ONDERWIJS
Zuid-Afcika (Transvaal)
IX.
In de grond der zaak beschouwden de Hollanders en vele der Afrikaanse Boeren de taalstrijd op de scholen als een bestaansstrijd, een strijd vóór of tegen de onafhankelijkheid. Anderen waren deze overtuiging niet toegedaan. Ze beschouwden het onderwijs in 't Engels als een noodzakelijk onderdeel om te komen tot meer en betere ontwikkeling, zonder dat 't voor hen een punt van overweging was, of dit met een onafhankelijk volksbestaan samenhing. Het gevolg was, dat de Kaapse onderwijzers in tal van plaatsen meer contact konden krijgen met de bevolking, dan de Hollanders.
Ook in de kerk speelde zich iets dergelijks af. De grootste Hollandse kerk in de Transvaal kreeg haar predikanten uit de Kaap of uit de Oranjevrijstaat. Deze waren alle opgeleid in Stellenbosch waar de Engels-Schotse invloed groter was dan de Nederlandse. Deze predikanten stonden aan de kant van de Kaapse onderwijzers met betrekking tot het Engels op de scholen. Hierbij moet ik er wel op wijzen, dat ze niettemin loyale onderdanen waren van de Zuidafrikaanse Republiek.
De predikanten van andere Hollandse kerken kwamen regelrecht uit Nederland of hadden hoofdzakelijk gestudeerd onder Nederlandse invloed uit Nederlandse theologische werken. Zij steunden de regering in de politiek van uitsluitende handhaving der Nederlandse taal op de scholen.
Langzamerhand werd de taalstrijd een strijd van ras tegen ras ; een strijd die in felheid toenam, naarmate de bevolking van de goudmijnen zich uitbreidde. Er werd zelfs niet geschroomd om tot daden over te gaan. Aanvallen werden gedaan op dr Mansvelt en op zijn secretaris, op inspecteurs en andere burgerlijke ambtenaren en op scholen en hoofden daarvan.
Zodoende gaf de taalstrijd oorzaak tot bittere vijandschap tussen mensen, die — en laten we dat niet vergeten — allen naar Zuid-Afrika waren gekomen met de beste bedoelingen, ter bevordering van de opvoeding der jeugd en ten dienste der Republiek als loyale burgers in elk opzicht. «
Deze gevoelens werden nog geaccentueerd door de politieke onrust, die er heerste. Het was al wel duidelijk, dat ernstige dingen stonden te gebeuren, toen het Engelse gouvernement militaire versterkingen zond naar de Kaap en naar Natal 1899. De Regering der Zuid-Afrikaanse Republiek beschouwde dit als een vijandige daad en eiste terugroeping van deze troepen. Aan deze eis werd niet voldaan en daarop brak de oorlog uit, die bijna 3 jaar duurde. 31 Mei 1900 trokken Britse troepen Johannesburg binnen en 5 Juni viel Pretoria. De Engelsen bezetten de regeringsgebouwen, ook dat van het Departement van Onderwijs.
Een groot aantal Hollandse ambtenaren en evenzeer van de Kaapse burgerlijke ambtenaren en onderwijzers voegden zich bij de Boerencommando's en streden tot het bittere einde voor de verdediging der vrijheid van hun aangenomen tweede vaderland.
Verscheidene onderwijzers werden als krijgsgevangenen meegevoerd naar de militaire kampen in India, Ceylon, St. Helena, Portugal of de Bermuda's. Daar begonnen ze al spoedig met het geven van onderwijs aan de jongere Boerenkrijgsgevangenen en probeerden op deze wijze om de algemene ontwikkeling van hun leerlingen onder wel zeer ongewone omstandigheden, op peil te brengen en te houden.
Voor we overgaan tot de beschouwing van het onderwijs in de Transvaal onder Engels bewind, moet ik nog vermelden een onverdacht en onpartijdig oordeel over de ontwikkeling van opvoeding en onderwijs onder Du Toit en Mansvelt.
Op de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1900 had Zuid-Afrika deelgenomen o.a. ook aan de Sectie Onderwijs en Opvoeding. Zowel met materiaal als met een uitvoerig verslag over de scholen. De Transvaal werd voor deze inzending de „Grand Prix" toegekend, zowel voor Lager als Voortgezet Onderwijs.
Tijdens de oorlog van 1899—1902 kwam er van het geregelde onderwijs weinig terecht. Bij het uitbreken van de oorlog waren de meeste leerkrachten zelf mee uitgetrokken. Eéii mijner oudpatroons, die in de negentiger jaren van de vorige eeuw als onderwijzer naar Transvaal was gegaan, heeft me wel eens verteld, dat hij ook op commando was gegaan, als secretaris van één der commandanten. Later evenwel was hij weer naar zijn schooltje op de boerenhoeve teruggekeerd en zo goed en zo kwaad als het ging met het onderwijs verder gegaan, voorzover de leerlingen op kwamen dagen. Van de oudere bleven velen weg, die óf al gesneuveld waren, óf nog op commando, of in een krijgsgevangenkamp, soms ver van het vaderland verwijderd.
Steeds meer echter drongen de Engelsen op en op zekere dag werd z'n school omsingeld, terwijl een Engels officier het schoollokaal binnenstapte. De kinderen waren juist aan het zingen van Psalmen en de officier vond dat Hollandse Psalmgezang heel mooi. Hij wilde ook nog de , , nationale zang", het volkslied horen, en daarna vertrok hij. Maar met het schoolhouden was het weldra afgelopen, de onderwijzer werd beschuldigd, dat hij door middel van kaffers in verbinding stond met de mobiele Boerencommando's en daarom werd hij gevangen genomen, na verhoor , , op parool" losgelaten, maar ten slotte op bevel van kolonel Baden Powel (u kent hem wel, hij was later de man van de padvinderij) uitgewezen en naar Nederland terug gezonden.
Intussen waren de beruchte concentratiekampen verrezen en duizenden vrouwen en kinderen werden daarin ondergebracht. Velen zijn er in omgekomen.
Toch is het eigenaardig, dat juist in de kampen voor het eerst weer sprake is geweest van geregeld onderwijs. Wel had generaal Methuen reeds in 1900 een school geopend in Zeerust, maar verdere pogingen in deze richting waren niet gedaan omdat het Britse hoofdkwartier zijn handen vol had aan de militaire operaties ; de Boerengeneraals zoals De Wet, Botha, De la Reij, Beijers e.a. voerden nog altijd hun heldhaftige strijd voor de vrijheid.
In het gevangenkamp bij Kaapstad begon een kampschool, waar ruim 100 jongeren van 15—22 jaar zo regelmatig mogelijk onderwijs ontvingen. Negen krijgsgevangenen gaven daar les en wel strikt „tweetalig". Eerst verklaarden ze iets in het Nederlands en herhaalden het dan in het Engels. Inmiddels had Gouverneur Milner een officier voor civiele zaken aangezocht om tijdens de oorlog in de reeds bezette en geannexeerde gebieden het onderwijs weer op gang te brengen. Toen deze de kampschool bij Kaapstad had gezien, kwam hij op het idee om ook in de concentratiekampen op deze wijze te beginnen. En dit idee werd uitgevoerd. Godsdienstonderwijs werd gegeven in het Nederlands en de andere lessen in het Engels. In Mei 1902, tegen 't einde van de oorlog, waren er 17000 leerlingen in de Transvaal en 12000 in de Oranje Rivier-kolonie. Dit was ruim 40% van al de kinderen, die binnen de schooUeeftijd waren. Ook werd opdracht gegeven, noodscholen te openen in de grotere centra, speciaal in Johannesburg. De grote moeilijkheid was het gebrek aan onderwijzers. In de kampscholen waren Hollandse onderwijzers, terwijl sinds Januari 1902 een gestadige toeloop begon van Engelse onderwijzers, eerst uit Groot Brittannië en daarna uit andere delen van het Britse Imperium, tot een totaal van + 300.
Met gelijke vriendelijkheid werden zowel de Hollandse als de Engelse leerkrachten verwelkomd door de Britse Onderwij sdirecteur. Hun werd gevraagd de onderlinge geschillen, zowel politieke als die met het oog op de voertaal, te laten rusten en elkander wederzijds te helpen om het onderwijs weer op gang te brengen.
Zo werden de kampscholen de gemeenschappelijke grond voor de samenwerking van Boer en Brit. Ongeveer een duizendtal onderwijzers waren in actieve dienst van het Departement van Onderwijs. Velen van hen waren van Nederlandse afkomst, maar wat het geven van onderwijs betreft, werkten zij samen met hun politieke vijanden.
Opvoeding en onderwijs waren noodgedwongen een gemeenschappelijke onderneming geworden, maar er moest nog heel wat water door de Vaalrivier stromen, voor en aleer spontane samenwerking in onderwij saangelegenheden mogelijk zou worden door de vrije en gelijke erkenning van beide talen als voertaal op de scholen.
31 Mei 1902 kwam het einde van de oorlog. Transvaal en Oranje-Vrijstaat waren een deel geworden van het , , British Empire".
De concentratiekampen werden geleidelijk opgeheven en de vrouwen en kinderen, die het kampleven hadden kunnen doorstaan, gingen weer naar hun eigen omgeving terug.
Nu kwam de moeilijke taak, om overal weer „farm schools", dat zijn scholen op de boerenhoeven, op te richten. Dit werd de taak van het Britse Gouvernement, waardoor al deze scholen Staatsscholen werden, waarvan de onderwijzers door het Gouvernement werden aangewezen. Dat werd voornamelijk voor de leerkrachten van Engelse origine een tijd, vol moeilijkheden. Ze werden uit het vertrouwde kampleven overgebracht in een omgeving op het platteland, waar de taal en de gewoonten totaal vreeind voor hen waren. Ze moesten trachten het vertrouwen van de ouders te winnen, hen in allerlei omstandigheden te helpen en alle vooroordeel betreffende ras en taal te laten vallen.
In de steden en dorpen was de zaak eenvoudiger en gemakkelijker. Zeer spoedig had elk dorp een Gouvernementsschool. In de steden Johannesburg en Pretoria waren eind 1903 reeds 45 en 14 Staatsscholen.
Maar terwijl in 1902 de kampscholen in de Transvaalse concentratiekampen 17000 leerlingen telden, waren er eind 1903 269 „farm schools" met 9000 leerlingen.
Waar bleven de andere kinderen? En van de onderwijzers der „oude garde" bleven weinigen in dienst van het Britse Onderwijsdepartement. Waar vonden zij voortaan hun taak?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's