De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

AANBIEDING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

AANBIEDING

9 minuten leestijd

Het woord aanbieden n.l. aanbieden van genade, aanbieden van het Evangelie, komt als zodanig in de Heilige Schrift niet voor.

Op zich zelf genomen kan dat reeds geen aanbeveling zijn voor het gebruik van deze term, hetwelk in het meergenoemd conflict in de Gereformeerde Gemeenten zo sterk naar voren trad. Reeds op een afstand kan men inzien, dat er nog in het geheel geen aanleiding is voor de vraag : aan wie wordt de genade aangeboden, als nog niet is uitgemaakt, of de woorden , , aanbieden", , , aanbieding", , , aanbod", wel rechtmatig worden gebruikt.

Hoewel schaars kan men dergelijk gebruik bij a Brakel vinden. In verband met de behandeling van het genadeverbond zegt hij, dat God zich , , aanbiedt" om God te zijn over een arm en boetvaardig zondaar. (Dl I, blz. 354).

Op blz. 367 noemt hij het Evangelie de , , aanbiedinge" van het verbond.

Nu zouden wij over een woord niet vallen, als het geen aanleiding gegeven had tot kerkelijke ongerechtigheden, waarbij bovendien niet het aanbieden, d.i. het aangeboden worden der genade in kwestie was, maar de vraag, aan wie de genade aangeboden zou worden.

Een ieder, die een klein beetje thuis is in de aangelegen vraagstukken, begrijpt, dat hier de leer der praedestinatie haar invloed doet gelden. Wordt de genade aangeboden aan allen, die onder de prediking zitten, of wordt zij alleen aan de uitverkorenen aangeboden.

Wat deze zaak er toe doet ?

En dat toch de uitverkorenen alleen zalig worden ?

Nu juist, dat is het!

Stel, dat God de genade aanbiedt, d.w.z. door de dienaren des Woors laat aanbieden zodat deze wijze van uitdrukken geen bezwaar zou zijn, dan zou deze aanbieding door de uitverkorenen, met een aanvaarden worden beantwoord, maar dan ook alleen door de uitverkorenen.

Zij echter zouden de aangeboden genade slechts aanvaarden door de drang van de Heilige Geest en niet eigener beweging.

Goed zult gij zeggen, immers een mens wil niet van genade leven, tenzij God hem te sterk is geworden.

Dat zijn wij eens.

Maar vindt gij nu reeds in dit verband gezien, het woord aanbieden op zijn plaats ?

De Heere beveelt, dat Zijn Evangelie zal gepredikt worden aan alle creaturen. Hij wil, dat de Christus, welke ons in de Evangeliën wordt voorgesteld, alom wordt gepredikt, d.i. dat van Hem wordt getuigd. Hij wil, dat het wordt verkondigd d.i. bekend gemaakt, overal : Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. (Joh. 3 : 16).

Zijn eniggeboren Zoon gegeven ! Is dat dan geen aanbieding ? Is het althans niet geoorloofd van aanbieding te spreken ?

Neen, neen ! Geven en aanbieden is niet hetzelfde. Deze beide werkwoorden onderstellen geheel andere verhoudingen. Als God Zijn Zoon heeft gegeven, is dat een vrije genadedaad Gods. Hij heeft het Kruis opgericht midden in onze geschiedenis en de mens heeft daarmede te rekenen. Hij kan aan het Kruis niet straffeloos voorbij gaan !

Of zoudt gij menen, dat God Zijn Zoon gegeven heeft en aan het vloekhout op Golgotha overgaf, om het verder aan onze menselijke beleefdheid over te laten, of wij Gods Zoon als onze Middelaar willen aannemen of niet ?

Het schijnt wel, dat sommige mensen dat denken, alsof zij een soort medelijden willen wekken : , , Dat deed Hij voor u, wat doet gij voor Hem ? " Welk een misverstand ! Meent men, dat wij de hoge God iets kunnen aanbrengen ? Dat wij Hem iets zouden kunnen geven als een soort tegenprestatie ?

Maar daarom ook, omdat wij niet aan het Kruis kunnen voorbijgaan, omdat het niet van onze beleefdheid afhankelijk is gesteld, of wij de Christus aannemen of verwerpen, daarom kan men b.v. niet zeggen, dat God op Golgotha iets aanbiedt.

Alzo heeft Christus ons niet geleerd. Hij nodigt, die vermoeid en belast zijn, en belooft hun rust te geven, maar Hij nodigt als een Koning. Als de schare, die Hem om de spijze volgt, die vergaat, vraagt Hij aan Zijn discipelen : , , Wilt gij ook niet heengaan ? "

Teder en vol liefde ontvangt Hij de arme, de blinde, de zondaar, die tot Hem komt, maar, als de Farizeërs met Hem twisten, moeten zij horen, dat Hij hen duivelskinderen noemt.

Christus is niet gediend van ijdele eer: , , Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere Heere, zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar, die daar doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is". (Matth. 7 : 21).

Niets moeten wij zozeer van ons weren dan ons een vals beeld van Christus te maken in de plaats van die Christus, die ons in de Evangeliën wordt voorgesteld. 

De mensen, die Christus hebben gekend, toen Hij op aarde was, vergeleken Hem bij Jeremia en Elia. Zijn rede was dikwijls hard. Wie kan dan zalig worden ? 

Wat bij de mens onmogelijk is, is mogelijk bij God. (Matth. 19 : 26). Is het met dit alles te verenigen, dat Christus Zijn genade zou aanbieden, of dat God Zijn genade zou aanbieden, zodat het aan ons stond om te aanvaarden of te weigeren en de aanbiedende God te laten staan als in verlegenheid ?

Dat is toch zeker gans onverenigbaar met Zijn majesteit en heerlijkheid? Op dezelfde grond wijst a Brakel ook een uitwendig verbond af. (Vgl. I, blz. 373). Hij acht dit ook in strijd met Gods heiligheid.

Het zal nu duidelijk beginnen te worden, waarom wij de ganse voorstelling van een aanbieden des Evangelies, der genade, van de Christus, laken en uit de dogmatiek zouden willen verwijderen.

Dat aanbieden doet aan de souvereine Majesteit Gods te kort, is menselijke redenering en schrijft de mens te veel toe.

En nu zal men ook verstaan, dat wij met van de uitwendige roeping te spreken, wel niet precies voor dezelfde, maar toch aanverwante, moeilijkheden komen : Of Gods roepen is deels vergeefs en machteloos, omdat de mens de kracht der roeping verijdelt, of God roept zonder het echt te menen. Het is beide in strijd met de heiligheid Gods.

Die moeilijkheden betreffen de leer van een uitwendig verbond, van uitwendige roeping, aanbieding der genade e.d.g.

Is het dan niet zo, dat God beveelt het Evangelie te prediken aan alle creaturen ?

Is het dan niet, dat Hij nodigt ? Zeker, Flij nodigt, die vermoeid en belast zijn. Hij nodigt, die hongeren en dorsten: „Kom tot de wateren". Hij spreekt zalig, niet maar zo in het algemeen, maar de armen van geest, de zachtmoedigen e.a., altijd geroepenen, aangeduiden, uitverkorenen, niet uitwendig onderscheiden en getekend, zodat wij ze zouden kennen, maar door God gekend.

Zegt Hij niet tot degenen, die zich er op beroemen in Zijn Naam geprofeteerd te hebben, krachten gedaan te hebben : , , Ik heb u niet gekend ? " (Vgl. Matth. 19 : 22).

Christus beveelt Zijn Evangelie te prediken aan alle creaturen, doch daarin is geen aanleiding om te onderstellen, dat Hij het zo maar in het algemeen aanbiedt, aan de goede of de kwade wil van een in zonde gevallen mens overgeeft.

Dat is reeds in strijd met de Schrift zelf, die zegt, dat het Woord Gods niet ledig zal wederkeren, maar alles doen zal, waartoe God het zendt. (Jes. 55: 11).

Maar, waarom zeggen de mensen het dan ?

Omdat zij het, of zo niet bedoelen en het derhalve anders moesten zeggen, of, omdat zij van de mens uit redeneren.

Maar, Schriftuurlijk is het niet, zoals gij ziet.

Hoe het dan wèl moet worden gezegd ? Dat moeten wij dan trachten te vinden.

Geroepen staat in het Nieuwe Testament doorgaans gelijk met uitverkoren. Daarom hebben wij voorgesteld om het werkwoord roepen, roeping en geroepene alleen in krachtdadige zin te gebruiken.

Nu is er een gebruik van het woord roepen, ook in de Heilige Schrift, in de heel gewone zin van iemand roepen, en van iemand ergens toe uitnodigen, b.v. tot een maaltijd, of een bruiloft. (Matth. 22. Lukas 14). Een vergelijking met Openb. 19 : 9 doet wellicht niet ten onrechte vermoeden, dat deze gewone spreekwijzen de weg wijzen naar de inzonderheid Christelijke betekenis van het woord roepen, dus in krachtdadige zin.

Hoe komt men er echter toe om van uitwendige roeping en van aanbieding te spreken, om van uitwendig verbond voorlopig nog te zwijgen?

Als wij van uit de vrij machtige daad Gods uitgaan, die het Evangelie in de wereld heeft gezet, en beveelt om het alom te prediken, opdat Zijn Woord doe, waartoe Hij het zendt, hebben wij nog niet het recht om dat een aanbieding van Gods genade te heten.

En dat zeker niet, als wij deze dingen zien in het licht der verkiezing.

Daarmede is althans formeel heel de kwestie van het aanbod der genade en aan wie? weggevallen.

Waarom men er toch van gesproken heeft?

Om een relatie van de mens in het algemeen tot het Evangelie te verklaren. En zulk een algemene relatie is er!

Zij is er echter niet krachtens een algemene roeping Gods ter zaligheid, die niet door de zaligheid van allen wordt gevolgd, maar die algemene betrekking moet er zijn krachtens de praedestinatie, welke zowel over de verkiezing als over de verwerping gaat.

De grond van die algemene betrekking tot het Evangelie ligt niet in een z.g. uitwendige roeping, of aanbieding der genade, maar in de betrekking van de mens tot God krachtens zijn schepping.

Is de mens niet in zodanige levensrelaties tot zijn Schepper gezet, dat hij Zijn- Woord nodig heeft als brood? Heeft de Christus niet betuigd, dat hij bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle Woord, dat de mond Gods uitgaat? (Matth. 4 VS. 4).

Zo is er dus krachtens de schepping een levensbetrekking van de mens tot het Woord Gods, en uit dien hoofde dus ook tot het Evangelie.

De mens is als schepsel Gods, ja, naar den beelde Gods geschapen, tot gehoorzaamheid aan Gods Woord gehouden.

Dit alleen kan de inhoud zijn van wat men wil verklaren in een uitwendige roeping en roeping betekent dan niet geroepen worden, maar de plicht, het ambt, de vocatie hebben om te horen en te gehoorzamen.

ledere mens, tot wie het Evangelie komt, heeft de plicht, de roeping (en nu heeft het woord een andere betekenis dan krachtdadige roeping) om dat Evangelie, zijnde Gods Woord, ter harte te nemen, omdat hij mens is, omdat hij naar Gods beeld geschapen is, omdat hij onder de eis van Gods Woord staat.

Daarom veroordeelt het hem, als hij niet hoort. En hij wil ook niet, want hij heeft geen lust in de dienst des Heeren en hij verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, zodat hij ondanks de vermaning van het Evangelie volhardt in zijn onbekeerlijke wandel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

AANBIEDING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's