De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ZICH GORDEN EN ZICH LATEN GORDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZICH GORDEN EN ZICH LATEN GORDEN

8 minuten leestijd

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u : Toen gij jonger waart, gordet gij uzelf, en wandeldet alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt". Johannes 21 vs. 18.

, , Toen gij jonger waart", dit woord vindt een sprekende toelichting in de tegenwoordige tijd, die zeer geprononceerd in het teken der jeugd staat. De jaren liggen nog niet zo heel ver achter ons, waarin de jeugd een misschien wel al te bescheiden plaats op de achtergrond innam. Men hield toen allicht te weinig rekening met de jongeren, die toch óók een eigen, zij het niet steeds een degelijk gefundeerde mening over allerlei hadden ; men nam soms nauwelijks de moeite om er naar te luisteren, maar was al te geneigd om aan de onrijpe leeftijd het zwijgen op te leggen. 

Daar moest wel een reactie op volgen. Thans staat de jeugd in 't voorste gelid. Niet slechts hier en daar, maar over de gehele wereld. Zij probeert zelfs nu en dan de leiding, in het grote leven in handen te nemen. Zij onderschat daarbij wel eens de zegen van de levenswijsheid der ouderen, die slechts in de loop der jaren verworven wordt. Een weinig overmoed is gewoonlijk aan de jeugd niet vreemd. Maar toch is wel aantrekkelijk haar frisheid, haar levensdurf, haar drang om aan te pakken, het scheve recht te trekken ; zij kent nog niet de ontgoocheling van het leven ; de ouderen zijn vroeger merendeels óók zulke enthousiasten geweest, — vele schitterende idealen, die zij zochten te verwerkelijken, bleken later echter alleen benaderd te kunnen worden in een harde wereld, die in het boze ligt.

De levenservaring is de beste leermeesteres.

De ouderen zijn daarom, bij alle vurigheid van geest die men gelukkig ook bij hen nog wel aantreft, iets meer bezonnen en bezadigd geworden, hun dadendrang is bij de besten niet verslapt, maar kenmerkt zich door rustiger kracht. Dit is op te merken zowel in het natuurlijke, als in het geestelijke leven : het verschil op het laatstgenoemde terrein tussen jeugd en ouderdom wordt het best getekend door het onderscheid tussen het „zich gorden" in zelfbewuste kracht, en het „zich laten gorden" in complete overgave aan hoger en heiliger wil.

Toen Simon Petrus jonger was, zegt de Heere Jezus na de opstanding, was hij een mens van overschuimende levenskracht, die hij in dienst van zijn Heiland wilde stellen. Hij meende het volkomen oprecht. Behalve zijn jeugd werkte zijn natuurlijke aanleg er aan mede om zich als man van initiatief aan de spits van de apostelkring te plaatsen. Voor zulk een energieke natuur sprak het haast vanzelf dat hij de leiding verkreeg, er was immers nooit een spoor van aarzeling bij hem te ontdekken, hij was altijd voortvarend in zijn spreken en vergiste zich daarom ook meermalen heel ernstig in zijn ondoordachte woorden, hij stond er steeds dadelijk voor klaar, en gordde zich ogenblikkelijk zelf tot het werk, dat hem riep. Zijn gehele dienst was een „zich zelf gorden".

Maar 't liep dan ook vaak helemaal mis, en zo had hij menige terechtwijzing in ontvangst te nemen, waardoor hij diep beschaamd werd.

Hij gordde zich zelf, toen hij op de berg der verheerlijking vooruitschoot mèt het voorstel om daar drie tabernakelen te bouwen voor Jezus, Mozes en EHa, om op die wijze dit uur van glorie te bestendigen, 't was de gekroonde dwaasheid de glorie des hemels op dé aarde te willen doen wonen, vóórdat de zondeschuld gelost was.

Hij gordde zich zelf, toen de Heére Zijn lijden profeteerde, en Simon Hem in de weg trad om Hem van die lijdensweg af te houden, zeggende : „Dat zal U geenszins geschieden !" hij besefte van verre niet, dat hij daarmede de verlossing der wereld in de waagschaal stelde.

Hij gordde zich zelf, toen hij in de Paasnacht de Heiland wilde verhinderen hem, zondaar, de voeten te wassen, .... Jezus moest hem tot de orde roepen met de diepernstige woorden : , , Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij !"

Hij gordde zich zelf, toen hij zich onnodig in de binnenhof van Kajafas' paleis waagde, om Jezus' einde te zien, 't liep uit op een driemaal herhaalde verloochening, 't Mag dan van energie getuigen altoos en voor alles fit, klaar en toegerust te staan, maar wat baat al die frisheid, als men er door wandelt waarheen men zelf wil : langs de verkeerde weg ?

Veel zwaarder dan het „zich gorden" in jonge voortvarendheid en kracht, die alles wel aandurft, is het „zich laten gorden" in hulpeloosheid, dat vanzelf aan de oude dag doet denken.

Het beeld is inderdaad aan de grijsheid ontleent, aan de levensperiode, waarin men van anderen min of meer afhankelijk en op hun bijstand aangewezen is. Wie ouder en zwakker wordt, grijpt bij het wandelen reeds naar een stok om zich te steunen. Dit is nog niet zo heel erg. 't Valt nauwelijks in 't oog. Maar als er zó weinig levenskracht meer overschiet, dat men zijn eigen kleed niet meer kan aandoen, en zich niet meer zelf tot de arbeid kan gorden, zie, dit is toch wel het uiterste der hulpbehoevendheid en afhankelijkheid, er is een gebed in elk hart, dat men voor die algehele terugrkeer naar de eerste Petrus, die zo vaak beter dan zijn Heere meende te weten, voor ogen. Zó zal hij eens wórden. Met een dubbel , , voorwaar" bevestigt de Heiland de profetie : , , Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelf, en wandeldet alwaar gij wildet", gij deedt wat uw hart u ingaf om Mij te dienen, dikwijls zonder er bij na te denken ; maar dit zal straks anders worden : , , maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt".

De evangelist Johannes voegt er een verklarend vers aan toe ; , , En dit zeide Hij, betekenende met hoedanige dood hij God verheerlijken zou". Petrus zou oud worden in de dienst des Heeren, — dit is de schone kant van deze profetie, want wat is rijker genade dan om de roem van Jezus' Naam vele, vele jaren te mogen verbreiden ? Er is echter ook een donkere zijde aan die belofte : oud geworden, zou hij de handen hulpeloos moeten uitstrekken, om zich te laten gorden, en zich naar een plaats te laten brengen, waarheen hij naar zijn natuur zeker niet wilde ; 't was de weg naar het kruis, waar hij de marteldood zou ondergaan. Maar óók in dit donker breekt het licht door : het is een ere in de smaadheid van Christus te mogen delen, Petrus' kruisdood zou God op 't schoonst , , verheerlijken".

Welke Petrus is nu te verkiezen : de jonge Simon, die bruiste en schuimde van vitaliteit, en dadelijk klaar stond om zich zelf in vol krachtsbesef te gorden, èf de oude Petrus, die geen eigen weg meer te volgen had, maar zich bij het naderen van het kruis liet gorden met de bede in 't hart ; , , Niet zoals ik wil, maar zoals Gij wilt, Heere ! ? "

Naar 't ons voorkomt is er geen keus tussen die beiden te doen. 't Was tenslotte één man, die zich van twee zijden openbaart. Wij mogen hem niet in twee helften uitéénscheuren, maar de beide zijden zullen in ons verenigd moeten worden, indien wij ons zelf door Gods genade onder de ware discipelen mogen tellen.

De spontaneïteit van de wilskrachtige man, de drang, tot de daad, de brandende liefde voor de zaak des Heeren mag ons nimmer begeven, ook al zijn wij in in die dienst van Christus reeds oud en grijs geworden. Alleen wat er bij Simon nóg onzuiver in was : zijn eigenwijsheid en al te grote voortvarendheid, zal er uit moeten verdwijnen ; maar jong en fris naar de geest moeten wij blijven, zo God ons die genade wil schenken.

Een tweede genade hebben wij er echter bij nodig, zelfs al zijn wij nóg jong : het gevoel van kracht, dat aan de jeugd eigen is, zal ons ongetwijfeld evenals Petrus op doolpalen leiden, indien het niet getemperd wordt door een diep gevoel van afhankelijkheid van Gods wil, waarnaar wij bereid gemaakt worden onze wil te voegen :

„Uw wil geschied' Uw wil alleen Als in de hemel, hier beneên, Uw wil is altoos wijs en goed 't Is majesteit al wat Gij doet. Dat ieder stil daarin berust' En Uw bevelen doe met lust".

De jonge en de oud geworden Petrus moeten dus door Gods genade èèn in ons zijn : gloeien van ijver in dienst des Heeren, en daarbij niet als remmende, maar als besturende macht, de bede : , , Heere ! wat wilt Gij, dat ik doen zal ? "

De handen aan de arbeid, die vóór ons ligt; aanpakken en doorzetten, maar dan toch alléén, omdat dié werkende handen eerst gevouwen handen geweest zijn om naar Gods wil te vragen. Kloekheid en ootmoed. Een forse man en een hulpbehoevend kind, — zie daar de volle Petrus, die door Gods vernieuwende genade ook in ons gestalte verkrijge. Daartoe stijge ons gebed op tot de Heere :

, Leer mij naar Uw wil te hand'len, 'k Zal dan in Uw waarheid wand'len, Neig mijn hart, en voeg het saam. Tot de vreez' van Uwe Naam I

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ZICH GORDEN EN ZICH LATEN GORDEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's