ALGEMENE EN BIJZONDERE ROEPING
Onze tijd wordt getekend door een opvallende afkeer van de religie der Schrift, van de theologie — n.l. van de échte theologie — en van de Christelijke zeden.
Vele jonge mensen, die de verderfelijke gevolgen van een niet-Christelijke, ja, anti-Christelijke opvoeding ondervinden, zijn bevangen door een tijdgeest, welke zich kenmerkt door schromelijke onwetendheid van de Bijbel en de Christelijke belijdenis, door een onverantwoorde afwijzing van alles, wat dogma en norm mag heten of voor zodanig wordt gehouden, en door een zekere onverschilligheid aangaande traditie en historie.
Zij zijn er zich niet van bewust, welk een schade zij zich zelf berokkenen, aan welke oppervlakkigheid en vaagheid zij zich overgeven, hoe groot de teleurstelling zal zijn, die zij zich zelf bereiden in de koestering van een vrijheidszin, die aan alle ware gemeenschapskracht gespeend, in geen enkel opzicht waarlijk verschilt van het negentiendeeeuwse individualisme, hetwelk men schijnt te willen ontvluchten.
Wie op de jeugd ziet, die door deze tijdgeest wordt geïnspireerd of bezield, wordt met zorg bevangen. Niet omtrent de komst van het Koninkrijk Gods, — niet omtrent de vraag, of God Zijn kerk in stand zal houden, maar omtrent de naaste toekomst, omtrent zulk een ontkerstende jeugd zelf.
Gewis staat God achter Zijn Woord en als wij onze kinderen opvoeden in de vreze Gods, zal de vrucht niet uitblijven.
Wij zijn echter niet overtuigd, dat ook in kerkelijke kring de tijdgeest geen veroveringen zou maken. Immers de geest dezer wereld, woelt ook in ons leven en Gods kinderen weten, hoe zwaar de strijd kan zijn om die geest te overwinnen en daaraan weerstand te bieden ook in onze gezinnen en in onze omgeving.
Onze ouders weten het. Zij ondervinden het. Zij strijden er tegen.
Hoe gaat het met het bezoek der catechisatie? Met de kerkgang der kinderen en van de rijpere jeugd? Met de kerkgang van vader en moeder zelf?
Wij noemen maar enkele dingen.
Het antwoord overwege men zelf.
En de klachten ? Ja, die weten wij wel. De preek is niet geschikt voor de jeugd, en zij begrijpen de ouderwetse taal niet. De dingen moeten in de taal van onze tijd worden gezegd.
Over deze en, andere klachten willen wij het ook wel eens hebben.
Intussen, wat die taal betreft, de beoefenaar van iedere wetenschap zou 't bespottelijk vinden, als iemand van hem zou eisen, dat hij de gebruikelijke termen van zijn wetenschap moest inruilen voor uitdrukkingen, die de ongeleerde en niet ingeleide zou kunnen begrijpen. Welk een dwaasheid!
Doch wat moet men dan zeggen van zelfs academisch gevormde mensen, ja, ook van dominees, die voor de theologie zulk een eis heel gewoon vinden, alsof men zonde, ongerechtigheid, rechtvaardigmaking en zoveel meer uitdrukkingen door andere zou kunnen vervangen, die iedereen zou begrijpen(!), zonder de inhoud in te boeten.
Dat blijkt ook wel in de practijk, want zij, die dergelijke ongerijmdheden on dersteunen, spreken helemaal niet meer over zonde en oordeel. Zij maken een Evangelie naar eigen smaak en zijn blijkbaar zelf zó zeer vervreemd van het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof, dat zij ganselijk niet inzien dat het Evangelie der Schriften eerst als kracht Gods tot zaligheid verschijnt en wordt gekend tegen de sombere achtergrond van de zondeval en van de rechtmatige toorn Gods.
Ook op deze zaak komen wij nog terug om thans de aandacht te vestigen op enkele dingen, die wij echter wel in acht moeten nemen.
In verband met de zo even getekende situatie is het zulk een gelukkig verschijnsel, dat onder ons zo grote belangstelling is voor dogmatische vragen. Wij hebben dat op de Bondsvergadering geconstateerd en het blijkt ook uit de reacties, die wij mochten ontvangen op de verhandelingen, waarmede wij bezig zijn.
Wij willen dat gaarne vermelden en, als er aanleiding voor is, op een of ander punt nader ingaan. Aan, wat men noemt het „uitwendig verbond" zijn wij nog niet toe, wat daaromtrent te zeggen valt, naar aanleiding van enkele opmerkingen, hopen wij t.z.t. aan de orde te stellen.
Wat het „aanbieden der genade" aangaat, men heeft wel begrepen, dat het ons niet te doen is om een woord, maar, dat wij het woord „aanbieden" willen vermijden om aan verkeerde opvattingen of voorstellingen geen voet te geven en deze zoveel mogelijk te voorkomen.
Dit heeft nog te meer zin tegenover jonge mensen en tegenover degenen die niet thuis zijn in de dogmatische schrijvers.
Zij, die er wel enige kennis van hebben, kunnen weten hoeveel misverstand er kan wezen. Misverstanden kunnen belemmerend zijn voor de kerkgang en de ingang des Evangelies tegenstaan.
Uit dien hoofde ook brachten wij de z.g. , , uitwendige" roeping van allen, die onder het geklank des Evangelies komen, terug tot een algemene eis van gehoorzaamheid.
De tijdgeest, die zovelen bezielt, en met name jonge mensen, maakt arglistig gebruik van de onwetendheid in zaken der religie en van de vervreemding van het Schriftuurlijk geloof, waarin talloos velen zijn vervallen. Het negentiende eeuwse individualisme, een kind van dezelfde tijdgeest, speelt daarin ook een rol, en dit kan zover gaan, dat men het volkomen in overeenstemming met de plaats van de mens vindt om op zijn eigen wijze over God te denken. Frederik de Groote leerde met de rationalisten, dat een mens de vrijheid toekwam om op zijn eigen wijze zalig te worden, maar een moderne geest gaat nog een stapje verder, als hij leert, dat de mens in zijn eigen vrijheid ook zijn eigen verzoening en zaligheid moet verwerven.
Tegenover die tijdgeest moet de algemene eis der gehoorzaamheid, Gods eis op de mens, gepredikt worden en de roeping van de mens om die gehoorzaamheid te brengen.
De eis Gods en de roeping van de mens.
Men moet de jonge mensen wapenen tegen het heidendom, dat hen bedreigt. Want zij hebben waarlijk gelijk, die zeggen, dat de mens, die het Christelijk geloof en de Christelijke zede loslaat, vervalt tot erger dan het heidendom. Dat is inderdaad zo.
En daarom is het zo nodig, dat wij goed weten dat het niet betamelijk is, dat een mens over God denkt, zoals hij verkiest. Men kan zeggen, dat het in de vrijheid van de mens is Gode ongehoorzaam te zijn en eigene gedachten over God te koesteren, maar dat is een vrijheid der zonde, een vrijheid, die ons veroordeelt. Reeds is de invloed van deze valse vrijheid zover voortgeschreden, dat wij ook reeds verliberaliseerd zijn en het gewoon vinden, dat „men" er zo over dénkt. Het staat echter de mens niet vrij om over God te denken, zoals men wil !
Immers de mens is nooit zonder Gods Woord geweest en God heeft Zich niet onbetuigd gelaten omtrent , de wijze, waarop Hij gekend en gediend wil zijn. De mens is krachtens Zijn schepping op het Woord Gods aangewezen en kan zonder de gehoorzaamheid aan het Woord zijn bestemming niet bereiken.
De mens, die dat Woord veracht, doet dat in ongerechtigheid en haalt de toorn Gods over zich.
Daarin wordt ook de betrekking tot het Evangelie uitgedrukt, gelijk ook de belijdenis leert: „Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods". (Dordtse Leerr. I, Hoofdst. IV). .
Uit hoofde van de schepping naar Gods beeld is de mens tot gehoorzaamheid en betrachting van Gods Woord geroepen en gehouden. En aangezien het beeld Gods na de val niet geheel is uitgewist, niet ganselijk is verloren, maar nog enig besef van God en enige onderscheiding van goed en kwaad in de mens wordt gevonden, hetgeen ook door God de Schepper wordt onderhouden (Rom. 1 VS. 18 v.v. ; 2 vs. 14, 15 ; Dordtse Leerr. III en IV, Hoofdst. IV) staat de mens nog altijd onder de eis van gehoorzaamheid aan Gods Woord, voor zover dat tot hem komt.
Hij kan zich aan die eis niet straffeloos onttrekken en het Woord spreekt liem ook aan, zij het ook slechts verstandelijk en zonder de levenwekkende kracht, welke het deel is der kinderen Gods.
Wij mogen deze dingen niet uit het oog verliezen — zoals dikwijls geschiedt —, omdat de Heere God ze niet uit het oog verliest. Want Hij zegt : „opdat zij niet te verontschuldigen zijn".
Het is van groot belang, dat wij voor ogen houden dat wij krachtens onze schepping naar Gods beeld, hoewel wij de reinheid en gerechtigheid onzer schepping hebben ingeboet en onder Gods toorn liggen, op Gods Woord zijn aangewezen en de roeping hebben, daarop in gehoorzaamheid acht te geven.
Die roeping is algemeen en overal waar wij in aanraking komen met Gods Woord, hetzij in het grote boek der schepping of in de Schriften, wordt de mens aan zijn roeping herinnerd en voor de beslissing van gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid gezet. En dat geschiedt telkens weer in ons leven.
In die zin kan men van een algemene roeping spreken.
Deze algemene roeping is derhalve van geheel andere aard dan de levenwekkende roep Gods, welke men veelal als krachtdadige roeping en in de dogmatiek als inwendige roeping aanduidt. Wij geven verreweg de voorkeur aan de onderscheiding algemene en bijzondere roeping, omdat deze beter is dan die van uitwendige en inwendige. Een roep, die uitwendig is, is geen roep. Anderzijds kan het Woord Gods werken in een mens buiten de bekering om, zodat men het onderscheid met waarachtig geestelijk leven nauwelijks kan gewaar worden. Dat kan men toch bezwaarlijk alles uitwendig noemen.
Daarbij komt dan nog de weliswaar verkeerde opvatting, die echter gemakkelijk voor de hand ligt, dat de z.g.n. , , uitwendige roeping" eigenlijk maar een gebaar van God zou zijn en dat dit niet ernstig kan worden genomen.
Dit geeft aanleiding tot verkeerde denkbeelden van God en wekt weerstanden en onbetamelijke gevolgtrekkingen, die waarlijk niet zelden worden aangetroffen. De geschiedenis heeft trouwens meer gezien, dat de door de zonde verdorven mens zich niet ontziet het ontsierde en verwrongen beeld Gods, dat hij zelf is, op God over te dragen.
Zou het daarom reeds geen aanbeveling verdienen hem te bepalen bij zijn schepping en bestemming der heerlijkheid en bij de eis, die daarvan uitgaat ook op zijn verloren leven? En dan verder, dat hij krachtens zijn schepping op het Woord Gods is aangewezen, zodat hij het niet straffeloos kan verachten, als het tot hem komt in de bediening des Woords of anderszins?
Op die wijze wordt de algemene eis der gehoorzaamheid, waaronder ook de verloren mens verkeert, onder de bediening des Woords een algemene roeping om acht te geven op het Evangelie, hetwelk ons wordt voorgesteld.
En in deze algemene gesteldheid, waaronder wij verkeren, opdat wij niet te verontschuldigen zijn, blijft het aan de vrijmachtige en souvereine genade Gods om de Zijnen naar het voornemen Zijner verkiezing uit de duisternis te roepen tot Zijn wonderbaar licht.
Op deze wijze ontleent de algemene roeping van de bediening des Woords haar algemeenheid aan ons geschapenzijn naar-Gods-beeld en de bijzondere roeping ontvangt haar bijzonderheid en kracht uit het voornemen Gods in Christus, dat naar de verkiezing is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's