WEDERGEBOORTE
Het woord wedergeboorte komt ook buiten het Nieuwe Testament voor en wel in verschillende betekenis. Het kan ons trouwens niet verwonderen, dat het in het N. T. een geheel eigen — laten wij zeggen : Schriftuurlijke zin heeft.
Een oude wijsbegeerte, n.l. die der Stoïcynen, welke, zoals men weet, ook in het N. T. genoemd worden naast de Epicureërs, gebruikte het woord wedergeboorte ook, maar dan in de betekenis van wereldvernieuwing. Zij leerden n.l. dat de geschiedenis verloopt in wereldperioden, die alle aan elkander gelijk zijn en volgens een mechanisch-causaalproces verlopen. Aan het einde van iedere periode zouden alle dingen in een wereldbrand ondergaan om dan weer vernieuwd te voorschijn te komen om in dezelfde volgorde en wisseling als de vorige te vergaan.
Deze wereldvernieuwing na iedere periode noemt de Stoa dus wedergeboorte.
Een andere Griekse school gebruikte het woord in verband met een gedachte, die men het best kan vergelijken met reïncarnatie of zielsverhuizing.
De overgang van de ziel in een ander lichaam werd in deze wijsbegeerte wedergeboorte genoemd.
Overigens komt het ook in Oosterse godsdiensten, met name in de mysteriën, voor en wordt dan met godwording en onsterfelijkheid in verband gebracht.
In het N.T. heeft wedergeboorte echter een geheel eigen betekenis, n.l. die van innerlijke vernieuwing des harten, welke gepaard gaat met een radicale verandering van gezindheid, een ommekeer des harten, waardoor het op God wordt gericht en deel krijgt aan de geestelijke dingen.
Om iets van de wedergeboorte in Schriftuurlijke zin te verstaan, moet men eerst de ernst kennen van het woord : , , Niemand is goed tot niet één toe." Niemand is er, die eigener beweging God zoekt (vgl. Ps. 14 : 2 en 53 : 3).
Daarom hebben wij daarop in het voorafgaande nadrukkelijk gewezen.
Men kan van wedergeboorte niet spreken, als niet eerst wordt verstaan, hoe diep het verderf der zonde is doorgedrongen in ons leven. De mens leeft daarom niet het leven, dat hij leven moest. Hij leeft een verloren leven, een leven, dat zich voltrekt in ongerechtigheid en ijdelheid, omdat hij zich zelf leeft en niet Gode.
Uit geestelijk oogpunt beoordeeld is de mens dood. Geschapen om te leven in gemeenschap met Zijn Schepper, om van Hem geleerd te worden, door Hem geleid te worden naar zijn eeuwige bestemming, heeft de mens zelf die gemeenschap en omgang verbroken en doolt in het duister als een blinde, die tast naar de wand. Geestelijk is hij dus gestorven en bovendien ligt hij onder de toorn Gods.
Wat zou er nu gebeuren, als God ons liet, zoals wij in onze zonde zijn, als Hij niet naar ons omzag ?
Wel dan zouden wij in onze zonden blijven en onder de toorn Gods sterven. De verzondiging van ons ganse bestaan zou het einde zijn en daarom zou een eeuwig oordeel ons treffen.
En hoe anders kunnen wij uit zulk een staat worden verlost dan alleen als dezelfde God, die ons heeft geschapen en Zijn oordeel over ons heeft uitgesproken, niet alleen wil aflaten van Zijn toorn, want ook daarmede blijven wij in onze verdorven natuur, onbekwaam tot deze dingen Gods, maar ons ook wil opwekken tot een nieuw leven. Wie zal voorts onderstellen, dat wij — stel, dat God Zijn toorn over ons wegnam — lust zouden krijgen in Zijn dienst ?
Alleen gebrek aan zelfkennis en misleiding kan onderstellen, dat wij de Heere zouden eren, vrezen en dienen, als Hij zonder meer vergeving schonk en Zijn straffen voor tijd en eeuwigheid introk.
Zo kunnen ook alleen zij redeneren, die de God der Schriften niet kennen. Doch dat gaat altijd samen. Godskennis en zelfkennis zijn zo nauw verbonden, dat het een zonder het ander niet voorkomt, maar daarom gaat gebrek aan Godskennis ook altijd gepaard aan gebrek aan zelfkennis en omgekeerd.
Zij, die dan ook de mond vol hebben van de vergeving der zonde ook al zeggen zij daarbij om Christus' wil, en niets weten willen van wedergeboorte, hebben nog niet verstaan, wat het betekent als Paulus zegt, dat wij vergeefs geloofd hebben als Christus niet is opgestaan en dat wij dan nog in onze zonden zijn. (1 Cor. 15 : 17).
Wat wij nodig hebben is nieuw leven, levensvernieuwing niet uit en door ons zelven, zoals de heidenen zoeken, maar door de herscheppende daad Gods.
Niet een ingieting van genade, waardoor iets zou worden toegevoegd aan het oude, neen, neen, dat oude moet nieuw worden. Dezelfde oude mens, de mens uit Adam geboren, de , , natuurlijke" mens, zoals de Statenvertaling vertaalt, diezelfde moet een nieuwe, een geestelijke mens worden.
De nieuwe, de geestelijke mens wordt dus ook niet geboren in de oude mens, zodat hij een nieuwe mens in de oude mens zou worden, zodat de oude en de nieuwe mens als een soort tweeling naast elkander zouden bestaan. Zo is het ook niet.
Ook is wedergeboorte niet een werk Gods, dat buiten de mens blijft, zodat de oude mens op aarde wandelt zonder vernieuwing in zich zelf, terwijl de nieuwe mens hem zou wachten in de dag der eeuwigheid.
Sommigen schijnen in zulk een richting te denken, wijl zij alle geestelijke werkelijkheid in deze wereld uitsluiten en verschuiven naar een nieuwe eeuw.
Neen, het is de oude mens, die wordt wedergeboren door de werking van de Heilige Geest tot een nieuwe mens. De wederbarende Geest Gods doet dit wonder aan de oude mens, waardoor nieuw leven in hem wordt gewekt, herscheppend leven, zodat de oude mens in een nieuwe wordt veranderd. De oude versterft, de nieuwe mens wordt opgewekt.
Daarom houdt de wedergeboorte onmiddellijk verband met de opstanding van Christus, gelijk ook de Schrift spreekt van de gemeenschap Zijner opstanding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's