IK HEB GELOOFD EN DAAROM
, , God, onze hemelse Vader, willende uit het verdorven menselijk geslacht een gemeente roepen en vergaderen ten eeuwigen leven, gebruikt daartoe door een bizondere genade de dienst van mensen." (Form, tot Bev. van Dienaars des Woords). Over deze bizondere genade na te denken moet ons telkens weer een uitzonderlijk voorrecht zijn.
Van de plaats, waar de bediening des Woords geschiedt gelden Jacobs bevindingen : , , Hoe vreeslijk is deze plaats ! Dit is niet dan een huis Gods en een poort des hemels." Huiveringwekkend en heerlijk toch. Dit gevoelen zij in de prediker gedurig. Hij is maar een mens, een „mannetje" zegt Calvijn, niets menselijks is hem vreemd, en toch een man Gods. In de hedendaagse theologie is men, zoals ten overvloede blijkt uit vele openhartige ontboezemingen van moedeloze predikanten, wel overtuigd van het maar mens zijn en van het niets menselijks is me vreemd, maar God is zo ongenaakbaar ver, zodat men waant dat God haast per ongeluk van mensenwoord Zich bedient. De crisis der middenorthodoxie is mogelijk symptoom van een dieperliggende crisis. De consequenties van de vigerende theologie worden nu eerst recht aan het hart gelegd van de predikers zelf. Het is zo verwonderlijk niet dat de weg naar Rome lokt. Daar is de gewisheid van het categorisch cathedrale spreken. Wanneer de stukken zo liggen is het wel van groot belang om stil te staan bij de betekenis van het geloof van de prediking. Ik geloof dat ons is opgelegd te prediken uit geloof het geloof tot geloof.
Met geloof gemengd.
Men krijgt de indruk dat dr Berkhof gelijk heeft als hij — in zijn welbekende brochure — zegt": , , het heil wordt verkondigd, zonder dat dit voor een beslissing stelt".-Christus heeft het zo volkomen volbracht, dat Hij ons ontsloeg ook van de eis het te geloven. Ja Hij geloofde ook voor ons. Of we geloven of niet, evengoed vrienden. Willen we nog geloven, het zij zo, maar het is een overtollig goed werk. Bij mijn weten is het in Amerika nog niet vertoond dat de een of andere delicatesse werd geveild met spijsvertering en al. Men moge deze beeldspraak gechargeerd vinden, maar dan moet men toch een beetje voorzichtig met zijn woorden zijn, want het doet toch maar super-Amerikaans aan. De verkondiging van het weergaloos heil stelt voor een beslissing. Moeten we daarvoor het Schriftbewijs leveren ? Dat inderdaad schijnt een overtollig goed werk. Maar welaan. Petrus' eerste Pinksterpreek was toch wel een specimen van waarachtige verkondiging. De hoorders werden verslagen in hun harten en zeiden : „Wat zullen we doen, mannen broeders ? " Petrus antwoordde niet: „Wat te doen staat is gedaan." Hij sprak : , , Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen." Onze belijdenis (DL) zegt dat we de belofte van het Evangelie moeten verkondigen en voorstellen met bevel van bekering en geloof. Weliswaar betekent deze Evangelieverkondiging niet een drastische prijsverlaging en een ongehoorde uitverkoop van de zijde Gods, alsof de eis van werken der wet nu tot een absoluut minimuni is gereduceerd. Het geloof is een heel andere categorie dan het goede werk. De eis des geloofs is een wonderlijke roep, hij verlamt alle werkzaamheid maar snijdt ook elke vlucht in lijdelijke werkeloosheid af. We kunnen het geloof niet begrijpelijk en doorzichtig maken voor de natuurlijke mens, maar we mogen voor zijn niet-begrijpen geen begrip tonen.
De dogmatische bezinning aangaande het geloof brengt ons bij de begrippen wedergeboorte en bekering. Men zegt God roept de dingen die niet zijn in het aanzijn. Hij sprak : , , Daar zij licht" en er was licht. Zo ook zegt Hij : , , Gelooft" en zie daar is geloof. Ja maar voor mijn besef beluister ik in de roepstem , , Gelooft" ook iets van het „Waar zijt gij ? " tot Adam. Het is niet zonder meer een scheppend roepen neen ook een herscheppend. Het bevel van bekering en geloof is zowel doodsteek als wekroep. Prof. van Niftrik beweert dat de dialectische theologen als beleefde bedelaars de kunst verstaan om met twee woorden te spreken.
Ik zou zeggen, het ene woord van de verkondiging van het volkomen volbrachte werk vraagt het andere woord : bekeert u en gelooft het evangelie. Me dunkt dat de gereformeerde theologie op dit punt dialectischer is dan de dialectische zelve. Ons bezwaar is dan ook soms tegen de dialectische theologie dat ze het niet is, althans waar ze het moest zijn. De dialectische theologie zou ook op het punt van de algemene en bizondere openbaring wel iets dialectischer kunnen denken.
In de werkplaats of in het heiligdom ?
De prediking is niet het goede werk bij uitstek — om niet in het liturgisch zog te geraken, maar toch wel een goed werk. We mogen daarom als eisen stellen dat de prediking en met name de voorbereiding geschiedt uit geloof in strikte gehoorzaamheid aan het Woord. De voorbereiding is niet exclusief een wetenschappelijke bezigheid, veeleer en veelmeer een godvruchtige bemoeiing. De preek moet geboren worden in de binnenkamer. Wie geen binnenkamer heeft, kent geen innerlijk leven. Ik vrees wel eens dat onze prediking te veel geurt naar de lamp en de tabakswalm en te weinig naar de wierook van de gebeden der heiligen. Preken zijn vaak taai en droog omdat ze niet besproeid zijn met tranen. Het behoort niet tot het rijk der onmogelijkheden dat ook een domineesbroek , , gelapt" wordt, maar komen er dan stukken op de knieën ?
Men spreekt wel eens een beetje ironisch van de studeerkamer als het heiligdom. Maar is het niet een heiligdom ? Draaien we de preken week aan week van de stencilrol van een leerstellig schema dat we ons hebben eigen gemaakt ? Me dunkt op de studeerkamer mogen we wel eens denken als Asaf om het te mogen verstaan, en dat niet alleen verstandelijk maar ook met ons hart en gemoed, maar het is moeite in onze ogen. Jammer voor de gemeente en ook voor onszelf, wanneer we niet geregeld met onze persoon vastlopen.
Maar dan moet er ook op volgen een , , totdat ik in Gods heiligdommen inging." Zoals een jongen zijn werk maakt in de nabijheid van zijn meester, zo moeten we onze preken voorbereiden in de nabijheid van Hem, die beloofd heeft: , , Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die ge gaan zult ; Ik zal raad geven. Mijn oog zal op u zijn. We gaan gauwer op de tenen staan om een of andere geleerde commentator te raadplegen, dan dat we knielen om God te vragen om licht over Zijn eigen Woord. Geenszins verachten we de studie. Het ene zal men doen, maar het andere niet nalaten. Hoe kunnen we het gebed dringend aanbevelen, wanneer we zelf zo weinig waarachtige ernst met het gebed maken. Als de prediker Zaterdags in geloof doorleeft „totdat ik in Gods heiligdommen inging" en met blijdschap ontdekking en openbaring ontvangt, zal hij ongetwijfeld Zondags op de kansel iets hebben van de vrouw, die vriendinnen en burinnen samenroept en zegt : Weest blijde met mij. Hoe kunnen we zo tekeer gaan over het feit dat de gemeente zo weinig ernst maakt met de prediking, wanneer we ook als predikers bij de voorbereiding zo weinig metterdaad het geloof beoefenen ?
Op ketterjacht.
Ik geef u niet de gelegenheid om mij al of niet officieel te beschuldigen van Donatisme. Geenszins heeft u het recht de consequentie te trekken, dat ik van oordeel ben dat de wettigheid van de prediking moet opgehangen worden aan het geloof van de persoon van de prediker. Van het woord „prediken" wordt in een veelgebruikt theologisch woordenboek gezegd dat de onberispelijkheid en de christelijkheid van de prediker niet beslissend is voor de waarde en het effect van de prediking. Christus kan immers onder een deksel — uit onzuivere motieven — toch verkondigd worden ! Van ganser harte accoord. De gemeente kan het daar mee doen. Maar zijn de predikanten er ook mee klaar. Wee mij wanneer - ik zelf verwerpelijk word bevonden. Die een ander leert, leert ge uzelve niet ? We zouden de verantwoording niet kunnen dragen, wanneer van ons persoonlijk geloof alles afhing. Maar Paulus schrijft toch ook maar : , , Hetgeen gij ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doet dat." (Filip. 4 : 9).
We kunnen Paulus niet beschuldigen van Christenprediking, maar hij dorst wel te zeggen : , , Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, zodanigen werden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden". Een dominee kan zich niet de weelde veroorloven van de handelsreiziger, die met alle welsprekendheid z'n veiligheidsscheermesjes aan de man brengt, terwijl hij in vertrouwen doodleuk zegt : zelf scheer ik me electrisch.
Het kerygma.
Men spreekt tegenwoordig van het kerygma — de boodschap — alsof er verder niets bestaat. Als we echter door Gods Woord ons laten leiden, vernemen we dat de discipelen van vandaag, apostelen van morgen zijn. Deze discipelen hadden een persoonlijke binding aan hun hoogste Leraar. Hij leerde geen zaak, geen les, geen stelsel of systeem, Hij leerde Zichzelf, Zijn Persoon. De Leraar was de Les. Het onderwijs droeg vrucht in de belijdenis : Gij zijt de Zoon des Levenden Gods of in het Mijn Heere en mijn God. Dit discipelschap is geen voorbijgaande ontwikkelingsphase. De Apostel blijft discipel, persoonlijk gebonden door een levensrelatie, door een geloofsrelatie aan zijn Rabbouni, van Wiens opstanding hij getuige is. Juist het geloof in de opstanding, maakt dat hij niet wanhoopt aan de uitwerking van de prediking, die doden de Stem laat horen. De Opstanding is zon en middelpunt van al de stralen der verkondiging.
Getuige.
De discipel wordt getuige en dan mogen we letten op de betekenis van het bijbelse , , getuigen" vooral ook in de Johanneïsche geschriften. De apostelen waren getuigen, omdat ze de feiten — de heilsfeiten — beleefd hadden en de betekenis daarvan in het geloof hadden gegrepen. Datzelfde woordenboek, dat ik al eerder eens met u heb opgeslagen zegt van deze getuigen : , , Hierdoor — door dat beleven en geloven van de betekenis der heilsfeiten — werd het kerygma — de verkondiging — tot kerygma". Wilt ge per se spreken van een „doorgeven van de boodschap" zoals in de mode is vandaag, vooruit dan, mits dan een boodschap wordt doorgereikt, die doorging door eigen hart en leven. De dorsende os moet ge niet muilbanden, de prediker , , muilbande" zichzelf ook niet.
Bewogenheid.
Bij de term , , doorgeven van de boodschap" wordt ook vaak gevoegd het woord , , bewogenheid". Stellig, omdat men voelt dat het met dat doorgeven niet al te objectief en zakelijk mag toegaan. Maar wanneer we zelf de waarheid geproefd hebben — ja, precies zoals moeder in de keuken, moet ook de prediker vooraf iets proeven van de maaltijd die hij de gemeente voorzet —dan is in ons de ware bewogenheid. „Mijn kinderkens — aldus Johannes — — die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge" — voegt Paulus daaraan toe. Of elders : „Wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u gelijk als een voedster haar kinderen koestert". Dan is in ons het gevoelen dat ook in Christus was, die de scharen ziende, innerlijk met ontferming bewogen werd, omdat ze vermoeid en verstrooid waren gelijk schapen die geen herder hebben. „Vaerwel mijne schaapkens" aldus het afscheid van Guido de Brés. Zo'n zinnetje doet ons schuchter blikken in het liefdevolle hart van een herder. Men hoeft ons heus niet wijs te maken, dat deze opsteller onzer belijdenis een man was, die ver van mensen en wereldvreemd scolastieke leerformules opstelde, terwijl hij anderen de brandstapel liet opgaan.
Christusprediking.
We komen als de wijzen uit het verre Oosten op hun steile kamelen, met behulp van onze wetenschappelijke middelen van vervoer uit onze Westerse wereld tot onze tekst, maar op een gegeven moment stijgen we af, als we Christus vinden, om voor Hem neer te vallen en Hem te aanbidden. Dan wordt de prediking geboren. Hoe zullen we prediken, zonder gezonden te zijn, zonder te geloven. Gelooft aleer ge predikt en predikende gelooft dan nog. Want de woorden keren niet leeg terug. Ik heb geloofd en daarom spreek ik. Ik heb geloofd en daarom preek ik.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's