ALGEMENE EN BIJZONDERE ROEPING
De z.g. uitwendige roeping hebben wij teruggebracht tot de algemene eis van gehoorzaamheid aan Gods Woord. En deze algemene eis vindt haar verklaring in de schepping van de mens naar Gods beeld, wijl hij als zodanig op het Woord Gods en de gehoorzaamheid aan de wil van God is aangewezen.
In dat licht kan het duidelijk zijn, dat v/ij krachtens onze schepping geroepen zijn, d.w.z. de roeping hebben om te wandelen naar de wil des Heeren, terwijl de Heere ons geslacht nooit zonder Zijn Woord heeft gelaten. De mens is nooit zonder het Woord Gods, d.w.z. nooit zonder openbaring Gods geweest.
Overal en altijd, waar de mens in aanraking komt met Gods Woord, is het voor de mens, wie hij ook zij, een beslissend moment, in de grond der zaak een critisch moment. Hij wordt als opnieuw voor de eis der gehoorzaamheid geplaatst, aan zijn roeping herinnerd. Daarom geschiedt dit ook, als hij met het Evangelie in aanraking komt.
Die algemene roeping des mensen wordt door God zelf onderhouden, de mens wordt voortdurend aan die roeping herinnerd, omdat de sterrenhemel boven hem en zijn geweten in hem daarvan spreken. De hemelen verkon digen Zijn eer en het uitspansel Zijner handen werk. (Lees ook Rom. 1 : 18 v.v. en Rom. 2 : 14 en 15).
God onderhoudt die algemene openbaring, , , opdat zij niet te verontschuldigen zijn".
Hij gebiedt ook, dat het Evangelie aan alle creaturen zal worden gepredikt en Hij wil dat. (Vgl. Lukas 24 : 45 —48). Hij heeft de Dienst des Woords ingesteld en bevolen het Woord uit te dragen aan alle volken.
En het is daarom, dat zij die horen en verstaan, gezegend worden met Zijn genade, en zij, die horen en het Woord verachten, dit niet straffeloos doen, wijl het uitgaat als een tweesnijdend scherp zwaard.
Al deze omstandigheden verklaren, dat het oordeel dergenen, die onder het Evangelie geleefd hebben, die in het Christenland geboren werden, en volharden in onbekeerlijke wandel daarvan geen verantwoording zullen kunnen doen voor de Rechter der ganse aarde en door het Woord zullen geoordeeld worden.
En het ligt voor de hand, dat het oordeel van de heiden, die nooit van het Evangelie gehoord heeft, verdraaglijker zal zijn, gelijk de Heere dat ook van Sodom en Gomorra betuigt.
Omdat de zaken zo gesteld zijn, kan men van een geroepen worden door de bediening des Evangelies spreken, en dat geroepen worden is waarlijk ernstig genoeg. En zonder enige twijfel belooft God ook met ernst allen, die tot Hem komen, en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven, zoals de Dordtse leerregels zeggen (Hoofdstuk 111 en IV art. VllI).
Op deze wijze kan men ook het woord verstaan, van Matth. 22 : 14, velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Onverminderd het geheel bijzonder verband, waarin dit woord staat, (ook in Matth. 20 : 16) ; „ staat het woord geroepen hier in een tegenstelling met uitverkoren, welke overigens in het Nieuwe Testament niét wordt gevonden, daar de geroepenen juist de uitverkorenen zijn.
Het is immers op deze grond, dat wij onderscheid maken tussen de algemene roeping krachtens onze schepping naar Gods beeld, omdat wij daardoor op het Woord Gods zijn aangewezen, en de bijzondere roeping als de levenwekkende daad Gods, welke immers onweerstandelijk wordt genoemd en het ook is.
Juist dat onweerstandelijke ontbreekt als algemene kracht aan de algemene roeping, welke uitgaat van de bediening des Evangelies, maar de Heere kan Zijn onweerstandelijke roep daaraan verbinden en Hij doet dat bij allen, die Hij tot Zich trekt.
Hoe onderscheiden de algemene roeping door de bediening des Evangelies kan zijn, leert ons de Heere in de gelijkenis van de zaaier. Wat wij bedoelen met de onweerstandelijke roeping wordt in die gelijkenis voorgesteld als het zaad, dat in de goede aarde valt. (Matth. 13).
De andere vormen, welke de gelijkenis biedt, geven verschillende reacties op het Woord, die ook worden genoemd in de Dordtse Leerregels Hfdst. III en IV Art. 9 en onder één hoofd worden genoemd n.l. , , niet komen en niet bekeerd worden".
Daaruit zien wij, dat de grond der algemene roeping wel algemeen is, gelijk wij hebben aangetoond, maar dat de werkingen verschillen. Daaruit zien wij de waarheid van ons beweren, dat er een persoonlijke betrekking openbaar wordt, zodra het Woord Gods tot ons komt. En het blijkt duidelijk uit de gelijkenis van de zaaier, dat deze werkingen buiten de wedergeboorte kunnen omgaan.
Ook deze bijzondere werkingen hangen samen met onze schepping.
Het aanschouwen van de werken Gods leert ons, dat overal in Gods schepping niet alleen orde en harmonie woont, maar ook, dat zij in die orde door grote verscheidenheid wordt gekenmerkt. Geen twee bomen zijn gelijk, al vertonen zij ook hetzelfde karakter en geen twee blaadjes aan een boom zijn gelijk, al worden zij door eenzelfde hoofdvorm bepaald..
Zo is het ook met de mens. De Heilige Schrift leert ons, dat de mens naar Gods beeld werd geschapen. Dat drukt alzo het wezen van de mens uit.
Als gij vraagt, wat is eigenlijk het wezen van de mens, dan kan het antwoord niet zijn enig algemeen begrip naar de bepaling van een of andere ethnoloog (volkenkundige). Buiten de kennis en de aanvaarding van de Heilige Schrift moet men zich met zulk een begrip behelpen.
Men vergelijkt de verschillende volkeren, neemt kenmerken van overeenkomst en verschil waar en tracht op die wijze het algemene, dat wat alle mensen gemeen is, te vinden. Dat algemene houdt men dan voor het wezen.
Een ieder, die zich hiervan rekenschap geeft, kan verstaan, dat zulk een bepaling of definitie tamelijk willekeurig en subjectief uitvalt. Het gaat er maar om wat iemand voor wezenstrekken of kenmerken houdt.
Geheel anders komt dit uit, als wij leerlingen van Christus willen zijn. Dan weten wij, dat het wezen des mensen daarin ligt, dat hij naar Gods beeld werd geschapen. Het wezen is dat geschapen-zijn-naar-Gods-beeld. En daarom, hoe diep wij gevallen zijn, het wezen is niet bedorven. Daarom spreekt de Catechismus niet van ons verdorven wezen, maar van onze verdorven natuur.
De val heeft onze natuur verdorven, n.l. datgene, wat van het beeld Gods naar buiten treedt, openbaar wordt. Dat is niet meer rein, niet meer overeenkomstig in gerechtigheid en heiligheid, maar onheilig, onzuiver, bedorven. Maar — wij zijn mensen gebleven, ook in onze verdorven natuur. Het beeld Gods is niet ganselijk weg of verloren. Doch wel is het zo, dat wij in schrille tegenstelling met onze oorspronkelijke zuiverheid, een gedrochtelijk beeld vertonen en een spot zijn voor God en ons zelf.
Wij zijn daaraan echter zó gewoon geworden, dat wij het niet eens weten, tenzij wij er aan ontdekt worden. En men kan ook begrijpen, dat de bestudering van de mens buiten Gods Woord om, zich bezighoudt met een aan zijn verdorvenheid gewoon geworden mens en deze voor normaal houdt.
De Schrift laat ons van meetaf zien, dat God de Heere een verscheidenheid ook in de verschijning en de ontplooiing van het menselijk geslacht heeft gewild. Man en vrouw schiep Hij ze. En Hij wilde ook, dat het geslacht zou uitbreken in veelvuldigheid en in vele volkeren, verspreid over de ganse aarde.
De ervaring leert, hoe veelvuldig verscheiden de mens zich voordoet, zodat men zelfs ook van rassen spreekt, die door sommige beoefenaren der wetenschap wel eens op zulk een afstand van elkander zijn geplaatst, dat zij zelfs aan meerdere stamvaders dachten en de eenheid van ons geslacht in strijd met de Bijbelse leer in twijfel trokken.
Letten wij nu op de verscheidenheid van ons geslacht, die zover reikt, dat er onder de milliarden geen twee mensen gelijk zijn. Zonder hoogmoed en in volle ernst kan ieder zeggen, zoals ik is er slechts één.
Dat is de adel, maar ook tevens de ernstige werkelijkheid van onze menselijke persoonlijkheid !
De mens geschapen naar Gods beeld, d.i. de mensheid uiteengaande en tegelijk besloten in zovele personen, geschapen naar Gods beeld.
Als wij daarbij stilstaan, zullen wij tot de ontdekking komen, dat iedere persoon op zijn wijze het wezen, het beeld Gods, in het geheel der mensheid vertegenwoordigt en op zijn wijze een verschijning is van het beeld Gods.
Dat betekent in de gevallen staat, dat wij als personen op onze eigene wijze een verdorven uitdrukking vertonen van wat wij behoorden te zijn naar de reinheid onzer schepping, en dat wij van onze eigene verdorvenheid rekenschap zullen hebben te geven.
De verscheidenheid der gaven, aan de personen gegeven, welke overeenkomt met de verscheidenheid van alle werken Gods, zal ook in de verdorven staat nog haar sporen behouden in de onderscheiden personen. Daarom zijn niet alle mensen gelijk.
Aan de verscheidenheid van gaven paart zich ook verscheidenheid van roeping In de saamhang van het geheel.
Die verscheidenheid gaat. over de gaven van verstand en hart en wij moeten onze ogen daarvoor wel opzettelijk sluiten, als wij dat niet opmerken in de saamleving. De mensen zijn verschillend en gelijk de Heere de woonplaats van een iegelijk bepaalt, zo bepaalt Hij ook onze plaats in de mensheid. Hij geeft hun ook gaven om die plaats te vervullen.
De gelijkenis van de zaaier nu kan ons leren, dat ook de wijze, waarop mensen het Woord Gods ontvangen, zulk een verscheidenheid vertolkt zodat er zelfs nog enige ontvankelijkheid wordt gevonden buiten de onwederstandelijke genade om, hoewel het ontkiemende zaad spoedig verdort, omdat het geen diepte van aarde heeft, of tussen de doornen verstikt.
Zo kan men ook niet verwachten, dat onder de krachtdadige roeping Gods alle personen gelijk zijn in het opwassen in de genade van Christus. Dat leert trouwens de Schrift duidelijk, als zij spreekt over de verscheidenheid der gaven.
Het kan zijn nut hebben op de eis der gehoorzaamheid aan Gods Woord krachtens onze schepping en daarmede verbonden op onze verantwoordelijkheid met nadruk te wijzen, om onverstandige en trage harten aan te sporen en mogelijk voor de valse lijdelijkheid te bewaren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's