Wedergeboorte-beschouwingen
III.
Wij menen, dat de theologische Schriftuurlijk-verantwoorde beschouwing van de wedergeboorte (in engere zin) alleen deze is :
De Heilige Geest, Die de Geest van Christus is, legt van de eerste stonde aan een onverbreekbare band tussen Christus en de uitverkoren zondaar, waardoor die zondaar gaat leven uit Christus op Christus aan, hoewel voor zichzelf daarvan niet of bijna niet bewust. Dat is het eerste begin, hetwelk zich echter voor de ziel, als die later tot bewuste kennis van Christus is gekomen, verliest in de nevelen van het onbewuste. Nauwelijks zal toch een kind des Heeren weten te zeggen, waar en wanneer in zijn leven de eerste vrucht geschonken werd van de wederbarende genade. Er zijn ook allerlei voorafgaande dingen immers in zijn nog onbekeerde staat geweest. De Heilige Geest kan deze betrekking van de uitverkoren zondaar tot Christus in haar eerste wortel leggen, omdat Christus als verheerlijkte Borg en Voorbidder steeds voor het aangezicht Gods is voor Zijn uitverkoren Gemeente, ook voor zover ze nog verborgen is.
De Heilige Geest deelt derhalve in de wedergeboorte in haar eerste stadium geen zelfstandig leven mee, waardoor nu die uitverkoren zondaar een nieuw leven gaat leven, min of meer zelfstandig genomen, doch hij gaat leven uit Christus, hoewel zich daarvan nog niet bewust, dan voor zover hij naar Christus heen gaat leven in droefheid naar God, een liefhebben van Gods deugden, uitzien naar de Borg, en naarmate het plantje des geloofs, dat in de wortel dus van stonde aan gegeven was, opwast, geloofsoefeningen op die Borg en Zijn verdiensten. Dat brengt echter dit eigenaardige mee, dat de zondaar zelf, zolang de bewuste kennis van Christus er niet of zo goed als niet is zich van het nieuwe leven uit Christus niet bewust is, doch zich veel eer buiten het heil ziet en daardoor diep ongelukkig zich gaat gevoelen.
Deze omschrijving der wedergeboorte in haar eerste stadium is theologisch verantwoord, waar zij ook de wortel des geloofs en het eerste begin van het nieuwe leven toeschrijft aan de genadige vrijmachtige almachtige en onwederstandelijke werking van de Heilige Geest, Die de Geest van Christus is. Dr D. J. de Groot geeft dan ook o.i. te recht de volgende omschrijving van de wedergeboorte in haar eerste stadium : Zij is die genadige, onwederstandelijke en herscheppende werking van de door Christus gezonden Heilige Geest, waardoor Hij tussen Christus en de uitverkoren zondaar een band legt van onverbreekbare gemeenschap, en waardoor Hij dientengevolge het hart van die zondaar zo verandert, dat daarin het oude leven der zondige natuur principieel gedood wordt en hij als nieuwe mens uit de geestelijke dood opgewekt wordt tot het eeuwige, heilige leven, dat Christus voor hem verworven heeft en dat uit Christus hem toevloeit. (De Wedergeboorte, blz. 215).
Het nieuwe leven mag daarom nooit losgemaakt wórden van het geloof. Niemand zal kunnen ontkennen, dat in de droefheid naar God, het liefhebben van Zijn deugden, het uitzien naar de Borg geloofswerkzaamheden gevonden worden, ook al treden ze nog niet als zaligmakende geloofswerkzaamheden voor het bewustzijn van de zondaar.
Zo hebben we het theologisch allereerst te stellen, opdat de remonstrant niet langs een achterdeurtje weer binnensluipe, nadat we hem door de voordeur hebben uitgeworpen. Onze theologische visie heeft betekenis voor de practijk van het leven, zowel wat ons eigen geestelijk leven betreft, als ook onze omgang met anderen, vooral ook onze zielszorg aan anderen.
Komen we nu echter toe aan de persoonlijke practijk van ons geestelijk leven en de oplossing van de levensvragen aangaande onze staat voor de eeuwigheid voor ons persoonlijk, dan zal het duidelijk zijn, dat het gaat om de vraag naar het geloof in Christus en geenszins om de vraag naar onze wedergeboorte. Want immers het nieuwe leven vindt zijn wortel in de onverbreekbare geestelijke band tussen Christus en de zondaar, welke met het geloof in zijn wortel gegeven is. Maar dan kan mijn wedergeboorte nooit voor mijn bewustzijn treden dan in de bewuste geloofsomhelzing van Christus. Bovendien worden de kenmerken van het nieuwe leven in een verandering van mijn hart voor mijn bewustzijn als grond geheel weggeslagen. Ik kan er niet wijzer uit worden met het oog op mijn genadestaat.
Het leven is immer geloofsleven. Daarom leeft de zondaar alleen door het geloof in Christus en kan zich slechts zijn nieuwe leven bewust worden in bewuste geloofsomhelzing van Christus. Zo blijft de vraag : geloof ik in Christus, dan zal ik zalig worden en niet : ben ik wedergeboren ? , zo merkt ds. Kievit op in een artikelenreeks over de voorbereidende genade (G. W. 44e jaarg. blz. 308). Elders in deze artikelen merkt hij dan ook terecht op : Veel bekommering en vreze kan er zijn zolang het geloof in Christus niet doorbeekt en wij mogen weten macht te hebben ontvangen een kind Gods genaamd te worden.
Zo kunnen we dan geen wetenschap omdragen van onze wedergeboorte dan vanuit bewuste geloofsgemeenschap met Christus. Ik zou zeggen : dat is toch eenvoudig. Waarom wordt het toch allemaal zo ingewikkeld gemaakt ? Waarom ergens week aan week maar geschreven over wat die en die hebben, geschreven ? De verwarring wordt er maar groter door. Beter ware m.i. om eenvoudig en zo mogelijk glashelder thetisch uit de Schrift de leerstukken aan het volk te onderwijzen, want dat is broodnodig. En er wordt maar geredeneerd en gedebateerd en het wordt al ingewikkelder gemaakt. Maar het is heel eenvoudig. We belijden het eenzijdige genadewerk Gods, ook in de toepassing des heils, maar voor mij persoonlijk komt aan de orde de vraag naar het geloof in Christus, de verzoening met God, de vergeving mijner zonden. En als zodanig heeft dat ook onze prediking en zielszorg te beheersen. Waarop valt dan voor ons de klemtoon ? Vanzelf op de bewuste vereniging met Christus. Zo leren we voluit reformatorisch denken. Waarom pasten de reformatoren in het algemeen de term wedergeboorte niet toe op de eerste schenking van het geloof en het nieuwe leven ? Omdat ze, zoals dr Polman zegt, meest denken aan de bewuste ontvangst van een nieuw hart, van nieuwe gezindheden en gevoelens, die uit de gemeenschap met Christus door Geesteswerk dóór het geloof als instrument ontvangen worden (dr A. D. R. Polman, Onze Nederl. Geloofsbel. III, blz. 118).
Zo is het. We hebben onze objectieve theologische visie aangaande de orde des heils, maar centraal staat voor ons de rechtvaardigmaking. En dat geldt zeker wat betreft de subjectieve bewustwording van het deelgenootschap aan het heil. Eerst vanuit de rechtvaardigmaking kan voor mij het licht opgaan over mijn wedergeboorte. En alles waarin men anders over zijn wedergeboorte praat, lijkt mij slechts gebazel van eèn mens, die zichzelf in zijn vroomheid opbouwt en stijft.
Nu moet men niet aan komen dragen met de bewering, dat bij deze opvatting van de wedergeboorte in haar eerste stadium, niet de goddeloze, maar de wedergeborene gerechtvaardigd wordt, want dan gaat men het één weer over het ander schuiven. Men trekt het weer in de beschouwing. Wat weet die mens, die een goddeloze zich leert kennen en worstelt met de vraag : hoe zal ik rechtvaardig verschijnen voor God, van zijn wedergeboorte af ? Het zal voor zo één heel eenvoudig worden : hij leert zich kennen als een kind des doods. En als hij geen Borg voor zijn ziel leert kennen, zal alles blijken inbeeldsel te zijn geweest. Want de wedergeboorte ontvangt zijn waarmerk uit de rechtvaardigmaking.
Zo komt de rechtvaardigmaking centraal te staan, zoals bij de reformatoren en trouwens ook bij onze beste oudvaders. En dan de rechtvaardigmaking als de rechtvaardigmaking van de goddeloze, zoals die in de vierschaar van het geweten — om deze oude uitdrukking eens te gebruiken — doorleefd wordt, als Gods uur geslagen is. Want daarin alleen ontvangen we de vaste wetenschap macht ontvangen te hebben kinderen Gods genaamd te worden.
We bedoelen de vrijsprekende daad Gods betreffende de zondaar, die als goddeloze voor eigen bewustzijn het doem vonnis in zijn hart draagt en onder de openbaring van de toorn Gods aan zijn hart bezwijkt. Deze rechtvaardigmakende daad Gods in de toepassing des heils wordt niet ingeleefd in een vluchten naar Jezus (waar is Hij, de ziel ziet Hem niet, maar vlammen en gericht) ; zij wordt niet gekend in een eens toevlucht mogen nemen tot Jezus, nu eens en andermaal met tussenpozen daartussen van.... ja, wat eigenlijk ? , een soort in de lucht hangen ? Neen, ze wordt ingeleefd in een voor God als onze hemelse Rechter getrokken zijn. Wiens doemvonnis we in ons hart ontvangen, doch Die vrijspreekt en de zonden vergeeft om het intreden van Christus als Borg en Pleitbezorger, zoals Hij aan ons hart wordt geopenbaard.
Zo alleen kan het vaste fundament in ons leven gelegd worden, het fundament, dat niet wankelt en waarop Paulus doelt als hij schrijft : Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest. Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods. (Rom. 8:1, 2). Hierin liggen de vergeving der zonden en het nieuwe leven tezamen verenigd.
Hierom en om de vruchten daarvan moet het uiteindelijk altijd weer gaan in ons persoonlijk leven, onze preek, onze meditatie enz. enz.
En anders ? ... . Wel dan cirkelen we maar wat om de vrome mens en onszelf, maar puren we geen honing uit de Roos van Saron, de Lelie der dalen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's