Wedergeboorte-beschouwingen
I
Het is thans niet onze bedoeling het leerstuk der wedergeboorte als zodanig te behandelen, maar we willen stilstaan bij bepaalde wedergeboorte-beschouwingen.
Als twee mensen hetzelfde zeggen, bedoelen ze nog niet altijd hetzelfde. En dat is ook het geval met het woord wedergeboorte. De één verstaat er dit onder en de ander dat. En nu bedoelen we het niet in de brede zin, dus over de gehele linie der theologische richtingen van uiterst rechts tot uiterst links, maar zoals er in onze kringen over gedacht en gesproken wordt, en ook over ge schreven wordt. Als we hier en daar eens rondneuzen en het oor te luisteren leggen, dan blijkt wel, hoe verschillend het woord wedergeboorte gevuld wordt. Ieder heeft er zo zijn eigen gedachten over en redeneert dan weer vandaar uit verder. Het is dan ook geen wonder, dat in de gemeente er ook allerlei verwarring zich voordoet en dat over het algemeen de heldere beseffen ontbreken.
We willen beginnen met twee opvattingen van wedergeboorte weer te geven, die in onze aemeenten aevonden worden, althans door mij zijn aangetroffen. Tegen beide hebben we bezwaren.
Die we ook onder woorden willen trachten te brengen. Daarna willen we de naar onze mening juiste opvatting der wedergeboorte trachten weer te geven. Het gaat dan om de wedergeboorte in engere zin, of wel het eerste stadium der wedergeboorte.
De opvatting van de wedergeboorte, die het meest voorkomt, is, dat zij het begin is van het nieuwe ingestorte leven, waardoor de zondaar van dood levend wordt, van blind ziende, van doof horende, nieuwe hoedanigheden ontvangt, waardoor hij anders gaat leven. Men rekent tot dat nieuwe leven dan alle geestelijke werkzaamheden, ook in hun kleinste beginseltjes, zoals vrezen voor het oordeel, het aanlichten van het besef dat men verlost moet worden, het anders gaan leven ten opzichte van de inzettingen Gods. Bepaalde zonden gaat men nalaten, men voegt zich bij het volk Gods, enz. enz. Men ziet dus de wedergeboorte als een zelfstandige verandering in de mens, door Gods Geest gewerkt. Misschien overdrijf ik een beetje, als ik het zo zeg, maar daar komt het toch practisch op neer. Daarbij voegt zich de gedachte van een langzaam groeiproces van kind tot volwassene. Een kind is ook niet ineens groot.
Maar als de wortel van de zaak maar gevonden wordt, dan komt de groei wel. want immers wat God begonnen is, dat voleindigt Hij ook. En uit allerlei kenmerken blijkt toch wel, dat er een begin gemaakt is. „Ge zoudt toch niet meer terug willen naar uw vroeger leven". , , Dan toch liever nu bij de zoekertjes, de kruipertjes, de bokommerden, dan terug in de wereld". Nu wordt zo gepraat, maar over tien jaar, als ze nog in dit aardse Mesech zijn, praten ze echter nog zo. Ze leven bij de verandering van hun leven, die' eens in beginsel plaats greep en die verzelfstandigd wordt als een verandering van hun hart en genegenheden.
Bespreekt men in deze gedachtengang de wedergeboorte, dan redeneert men van het eerste begin uit met ijzeren consequentie. Als God een mens wederbaart, dan gaat het zo en zo en zo, en vervolgens zo. Die mens kan toch niet anders. Maar altijd blijft het bij wijzen van verandering in die wedergeboren mens.
We hebben deze beschouwing betreffende de wedergeboorte misschien wat eenzijdig naar voren gebracht, maar dat hebben we gedaan om duidelijk te maken, wat we bedoelen.
De opvatting van wedergeboorte, die daar vierkant tegenover staat is, dat zij is de bewuste overgang van de zondaar in het geloof in Christus. Dus het andere uiterste. Als in de grote donkerte, waarin men een tijd of tijden lang gelopen en getobd, zich afgesloofd heeft, voor het eerst het licht van het liefelijke Evangelie doorbreekt en de ziel in geloofscontact met Christus komt. Derhalve de eerste bewuste geloofsoefening op Christus en Zijn verdiensten, de toeeigening van Hem als ónze Borg. Ook deze opvatting zijn we tegen gekomen. Ze is te verstaan. Het brengt een totale ommekeer voor 't hart. Waar duisternis was, is nu licht, waar de dood ons van alle kant aangrijnsde, daar mag zich nu ons hart koesteren in het licht des levens. Daar gevoelt zich de ziel overgezet uit het oordeel in de genade. , , Dat is mijn wedergeboorte, toen ben ik gaan leven, dominee", zei eens iemand tegen mij. Ik gaf het hem gaarne toe, al had ik aangaande het begrip wedergeboorte enigszins andere gedachten. Doch daarover straks.
We lazen onlangs in de , , Leer des Heils" van dr H. F. Kohlbrugge : Vr. Wanneer wordt een mens de vrucht van dit werk (bedoeld is het werk van Christus in Zijn kruis en opstanding) deelachtig ? — Antw. Ofschoon het heil van Christus voor ons voorhanden is zo is er toch in ons leven een zeker tijdstip, waarop wij door de Geest des geloofs in dit heil overgezet worden en van de dood in het leven overgaan. Dat is de volledige omzetting van een mens, welke hem tevreden maakt met de gerechtigheid, die voor God geldt, een omzetting, die ook wedergeboorte heet. —- Voor de aardigheid voegen we er nog aan toe, wat hij een kleine bladzijde verder schrijft : Vr. Wat is het kenmerk van uw wedergeboorte ? — Antw. Dat ik mijn God vrees, mijn naaste eer en liefheb, ook mij niet trooste met mijn wedergeboorte, maar met de eeuwige trouw en barmhartigheid Gods. Dit laatste vooral toch mooi gezegd, niet ?
Bij Kohlbrugge vinden we dus blijkbaar dezelfde gedachte aangaande de wedergeboorte als we hierboven uiteenzetten. Dat past ook geheel bij zijn gedachtengang.
Nu kan ik niet nalaten om alvast te zeggen, dat, ook al meen ik, dat we onder wedergeboorte in engere zin theologisch toch nog iets anders hebben te verstaan, deze tweede opvatting mij het hart meer warmte geeft, dan die eerste. Bij de eerste opvatting wordt het nieuwe leven steeds meer verzelfstandigd. Men is geheel niet doordrongen van de gedachte, dat de Geest, Die wederbaart, de Geest des Vaders en des Zoons, de Geest van Christus is, en dat die Geest daarom in contact en verbinding brengt met de Levensbron Christus. De Geest van Christus doet ons niet een nieuw leven leven los van Christus, buiten Hem, maar doet ons het nieuwe leven in geloofsrelatie tot Christus leven en daarom kan de wedergeboorte in en gere zin in ieder geval niets anders zijn dan het stellen in geloofsrelatie tot Christus, hoezeer die geloofsrelatie dan ook nog moge zijn ingekapseld. Bij de tweede opvatting wordt daarvan in ie der geval bewustzijn omgedragen. Daar om wordt bij deze tweede opvatting Christocentrisch geleefd, wat bij die eerste opvatting helaas maar al te veel ontbreekt. Bij de eerste opvatting ligt het zwaartepunt van het leven in de christen, bij de tweede opvatting ligt het zwaartepunt van het leven echter in Christus, de Levensbron. Dat komt in alles openbaar. Bovendien zit men bij de eerste op vatting veel meer op de praatstoel. Men redeneert maar aan en stippelt de weg maar uit ; men verliest zich zeer veel in het beschouwelijke. En dat beschouwelijke als maatstaf aanleggend wordt men óf wel een vrome piet, óf wel een wanhopende, niet wanhopende aan zichzelf, maar wanhopende aan Gods genade, die men verstaat in de geest van die beschouwingen.
Als we nu verder nog onze bezwaren tegen de eerste opvatting trachten samen te men te vatten, dan menen we het volgende te moeten opmerken :
1. Bij deze opvatting heeft men vaak veel te weinig oog voor allerlei algemene werkingen van de Heilige Geest. De Schrift leert ons toch zo uitdrukkelijk, dat er allerlei geestelijke werkzaamheden kunnen zijn zonder dat deze nog vrucht zijn van de wederbarende werking van de Geest van Christus. Er zijn algemene overtuigingen, vrees voor het oordeel, schrik voor de wet Gods, Denk aan Kaïn, Achab, Saul. Wat tranen worden er al niet geschreid, die mogelijk betekenis hebben voor deze tijd, doch nochtans niet voortkomen uit de droefheid, die naar God is, welke een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Dan hebben we vervolgens de uitwendige roeping door het Woord, die zijn vruchten afwerpt. In deze vruchten van de algemene werking des Geestes, in het bijzonder dan gelet op de uitwendige roeping, doet God zowel Zijn verkorenen als de niet-verkorenen delen. Op zichzelf behoeft daarin geen verschil te zijn, ook al moet wel bedacht worden, dat God er ten opzichte van Zijn verkorenen Zijn eigen genade bedoeling mee heeft, terwijl deze bedoeling Gods ten opzichte van de niet verkorenen weer anders ligt. Zo zijn er, als we het zo mogen zeggen, allerlei voorkomende dingen, die ons geen reden kunnen geven om daaruit de wedergeboorte af te leiden, waarvan ze ook geen vrucht zijn. De Engelse afgevaardigden op de Dordtse Synode hebben een eigen visie gegeven op de voorbereidende genade. Nu willen we zeker niet alles, wat ze beweerden zo zonder meer voor onze rekening nemen, ook al bedoelden ze deze voorbereidende genade zeker niet in remonstrantse geest. Maar zij vestigen onze aandacht toch wel op, wat we dan liever noemen de voorkomende of voorafgaande dingen, de dingen, die dus nog niet vrucht van wedergeboorte zijn, hoewel het wel geestelijke werk zaamheden zijn. En verder bepalen ze er ons bij, dat met de wedergeboorte het geloof in zijn wortel is gegeven, n,l. het geloof in Christus. Dat mag wel eens en telkens weer met klem worden gezegd. Volgende maal nog het één en ander hierover.
Van de Particulier Secretaresse van H, M. de Koningin werd het volgende schrijven door onze Secretaris ontvangen :
Aan de WelEerwaarde Heer ds. J. J. Timmer, Secretaris van de Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlands Hervormde (Gereformeerde) Kerk, Nieuwerk aan de IJssel.
Hare Majesteit de Koningin heeft mij verzocht U haar welgemeende dank te willen overbrengen voor het zeer gewaardeerde telegram wat zij mocht ontvangen van de Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlands Hervormde (Gereformeerde) Kerk ter gelegenheid van de Jaarvergadering.
De Particulier Secretaresse van H.M. de Koningin
w.g. N. Smitt—Avis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's