De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WEDERGEBOORTE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WEDERGEBOORTE

7 minuten leestijd

De leer der wedergeboorte stelt de persoonlijkheid des geloofs op de voorgrond. Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij zal het' Koninkrijk Gods niet zien. Aangezien de Reformatie kwam met het sola fide, de mens wordt gerechtvaardigd door het geloof alleen, moest ook de noodzakelijkheid der wedergeboorte en het persoonlijke karakter der Christelijke religie op de voorgrond treden. 

De rechtstreekse en persoonlijke band der ziel met God door de Middelaar Christus en door Zijn Woord, zo klonk de prediking der Reformatie.

Het Woord, de Heilige Schrift, kwam in het centrum te staan, de kansel midden in de kerk, en niet aan de kant, en het misoffer afgeschaft. De Heilige ! Schrift vóór de kerk en het woord vóór : het sacrament. De kerk is geen heilsinstituut, geen ziekenhuis. Het is niet zó, dat het zijn bij de kerk, en in de kerk : als zodanig de zaligheid schenkt. Niet zó, dat de kerk is ontstaan bij de zondeval, dat zij de zieken opneemt om die te ! genezen, en dat zij, die niet in het ziekenhuis komen, dus ook niet gezond kunnen worden.

De Lutheranen hebben dit laatste beeld van Luther overgenomen en men kan het ook bij Hollandse theologen vinden, die het wederom van de Lutheranen hebben overgenomen.

Reeds eerder hebben wij er op gewe­zen, dat de Lutheranen in verschillend opzicht het reformatorisch standpunt hebben verlaten en dat de Lutherse theologie in de laatste eeuw op dezelfde punten de echt vaderlandse, de gereformeerde theologie heeft bedorven en zich niet weinig bevorderlijk toont aan de ontwikkeling van sacramentalisme en verroomsing.

Het is volkomen onschriftuurlijk en ook tegen de gereformeerde belijdenis in de kerk te laten beginnen bij de zondeval en hoewel de kerk met enig recht en in zeker opzicht bij een ziekenhuis  kan worden vergeleken, mag men dat toch niet zo nemen, alsof men bepaaldelijk tot een kerk moet behoren, in het ziekenhuis moet zijn, om de zaligheid te beërven.

Intussen hebben wij met deze kwestie reeds iets van de moeilijkheden kunnen gevoelen, welke de reformatorische boodschap heeft medegebracht. Het Woord, de Heilige Schrift, in het centrum, midden in de samenkomst der gemeente, vóór de kerk en vóór het sacrament. Geen sacramentele plaats, geen heilig huis, maar, waar het Woord Gods is, waar het gepredikt wordt, daar is de kerk. Op een zolder, in een schuur, op een akker (denk aan de hagepreken), waar het Woord is, daar is de kerk.

Voorts Woord en Sacrament behoren bij elkaar. De bediening van het sacrament is dienst des Woords in een aanschouwelijke gestalte der tekenen.

Dat was alles wel heel anders als de mensen gewoon waren in de Roomse kerk, die immers het heil aan de kerk en aan het sacrament verbindt.

Het is trouwens heel duidelijk, dat iemand, die het rein geestelijk karakter van de Christelijke religie verstaat, de binding aan kerk en sacrament gemakkelijk loslaat, juist, omdat hij geleerd heeft, dat de dingen van het Koninkrijk Gods geestelijk worden onderscheiden. De geestelijke dingen kunnen niet worden opgesloten in brood en wijn.

Zozeer waren sommigen onder de indruk van het rein geestelijk karakter van de religie van Christus, dat zij in het geheel geen plaats aan kerk en sacrament wensten toe te kennen.

Wij hebben allen van de Wederdopers gehoord. Zij verwierpen kerk en sacramenten als genademiddelen. Zij daarentegen stelden de wedergeboorte afhankeiijk van actief geloof en bekering. Vandaar, dat zij de Doop eerst toedienden op grond van persoonlijke belijdenis en vandaar ook de naam Anabaptisten of Wederdopers,

Het bracht weer zijn eigenaardige reacties mee, omdat het te ver ging naar het oordeel van alle degenen, die daartegen bezwaar hadden en de consequenties niet weristen te volgen om de kinderdoop af te wijzen.

Zo verdedigden de Lutheranen de kinderdoop door te beweren, dat kinderen juist gedoopt moeten worden om het geloof te verkrijgen. De kracht des Heiligen Geestes verbindt zich met het doopwater, zo leerden zij. De genade, welke in de Doop geschonken wordt, bestaat in de gave des geloofs, de vergeving der zonden en het eeuwige leven. Voor de kinderen, die vroeg sterven is dat genoegzaam.

De door de Doop ontvangen genade kan echter, zo leerde men, op verder gevorderde leeftijd verloren gaan, als de mens zich deze genade niet toeeigent door geloof en bekering. En ook, indien zulks wel het geval is, blijft het nieuwe leven toch verliesbaar. (Vgl. dr. H. Bavinck Gereformeerde Dogmatiek IV, blz. 31).

Het zwakke van heel deze redenering treedt onmiddellijk aan de dag. De wedergeboorte wordt door de Luthersen afhankelijk gemaakt van de Doop en van de kerk.

Wij ontkennen niet, dat ook bij de gereformeerde belijdenis de moeilijkheid, waarvoor de Luthersen stonden, aanwezig is en ik beweer niet, dat deze alleszins bevredigend is opgelost door de gereformeerde theologen, doch zij gingen niet in de weg der Lutheranen.

Geloof en wedergeboorte worden door hen heel nauw verbonden. Calvijn spreekt zelfs van wedergeboorte door het geloof.

Christus schenkt de vernieuwing des levens en de genadige verzoening door het geloof (Calvijn III, 3.1). De boetvaardigheid wordt geboren uit het geloof. Zij gaat niet aan het geloof vooraf, zoals sommigen menen. De oorsprong der boetvaardigheid dus in het geloof. De mens kan zich niet met ernst op de boetvaardigheid toeleggen, tenzij hij weet, dat hij God toebehoort, zegt Calvijn. Er kan immers geen oprechtheid ontvangen worden, waar de Geest niet heerst, zo verklaart hij verder. Derhalve is het wel heel duidelijk, dat hij het geloof toeschrijft aan de werking des Heiligen Geestes. Als hij dus over de boetvaardigheid spreekt, zouden wij van de ontdekkende werking des Heiligen Geestes spreken, die berouw en verootmoediging voor God wekt. Maar dit valt voor Calvijn onder het geloof en ik moet het daarin met hem eens zijn.

De boetvaardigheid bestaat verder uit twee stukken : de doding en de levendmaking. De Catechismus spreekt dus in dezelfde zin van bekering als Calvijn van boetvaardigheid (vgl. Cat. Zondag 33).

De boetvaardigheid wordt door Calvijn dan ook over een leven uitgestrekt, d.w.z. de bekering in die tweeërlei zin : afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens, is een oefening des geloofs voor het leven.

Daarom zegt deze leermeester der Reformatie ben ik het niet eens met de Wederdopers, die de boetvaardigheid tot een oefening van enkele dagen willen maken.

Onder de opstanding in een nieuw leven wil Calvijn dan verstaan hebben de „begeerte om heilig en vroom te leven, welke ontstaat uit de wedergeboorte".

Hij voegt daaraan toe, dat anderen twee vormen van boetvaardigheid onderscheiden, n.l. de boetvaardigheid der wet en de boetvaardigheid van het evangelie. 

Toch heeft Calvijn bezwaar om geloof saam te vatten onder boetvaardigheid (Inst. III-3.5) en wel op grond van Hand. 20 : 21, waar Paulus spreekt van boetvaardigheid tot God en gelooi in Jezus Christus.

Toch is er geen ware boetvaardigheid zonder geloof. Zij zijn voortdurend onderling gebonden. De hope is niet zonder geloof, en toch zijn hope en geloof verschillende dingen.

Zo ook boetvaardigheid en geloof. Geen boetvaardigheid zonder geloof, maar daarom is geloof ook niet het laatste deel der boetvaardigheid.

Boetvaardigheid wordt door Calvijn dan ook omschreven als : de ware bekering van ons leven tot God, die voortkomt uit een oprechte en ernstige vreze Gods, en die bestaat uit de doding van ons vlees en de oude mens, en in de levendmaking des geestes.

Een eindweegs verder in zijn verhandeling (Inst, III-3, 9) zegt Calvijn dan : In één woord gezegd : ik versta onder boetvaardigheid de wedergeboorte, die geen ander doel heelt dan dat Gods beeld, dat door Adams overtreding bezoedeld en bijna uitgewist was, in ons hersteld wordt.

Bedenken wij nu, wat Calvijn heeft gezegd omtrent de verhouding van geloof en boetvaardigheid, dan geldt datzelfde voor die van geloof en wedergeboorte. Geloof en wedergeboorte zijn niet te scheiden, maar zij zijn niet hetzelfde. Zij zijn verschillende dingen, en toch onderling verbonden.

Over de verhouding van Doop en wedergeboorte, waarover zo straks werd gesproken, zijn de Gereformeerden niet tot een bevredigende beantwoording gekomen. De kracht des Heiligen Geestes werd niet aan het sacrament gebonden, maar hoe staat het dan met de wedergeboorte der jonge kinderen ?

Wij hebben daarover al eens eerder gehandeld, doch het kan zijn nut hebben nog eens de aandacht op verschillende punten te vestigen van uit de ge­reformeerde theologie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WEDERGEBOORTE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 april 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's