Wedergeboorte-beschouwingen
II.
We eindigden ons vorige artikel met een eerste bezwaar tegen de in dat zelfde artikel uiteengezette eerste opvatting van de wedergeboorte, een opvatting, die natuurlijk wel elementen van waarheid in zich bergt, maar die de wedergeboorte toch veel te zelfstandig ziet m.i. Ze wordt veel te veel los van het geloof in Christus gedacht en gezien in een zelfstandige verandering van het innerlijk van de zondaar. Wij wezen in ons eerste bezwaar er op, dat veel te weinig rekening wordt gehouden bij deze opvatting met de Schriftuurlijke gegevens betreffende de algemene werkingen van de Heilige Geest. Wordt deze beschouwing aangaande de wedergeboorte niet veel gevonden tussen de rivieren en in bepaalde gedeelten van Holland, alsmede ook in gedeelten van de Veluwe?
Een tweede bezwaar, dat we tegen deze opvatting hebben, is dat zij met zich brengt een beschouwing over de bekommernis en de bekommerden, die niet Schriftuurlijk kan en mag worden genoemd. Daarop doelden we, toen we vorige keer schreven over de , , zoekertjes en kruipertjes". Er komt een stand van bekommerden, de , , bekommerde Kerk". En, die wordt stelselmatig aangekweekt en opgebouwd. Men is bekommerd en blijft bekommerd. Er ontstaat een zekere cultus van de bekommerden. Als ge hen vraagt : Zijt ge dood of levend? , dan krijg je ten antwoord niets, of een diepe, maar loze zucht : Och, mocht ik het eens weten. Maar intussen blijkt het uit alles, dat ze er toch bij gerekend willen worden Ja, waarbij? Bij de Kerk, die leeft van de Ander? Neen, dat zouden ze niet durven zeggen. — Bij de doden dan? — Neen, ze kunnen en mogen toch niet zeggen, dat er nooit iets aan hun ziel gebeurd is. — Maar, waarbij dan? Bij een tussenvolk, dat zweeft tussen leven en dood, dat half buiten is en half binnen? — Van zo'n volk lees ik in heel mijn Bijbel niet ! — Woutherus Bekker beschrijft inzijn , , Eens christens reize naar het Land van Immanuël", dat Christen komt in de velden van Heilige afzonderingen en dat hij daar ontmoet Bekommerd. Christen verhaalt dat hij niet weet, waarheen hij zijn weg zal richten. Dan zegt hem Bekommerd: Och, arme ziel ! kondt gij eens zien welke grote dingen de Heere aan u gedaan heeft. Gij moogt Zijn werk niet verdenken, want gij gelooft immers, dat Hij, Die een goed werk aan u begonnen heeft, dat aan u volbrengen zal, want welk een onderscheid tussen u en de wereldlingen ! Van tevoren hebt gij het immers in de wereld best kunnen stellen, doch nu gij lust hebt gekregen in de dienst des Heeren, welk een omkeer van zaken heeft er plaats gehad. Ik verblijd mij, dat ik u zó hoor spreken, en als ik op uw verandering zie, behoef ik aan uw staat niet te twijfelen. — Zie, daar hebt ge de bekommerdencultus voluit. Hoevelen handelen en spreken niet net zo als Bekommerd? Bekker drijft dan verder wat de spot met dat slag. , , Zij noemen zich" •— schrijft hij — , , wormen van Jakob, kruipertjes, voetzoekertjes, onnozele weetnieten, enz." — De ware bekommerde christen moet echter antwoorden : , , geloof mij, ik ben niet veranderd, ik ben nog dezelfde".
De H. Schrift spreekt ons van bekommernis over onze zonden, om de toorn Gods te ontvlieden. Zij spreekt ook over de bekommernis van de verlosten in Christus in de strijd des geloofs, maar kent niet dat slag van bekommerde volk, dat van dood aas leeft. — Het beste medicijn tegen deze dwaalgedachte is het besef, dat alleen het geloof in de Heere Jezus Christus behouden kan. Dan kan de ziel tenminste nooit meer rust hebben in zijn z. g. n. wedergeboorte en verandering, maar moet hij in Christus gevonden worden.
Het derde bezwaar, dat reeds gedeeltelijk in de uiteenzetting van 't tweede naar voren kwam, is, dat men het blijft zoeken in de kenmerken van het nieuwe leven en niet de geloofsbetrekking tot Christus centraal stelt. Daardoor heeft in de practijk de wedergeboorte eigenlijk de rechtvaardiging door het geloof verdrongen. Het draait alles om de wedergeboorte. En velen worden steeds weer gemarteld door de bange vraag, of hun zoeken, hun gebed, him begeerte tot de dingen des Heeren enz., toch wel stamt, uit het wederbarend werk des Geestes. Zeker, hier is ook veel dode verontschuldiging op de wijze van: Het moet waar werk zijn , en dan rustig voortleven. Maar er is toch ook een achtervolgd worden van ontwaakte gewetens door steeds weer maar de vraag ; Komt het bij mij wel uit de rechte bron? — En dat, zonder dat het om Christus gaat. Alles draait, zoals we al eens eerder schreven, om het anders worden, terwijl het van de Ander worden geheel of zo goed als geheel buiten de gezichtskring blijft. We wijten dit aan de opvatting van wedergeboorte, als boven gesignaleerd, alsmede aan het feit, dat de wedergeboorte in engere zin zo zeer in het middelpunt der belangstelling is geplaatst. Het nieuwe leven wordt verzelfstandigd en men komt telkens weer maar terug op dat begin in het hart.
We vragen ons af, of toch ook de na-reformatorische bezinning op de orde des heils en het door haar naar voren halen van de wedergeboorte in engere zin, zodat tenslotte onder wedergeboorte practisch niets anders meer verstaan wordt dan het eerste begin van het nieuwe leven, niet te veel de aan dacht heeft afgetrokken van de rechtvaardiging door het geloof. Leerstellig was de bezinning zuiver gereformeerd. Ongetwijfeld, Maar de klemtoon werd toch verlegd. Dr. A. D. R. Polman stemt ook toe, dat er toch wel van een accentverschil sprake is tussen de beschouwing van Calvijn en die van de latere gereformeerde theologie. (Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis III, blz. 118). De strijd tegen de Remonstrantse dwaling moge daartoe gedrongen hebben, toch is het de vraag, of er geen gevaar in zit om het accent anders te leggen dan Calvijn? Het gaat ongetwijfeld niet om principieel verschil. Maar hoe moeten we het nu zien? Is de latere accentverlegging, die toch niet ontkend kan worden, nu te zien als gelukkig? M.a.w. is het naar voren brengen van de wedergeboorte in engere zin nu waarlijk een nadere precisering en uitwerking van de Waarheid, die door de reformatoren wel geleerd was, doch niet nader bepaald en nauwkeurig van andere stukken der leer onderscheiden? Dan moeten we het accent toch enigszins anders blijven leggen dan Calvijn. Calvijn had blijkbaar geen behoefte er aan om de aandacht meer te vestigen op het begin van het nieuwe leven dan op de gerechtigheid des geloofs. Hij volstaat er mee nu eens dat begin wedergeboorte te noemen, dan weer eenvoudig te zeggen, dat het geloof in het hart gewerkt wordt door de Heilige Geest. Dat staat eenvoudig vast. Het ligt trouwens besloten in de belijdenis van de rechtvaardiging van de goddeloze en van de Drieënige God in Christus als de God van volkomen Zaligheid, alsmede in de belijdenis van de totale verdorvenheid des mensen. Op zijn tijd zegt hij dan ook uitdrukkelijk. Wie de Werkmeester van het geloof is, maar zijn aandacht blijft geboeid door de gerechtigheid des geloofs. — Zou het dan ook zo kunnen zijn, dat onze bezinning toch meer moet gaan in de richting van Calvijn, zonder het goede en het ware, dat gereformeerden van later eeuwen naar voren hebben gebracht, over boord te gooien? We bedoelen, dat we nu niet ineens de term van wedergeboorte, genomen in de zin van wedergeboorte in engere zin, verafschuwen en verwerpen, maar dat we door Calvijn ons met onze aandacht laten richten op het geloof in Christus. Dan wordt vanzelf weer voor ons vertrouwde taal, wat eerst ons zo dwaas in de oren klinkt, n.l. dat wij door het geloof worden wedergeboren, zoals Calvijn zich uitdrukt. Wij menen, dat daarin winst voor ons zou liggen, en dat het niet meer verstaan van die taal van Calvijn een verliespunt is, waardoor schade is veroorzaakt en nog veroorzaakt wordt.
Ook tegen de in het vorige artikel tweede opvatting van de wedergeboorte, n.l. dat zij is de bewuste overgang van de zondaar in het geloof in Christus, zijn o.i. bezwaren te noemen. Hebben we hier niet te doen met een opvatting, die veel in onze Friese gemeenten gevonden wordt? Hoewel, we zijn ze ook in onze vorige gemeente Huizen tegen gekomen.
Deze opvatting is ons heel wat liever dan die eerste, want hier gaat het om Christus, wat bij die eerste opvatting zo zeer of goeddeels gemist wordt. Toch is het de vraag, of zij Schriftuurlijk verantwoord is. Hoe moeten we dan zien de droefheid naar God, het liefhebben van de deugden Gods, het uitzien naar de Borg en het ook wel bij tijden geloof oefenen op Hem, zoals dat alles vallen kan voor de doorbraak van het Evangelielicht werkelijk geschiedt? Dat kan toch nooit anders worden verstaan dan als vruchten van de wederbarende werking des Geestes, en als geloofsoefeningen, daaruit voortkomend, zij het ook gesluierd? — Of zouden we hier met Engelse afgevaardigden op dé Dordtse Synode mogen spreken van voorbereidende genade ? Dat kan toch niet, want daarvan zeiden ze : Deze voorgaande affecten, door de kracht des Woords en des Geestes in de gemoederen der mensen voortgebracht zijnde, kunnen door de schuld van de opstandige wil verstikt en 't eenmaal uitgeblust, en plegen ook in velen uitgeblust te worden, zodat sommigen in wier gemoederen door de kracht des Geestes, enige kennis der Goddelijke Waarheid, enige droefheid over hunne zonden, enige begeerte en enige zorg om verlost te worden, ingedrukt is geweest, geheel ter contrarie de waarheid verwerpen en haten, zich aan hun begeerlijkheden overgeven, in de zonde verharden, en zonder begeerte of zorg der verlossing in dezelve vervuilen. — Zoals we reeds opmerkten, hebben deze afgevaardigden hier veel meer op het oog gehad, wat wij onder de uitwendige roeping verstaan. Doch de werkzaamheden, die wij opnoemden, kunnen niet daarvan een vrucht zijn. Hier ligt duidelijk een geloofsbetrekking in het hart op Christus, hoezeer ook in de windselen, en niet doorgrond door de persoon zelf. We moeten deze werkzaamheden derhalve zeker erkennen voor vruchten van de wederbarende werking van de Geest van Christus in de verkorenen Gods. Er kan wel degelijk een tere geloofsbetrekking liggen op Christus in het hart, aleer het licht voor het bewustzijn doorbreekt. Daarom is het niet juist om dat doorbreken van het licht voor het bewustzijn wedergeboorte te noemen, aangezien men daarmede de zieleworsteling, waarin ook uitgangen des harten naar Christus zijn en soms zelfs zeer krachtig, buiten het door Gods Geest geschonken leven zou stellen. Men komt dan tot de voorstelling, dat vóór de rechtvaardiging des zondaars geen leven mag worden aangenomen. Maar hier gaat men de zaken toch scheef trekken, vooral wel het stuk der rechtvaardiging. En wat het ergste is : het werk Gods in Christus door Zijn Geest wordt ontkend.
Ons tweede bezwaar tegen deze tweede opvatting is, dat men in het algemeen deze overzetting uit de duisternis in het licht, die men dan wedergeboorte noemt, tegelijk de waarde der rechtvaardiging toekent. Men blijft van uit dat punt leven. Er is inderdaad een openbaring van Christus aan het hart geweest. Maar het is een eerste ontsluiting vaak en geenszins een volle vereniging met Christus in het rechtvaardigend geloof, zodat de ziel zijn Rechter, Die het doodvonnis sprak, nu in Christus ontvangt als een genadig Vader. Men blijft nu uit die eerste ontsluiting, die wedergeboorte zullen we maar zeggen, leven in het toevluchtnemend geloof op, laat ons het maar zo noemen, Brakelse wijze. Wie nader wil weten, wat dat inhoudt, die leze er de Redelijke Godsdienst van vader Brakel maar op na. Wij gaan hier nu niet verder op in. Trouwens als we het goed hebben, is één der onzen zich aan het voorbereiden om ons iets van Brakels gedachtengangen te vertellen. — Comrie denkt en schrijft echter weer anders over de rechtvaardiging. Daartoe leze men maar zijn , , Brief over de rechtvaardigmaking". Met Comrie verstaan we de rechtvaardiging niet in een telkens gerechtvaardigd worden als er toevluchtnemende geloofsoefening is, maar een doorleven van het rechtsgeding Gods, waarin de zondaar als goddeloze vrijgesproken wordt en tot kind aangenomen wordt. Een daad Gods in een punt des tijds, de overgang uit de staat van kind des toorns in de staat van vrije zoon (Rom. 5 : 1). Op de grondslag daarvan kunnen de weldaden des Verbonds eerst in volle rijkdom aan ons hart worden ontsloten, als het kindschap Gods, de omgang dus van het kind met zijn Vader, verder het Verbondslèven, inzonderheid als we de Geest mogen kennen als het onderpand van onze verlossing.
Deze rijkdom van leven blijft omsluierd bij de herhaalde rechtvaardiging in het toevluchtnemènd geloof, althans ze kan niet in die volle diepe rijkdom zich voor het geloofsbewustzijn ontsluiten. Men blijft meer leven en staan in zijn geloofsleven bij de tweede Persoon, dan dat men in Christus tot de Vader nadert en met Hem als kind omgaat.
Men heeft echter in het gemis van deze rijkdommen geen erg, ook mede, naar we menen, vanuit dat beklemtonen van de wedergeboorte als overgang van de duisternis tot het licht.
Volgende maal hebben we uiteen te zetten, wat o.i. de juiste Schriftuurlijke opvatting van wedergeboorte is.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's