De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE UITNEMENDE GROOTHEID ZIJNER KRACHT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE UITNEMENDE GROOTHEID ZIJNER KRACHT

11 minuten leestijd

En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht. Die Hij gewrocht heelt in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt Efeze 1 vs. 19, 20a.

De apostel Paulus is Gode dankbaar voor zijn lezers. Dat is te verstaan, want hij heeft gehoord van hun geloof en van de liefde onder de heiligen. Dit wil intussen niet zeggen, dat aan de gemeente niets meer ontbreken zou. Hun kennis van Gods werk in Christus is waarlijk nog wel voor vermeerdering en verdieping vatbaar. Dat spoort de apostel aan tot gebed. Hij smeekt dat de Heere hen geve de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis : namelijk verlichte ogen des verstands, opdat zij mogen weten, welke zij de hoop Zijner roeping en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijft erfenis in de heiligen. Ook vraagt hij, dat ze meer mogen kennen de goddelijke kracht aan allen, die geloven. Over dit laatste handelt de tekst. Om een tweetal redenen is dit gebed noodzakelijk. In de eerste plaats is Gods kracht zo vaak een verborgen kracht. Ze loopt bij de gelovigen lang niet altijd in 't oog, want ze wordt bedekt door de zwakheden van ons vlees. Ja, de gelovigen zien zelf die kracht niet altijd. In de tweede plaats worden er in Efeze 1 geweldige dingen gezegd met betrekking tot de gelovigen. Maar ach, wat moet daarvan terecht komen als de gelovigen zien op eigen kwijnend vlees, op hun zwakke krachten, op het graf, dat ze tegemoet reizen. Dan is het nodig te worden gewezen telkens weer en te ervaren iedere dag opnieuw, dat er almachtige genade is en een alvermogende kracht Gods. De apostel stapelt dan ook de woorden op elkander om maar enige indruk te geven van het geweldige, waarover het gaat. Hij roept als 't ware uit, dat God wat kan en wat doet aan de gelovigen. Aan die allen werkt Hij met de uitnemende grootheid Zijner kracht. Uitnemende grootheid, dat is alles overtreffende mogendheid, waarmee niets te vergelijken is. Om nu te laten zien hoe uitnemend groot die kracht wel is, wijst hij er op hoe de sterkte Zijner macht werkte in de opstanding van Christus. In die opstanding werd Gods geweldige macht geopenbaard. We zien dat de apostel een onverbrekelijke band ziet tussen de kracht Gods in de opstanding van Christus en de kracht Gods in de ge­lovigen. De opstanding van Christus is de bron van kracht voor het opstandingsleven der gelovigen. De kracht die in Christus' opstanding werkt, is de kracht, die ook werkt aan de gelovigen. De kracht die in de gelovigen werkt, kan dan ook afgemeten worden aan de kracht, die in Christus werkt. En aan de kracht die in Christus werkt, kan gezien worden welk een kracht er voor de gelovigen beschikbaar is.

Welk een kracht is dat dan niet ! Wat een tegenstand moest er bij Christus' opstanding overwonnen worden ! De duivel met al zijn trawanten spant zich samen om Christus in de dood te houden. Dan zou zonde, dood en duisternis triumferen. En wie zal hier redding brengen? Niemand. De discipelen kunnen Jezus niet opwekken, ze kunnen Hem alleen maar balsemen en begraven. Dan echter komt Gods machtsdaad. Hij verbreekt het geweld van de duivel, van de dood, de vijand, ook de vrome, eigengerechtige vijand. En Hij doet dat niet met bruut geweld, neen. Hij doet dat naar goddelijk recht. Want de wet is volbracht en het offer Gode opgedragen, onberispelijk. Nu zien we wat God kan. Zijn kracht is zó uitnemend groot, dat Hij de dood overwint.

Die doodverwinnende kracht werkt nu ook jegens de gelovigen. Van nature zijn ze dood door zonden en misdaden. Wandelen ze in de begeerlijkheden des vleses (Efeze 2). Er is sinds de val geen gemeenschapsleven met Hem, maar geestelijke ontbinding, tegenstand tegen God, vijandschap jegens 's Heeren recht en genade. Op allerlei wijze is er een handhaven van onszelf. Op goddeloze wijze, op nette wijze, op godsdienstige wijze (denk aan Saulus). En niemand is bij machte of gewillig eigen dood te overwinnen. Van nature wordt die dood niet eens gekend. De Heere der heerlijkheid hebben we er door aan 't kruis genageld. Wie zou die doodsmacht bij de zondaar overwinnen? Wij hebben elkaar te roepen. Dat is de eis en de ontferming van die God, Die nog middellijk werkt. , , Ontwaakt, gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten". Maar alle gezaligden samen kunnen een dode "niet levend maken. Kunnen de macht der duisternis in 't hart niet overwinnen. Hier nu kan alleen onze hoop gevestigd zijn op de uitnemende grootheid van Gods kracht. Hij heeft bij Christus de dood door Zijn Geest overwonnen. Met de kracht van die Geest trekt Hij in 't hart op tegen de macht van dood en satan. En die Geest heeft als wapen het Woord Gods, scherp gepunt en tweesnijdend. Wanneer de Heere zo gaat werken, dan komt Hij onweerstaanbaar en allesoverwinnend. De macht van satan, zonde en vlees wordt gebroken. Zie het aan Saulus, die dit schrijft. Dan moeten wij op onze zondeweg ophouden. Satan kan ons niet meer mee krijgen. De wapenen moeten we laten zinken. Daar liggen we, na langer of korter tijd: overmocht, verslagen. Nu zien we iets van onze doodsstaat, van onwil, onmacht en vijandschap. En nu gaan tevens de doodsbanden knellen.

Is dat bij ons reeds zo geworden ? Dat is niet aangenaam voor het vlees. Want ons eigen Ik wordt dodelijk getroffen. Maar toch zalig, wanneer dit geschiedt. Dan zult ge leren toestemmen dat die kracht Gods groot is, want — zo zegt ge — wat was harder dan mijn hart en bitterder dan mijn tegenstand? De Heere werkt echter voort. Niet alleen de dood wordt vernietigd, maar de dood wordt op zulk een wijze vernietigd, dat tegelijk het leven verworven wordt voor een zondig volk. Daarom gaat de steen van Jezus' graf en Hij, die dood is geweest, wordt opgewekt. De Heere betoont Zijn kracht als levenwekkende kracht. Het offer was immers goed. De Heere kan er geen aanmerking op maken, de duivel ook niet. Nu komen in de weg der gerechtigheid het leven en de onverderfelijkheid aan het licht. Wat een kracht. Christus verrijst uit de baren van Gods toorn, uit graf en satansmacht. Straks verschijnt Hij de Zijnen, Door niets en niemand is dit te verhinderen. In Hem rekent God af met duivel, dood, zonde en graf. Hij zet er een streep onder. Hij zet er Zijn voet op. De Levensvorst is overwinnaar door Godes uitnemende kracht. Hier is ook weer de maatstaf voor de kracht die werkt in de gelovigen als levendmakende kracht. Door de Geest wordt wat dood is levendgemaakt, wat hard is vermurwd, wat onwillig is gewillig, wat verdorven is gereinigd. Het stenen hart wordt veranderd in een vlezen hart. Door deze kracht worden wij zwakke mensen in eigen oog. Wij krijgen last van onmacht en vijandschap, 't Wordt een smeken om vrijmaking door 's Heeren kracht. Dat is de opstanding uit het zondegraf. Hoor de tollenaar; O God, wees mij zondaar genadig. Er komt honger en dorst naar de gerechtigheid van Christus. Het hart strekt zich uit naar de Borg. En 't wordt alleen, overreed door Geesteskracht, een rusten in het offer van Christus. Hiertoe gebruikt de Heere hetzelfde wapen, n.l. het zwaard des Woords. En dat kan omdat dit zwaard gedoopt is in het bloed van de Verlosser. Daarom doodt dit zwaard niet alleen, maar het maakt ook levend, zodat de ziel zich met alle ongerechtigheid leert keren naar Christus en Zijn gerechtigheid.

De uitnemende kracht des Heeren vermag dit. Weet gij dat reeds uit ervaring? Hebt gij door deze kracht uw zonde reeds leren kennen en bewenen? Hebt gij u al leren uitstrekken tot de Christus? Werd Hij u reeds tot een lust, terwijl de begeerte in u geboren werd datgene te doen wat Gode behaaglijk was? Dat is alleen het leven der verlossing. En dit leven der verlossing wordt door de Heere bewaard ten einde toe. Zijn kracht is ook bewarende kracht. In Christus wordt ons dit weer getoond. Hij is opgewekt, d.w.z. Hij is De Levende. De dood heerst niet meer over Hem. Dit nu wordt ook ervaren door de uitnemende grootheid van Gods kracht aan allen die geloven. Wat dunkt u, zou het niet nodig zijn dat het leven, door God gewrocht, ook door Hem in stand wordt gehouden? Denk maar eens aan de vijanden, die zich opmaken. Daar is Satan. Deze laat zijn prooi niet zomaar los. Hij komt met dreigingen en lokkingen. Daar is de wereld. Met vriendschap en vijandschap. Met kroon en kruis. Daar is vooral nog de zonde in het eigen hart. Lees Romeinen 7 maar eens. En van onszelf hebben wij geen weerstand. En dan, als God dan eens ophield met werken. Als Christus dan Zijn discipel eens losliet! Dan was het reddeloos verloren. Maar hoe komt Gods Kerk er dan door? Alleen door de rusteloze arbeid des Heeren. Alleen door de uitnemende grootheid Zijner kracht. Daarmee houdt Hij in stand wat Hij eerst wrocht. De olie des Geestes wordt steeds gegoten in het hart. En daarmee gaat Hij ook voortwerken aan wat Hij begon. De Geest hanteert daartoe steeds maar hetzelfde wapen. Daarmee blijft Hij verwonden, zodat de discipel gaande armer en kleiner en zwakker wordt, maar daardoor gaat Christus meer en meer groeien. Temidden der zonde wordt Hij meer gekend als het Lam Gods; temidden der zwakheid wordt Hij meer gezien als de Leeuw, die overwon; temidden van het gebrek in de woestijn wordt Hij meer begeerd en gesmaakt als het Brood des Levens. Door deze kracht maakt Hij de discipel een strijder om in te gaan; een bidder aan Gods genadetroon; een onderzoeker van Zijn getuigenissen. De Geest des Heeren blijft leiden, troosten, ondersteunen, vervullen. De gelovigen worden bewaard voor de erfenis. Hun lichaam wordt eens opgewekt tot heerlijkheid. Dat zal ook door niets verhinderd kunnen worden. Dit is gewaarborgd door Gods kracht.

Is die mens dan niet welgelukzalig, die al zijn kracht alleen van de Heere verwacht? Hoe zullen we deze sterkte nu als kracht Gods tot zaligheid leren ervaren? Paulus wijst ons daartoe allereerst op de opstanding van Christus als de bron van kracht. Die bron is er dus. Nu moeten wij echter met die bron worden verbonden. Uit die bron leren drinken. Er moet verbinding komen.

En deze komt er alleen door het waarachtig geloof. De tekst spreekt immers over degenen, die geloven. Dit nu moet ter harte worden genomen door allen die God vrezen. Er is zo vaak een verkwijnende ziel door ongeloof en kleingeloof. Dan wordt het oog verdonkerd en komt de moedeloosheid in het binnenste. Ook die aan eigen doodsstaat door Gods kracht voor 't eerst ontdekt worden, ervaren dit. Dan is er nog duisternis en vreze, omdat het nog niet geloofd kan worden dat Christus ook voor mij stierf. En wat te zeggen van allen, die niet anders doen dan zich tegen Gods kracht verzetten? Dan gaat ge, als ge u niet bekeert, met uw eigen kracht ten verderve. De grootheid van Gods kracht zal u dan moeten uitwerpen. Bedenkt dat. Opdat het nog tot de Heere uitdrijve met de bede, dat Hij aan u werke met Zijn kracht. Want het waar geloof is zelf ook een vrucht van de werking van Gods uitnemende kracht. Hem moet ge daarom te voet vallen. Dat Hij u zwak make in eigen oog, verbrijzeld van hart. Dat Hij uw Ik dode met Zijn zwaard. Want in deze weg wordt nog steeds ervaren dat het zwaard dan gedoopt is in het bloed, het verzoenend bloed van Christus. Dat is rijke troost voor allen, die Gods kracht tot verlossing hebben leren nodig krijgen voor 't eerst of bij vernieuwing. Schuif uw ledige vaten maar aan, opdat Hij ze vervulle. Kom als zwakke, opdat Hij Zijn kracht in uw zwakheid volbrenge. Als dat geschiedt en de Heere het geloof in u werkt waardoor ge op de Opgestane leert zien en uit Hem leert leven, dan zult ge 't mogen belijden, ondanks eigen zwakheid : de Heere zal het toch voor mij volenden. Dan behoort ge tot een volk, dat God dankt voor Zijn genade; dat God bidt: . verlaat niet wat Uw hand begon. Dat wij toe mogen roepen:

Wacht op de Heer', godvruchte schaar, houd moed, Hij is getrouw, de Bron van alle goed. Zo daal' Zijn kracht op u in zwakheid neer, Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE UITNEMENDE GROOTHEID ZIJNER KRACHT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's