. Daar zal Christus worden verheerlijkt. Immers, wie God waarlijk vrij leert laten, die wordt gezaligd. God heeft Zich, met eerbied gesproken, in Zijn vrijheid gebonden aan Zijn Woord, dat Hij de goddeloze rechtvaardigt. — Dat tenslotte de bekommerden op niet genoegzaam tere en vertroostende wijze zouden worden geleid, moet alweer ten sterkste worden ontkend. Weer moet worden gezegd, dat deze gedachte alleen op kan komen vanuit een te centraal stellen van de wedergeboorte. Ja, het leven, spreken en de zielszorg vanuit de rechtvaardiging, is wel een dodelijke ergernis voor ieder, die op zijn eigen krukken wil blijven voortstrompelen en zichzelf zo in het leven zoekt te behouden, doch de waarlijk bekommerde van hart wordt er door onderwezen, geleid en ook vertroost, want zijn hart wordt van zichzelf af gericht op Christus, in Wie alleen Gods deugden verheerlijkt worden. Dat leert hem zichzelf veroordelen, doch ook uitzicht krijgen op Gods heil en werkzaam zijn met de belofte naar Christus heen, opdat de gerechtigheid des geloofs de grondslag des harten worde voor God. Er zijn overvloedig rijke en lokkende heilstoezeggingen, die vanuit Christus de bekommerde vanwege zijn zonde en het naar heil dorstende hart tegemoet komen. Hoe kan men dan zeggen, dat de bekommerden niet genoegzaam vertroostend geleid worden? Juist zo worden ze waarlijk geleid en ontvangen ze vaak veel vertroosting uit Christus, waardoor ze des te meer in hun ver­legenheid naar God in Christus gaan dorsten, hun gemis verstaan en onderhandelingen met Jezus aanknopen om door de Deur in de stal der schapen gebracht te worden. Want, zo verstaan ze, wie door Hem ingaat, die zal behouden worden.

Wij menen, dat het ook voor het geestelijk leven in onze gemeenten grote winst zou brengen, als dit leven, denken en spreken vanuit de rechtvaardiging, hetwelk toch zo bijzonder het kenmerkende is van het reformatorisch getuigenis, meer onder ons gevonden werd. Het patroon voor wat we bedoelen vinden we zo duidelijk weergegeven in Calvijn's Institutie Boek III, Hfdst. XII. Boven dat hoofdstuk staat als opschrift : Dat wij onze harten tot Gods rechterstoel moeten verheffen, opdat wij met ernst overtuigd worden van de onverdiende rechtvaardigmaking. In zijn uiteenzetting daarvan wijst de hervormer er op wat de Majesteit Gods inhoudt en dat de zondaar moet opgeroepen worden daarheen zijn aandacht te richten. "Hierop" — zo roept Calvijn uit — , , ja, hierop moeten wij de geest richten, wanneer wij aangaande de ware rechtvaardigheid met vrucht een onderzoek willen instellen: hoe wij de hemelse Rechter moeten antwoorden, wanneer Hij ons ter verantwoording roept". Calvijn kent geen andere wijze van waarachtige vernedering, dan dat geheel arm en ledig aan Gods barmhartigheid wordt plaats gegeven. M.a.w. zolang we niet van Gods barmhartigheid in Christus leven, zolang zijn we niet waarachtig vernederd, hoezeer we ons ook nederig en bekommerd aanstellen. Calvijn haalt aan Jesaja 66 vs. 2 en 57 VS. 15 en merkt dan op: , , Wanneer ge zo dikwijls het woord verbrijzeling hoort, versta daaronder dan de wond des harten, die niet toestaat, dat de mens, die verslagen ter aarde ligt, zich opheft. Door zulk een verbrijzeling moet uw hart gewond zijn, indien ge met de nederigen naar Gods woorden, verhoogd wilt worden. Als dat niet geschiedt, zult ge door de machtige hand Gods vernederd worden tot uw schaamte en schande".

Dat verheffen van onze harten tot Gods rechterstoel is ons wel steeds weer nodig tot heil voor ons eigen leven, als ook tot gezegende leiding van anderen. Dan worden we ons ongetwijfeld steeds meer ervan bewust, dat in de weg van verlies van ons leven Het Leven verkregen wordt. Het gaat om de heerlijkheid der deugden Gods. Dat doet levensstromen opdrogen en stopt levensbronnen toe, doch opent uitzichten op ongekende mogelijkheden Gods. En we kunnen niet meer leven van onze standjes, doch alleen van de verheerlijking van Gods deugden in Christus, gelijk we daarin gezet werden in de verwisseling van staat: niet meer de staat van de goddeloze — de staat des toorns, maar de staat van de rechtvaardige door het geloof in Christus — de staat der genade. En ook de bekommerde bekent: Ja, dat is het. O God, mijn Helper uit ellenden ! Haast u tot mij ; wil bijstand zenden ; Uw komst is 't, die mijn heil volmaakt.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WEDERGEBOORTE EN RECHTVAARDIGING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's