De nieuwe weg
FEUILLETON
Vervolgverhaal
door J. W. OOMS
De landmeters, de zandlossers en de opzichters zagen soms grimmige ogen op zich gevestigd ; ze werden zwijgend nagestaard, alsof zij bittere vijanden waren van de mensen in deze contreije.
Er was geen boer, die op enigerlei manier ook maar de minste medewerking wilde verlenen. Stelde een opzichter of een ingenieur aan iemand een vraag, dan was het sombere bescheid, dat hij het zelf maar uitzoeken moest. Werd voor het een of ander de hulp van een boer ingeroepen, dan was steevast het antwoord :
, , Wij hebben jullie niet geroepen en hulp of raad moet je dus niet verwachten."
Soms werd het een boer te machtig. Dan gebeurde het, dat zo iemand op zijn land stond en zonder een woord te zeggen zijn handen balde in de richting van de grote zandhopen.
Het kwam ook voor, dat de landmeters, die paaltjes hadden uitgezet voor bestek en profiel van de nieuwe weg, de volgende dag dé ontdekking deden, dat de paaltjes verdwenen waren. Later werden ze terug gevonden, drijvend in een sloot, of ergens op een hoopje gegooid, verloren in het polderland.
Maar de bitterheid kwam pas recht openbaar, toen er keten en opstallen geplaatst werden en troepen wildvreemde polderwerkers afkwamen en onderkomen vonden in die keten. Het werd menens met de nieuwe weg, dat werd iedereen duidelijk. Allen, die nog in de stille hoop geleefd hadden, dat in Den Haag op het laatste nippertje de plannen veranderd zouden worden, zagen thans, dat er niets meer aan te doen was en dat de nieuwe weg er komen zou.
Door al dat vreemde werkvolk, al die drukte ook van auto's en walsen, kreeg men de gedachte, dat de dorpen in deze buurt in bezit genomen waren door vreemden. Het eigen vertrouwde leven scheen te verdwijnen en op te gaan in de luidruchtigheid van die vreemde mensen.
, , Onze Waard is eensklaps de Waard niet meer, " klaagde een boer. , , Moeten wij dan maar stil toezien, hoe men ons land en onze buurtschap gaat verhaspelen ? Als mijn vader er weet van had — en jullie weten toch, dat hij vierendertig jaar met ere in het polderbestuur gezeten heeft — hij zich zou schamen voor het geslacht van heden, dat al deze dingen zomaar toelaat en er niet driest tegen in 't geweer komt."
, , En jij dan, Tinus, wat doe jij er tegen ? " zo werd hem gevraagd.
, , Niks, " moest hij schaamtevol erkennen. , , Niks, want ik voel dat ik machteloos ben tegen de nieuwe geest en de moderne tijd, die goed koeienland opoffert aan een weg, waar auto's over kunnen snorren. Maar de fout zit niet bij ons, de fout zit in Den Haag."
No. 10 (Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's