HET CONVENT VAN WEZEL EN DE OUDERLINGEN
Reeds in 1538 ving de Zeeuw Iman Ortzen aan het Evangelie in Wezel te prediken. Wel moest hij deze arbeid gedurende twaalf jaren onderbreken, maar vanaf 1560 heeft hij tot zijn dood in 1571 het werk der Hervorming voortgezet. In deze periode werden velen gedwongen hun vaderland om des geloofswille te verlaten, ook in Wezel werden deze vluchtelingen liefderijk opgenomen, zodat deze stad de bijnaam verkreeg van „De herberg der geuzen". Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat toen in 1568 vooraanstaande predikanten en leden der Nederlandse kerk bijeen wilden komen om de belangen der Nederlandse Kerk te bespreken, hun oog viel op Wezel om daar deze samenkomst te beleggen. Ze wilden nu een kerkvergadering houden, niet alleen voor de Waalse gemeenten, maar voor de gehele Nederl. Kerk. Zo kwam op 3 Nov. 1568 het Convent van Wezel bijeen. Wij spreken hier van convent en niet van synode, omdat degenen, die bijeen kwamen niet afgevaardigden der kerken waren. Daarom lieten zij ook vele zaken open, om door latere synoden beslist te worden. Zij achtten het echter nodig zekere orde op zaken te stellen en algemene regelen te geven, waarnaar alle kerken zich zouden gedragen.
Vele bekende persoonlijkheden namen aan dit convent deel, de meest bekenden zijn wel Petrus Dathenus en Marnix van St. Aldegonde. Deze vergadering heeft weinig bekendheid verkregen en verschillende geschiedschrijvers zwijgen er geheel over, eerst in later eeuwen hebben de geschiedvorsers haar weer in de belangstelling geplaatst.
Op dit Convent werd nu ook gehandeld over de taak der ouderlingen. Zij kwamen daarbij tot de volgende conclusies.
Nu volgt het ambt of de dienst der Oudsten of Opzieners, die door Paulus aangeduid worden met de naam van regeerders of voorgangers, en daarom samen met de Dienaren des Woords de Kerkeraad uitmaken.
Ongetwijfeld bestaat hun ambt hierin, dat zij een iegelijk over zijn eigen parochie (of wijk) naarstig toezicht houden en de hun toevertrouwde gemeenteleden van huis tot huis minstens eenmaal per week bezoeken en voorts zo dikwijls het de gewoonte zal zijn, naar de regeling van elke kerk ; vooral bij de nadering van de Avondmaalsviering. Dan zullen zij naar de zuiverheid van hun levenswandel en zeden, naar hun getrouwe onderwijzing van hun huisgenoten, naar de gebeden, die zij in de morgen en avond voor hun huisgenoten doen en naar soortgelijke dingen, nauwkeurig een onderzoek instellen ; zij zullen hen zacht, maar toch ernstig vermanen en naar gelegenheid en bevind van zaken hen tot standvastigheid vermanen of ook tot lijdzaamheid sterken, of ook wel tot de ernstige vreze Gods hen opwekken ; een iegelijk, die hetzij troost, hetzij bestraffing van node heeft, vertroosten of bestraffen ; en, indien de nood het vereist, zullen zij de zaak die behandeld moet worden brengen bij hen, die met hen tot de broederlijke vermaning gesteld zijn, om zo dan gemeenschappelijk de de terechtwijzing, naar gelang van de overtreding, vast te stellen. Zij zullen ook niet vergeten allen en een iegelijk in hun wijk te vermanen, dat zij hun kinderen ter catechisatie zullen zenden.
Om het werk der ouderlingen tot uitvoering te kunnen brengen zal het nodig zijn zo spoedig mogelijk elke kerk in vaste wijken te verdelen naar gelang van het aantal gemeenteleden en het gemak der gelovigen, die daar wonen. Aan het hoofd van elke wijk zal men enkele ouderlingen stellen, die elke week op een vastgestelde dag in de gemeenschappelijke kerkeraadsvergadering zullen mededelen of alles in hun wijk recht en naar wens toegaat. De ouderlingen moeten bij al hun doen en laten indachtig zijn, dat zij niet alleen voor de kerk, maar ook voor God Zelf rekenschap zullen moeten afleggen van de zielen, die aan hun zorgen zijn toebetrouwd.
Bij de indeling der wijken zal men niet zozeer rekening houden met der ouderlingen bloedverwantschap, zwagerschap of onderlinge omgang, als wel acht geven op hun woonplaats en nabuurschap, wat voor de ouderlingen geriefelijk is en voor hun werk passend. Zeer zal men er echter naar moeten staan, dat die dingen aanwezig zijn, die Paulus vereist voor de ouderlingen der gemeente, n.l. een onbestraffelijk leven, zuivere godsdienst, uitstekende godzaligheid en geestelijke wijsheid, waarbij het buitengewoon van nut zal zijn, dat men bij deze dingen ook enige kennis heeft van burgerlijke zaken. Maar voor alles zullen zij afkerig moeten zijn van alle eerzucht en haken naar roem, ja, ook alle schijn van eerzucht zal verre moeten zijn bij hen.
Zij, die tot ouderling gekozen zijn, zullen in tegenwoordigheid van hun medeouderlingen, of zo het kan in bijzijn van heel de gemeente, in handen van de Dienaar des Woords beloven, dat zij, gelijk hun ambt dit eist, alle afgoderij, godslastering, ketterijen, overdadige weelde en alle overige dingen, die met Gods eer en de reformatie der kerk in openbare strijd zijn, zullen tegenstaan en stipt en getrouw hen, die aan hun zorg zijn toebetrouwd, naar ieders omstandigheid en de gelegenheid der zaken zullen vermanen. In de tweede plaats, dat zij, indien hun iets van belang toeschijnt, dit bij de kerkeraad zullen overbrengen en hun ambt zo getrouw mogelijk zullen vervullen; dat zij zich ook geenszins zullen laten verleiden, hetzij door gunst, hetzij door geld ; maar alleen rekening zullen houden met de kerk en de naam des Heeren.
Dat zij voorts niet in het minste gezag of vrijheid zich zullen aanmatigen om te heersen, noch over de Dienaren des Woords, noch over de gemeente, en dat zij niet op eigen gezag nieuwe wetten zullen invoeren, maar zich zullen houden aan de ordeningen door de kerken en door de synode vastgesteld.
En zo er iets nieuws zich mocht voordoen, wat een nauwkeuriger onderzoek vereist, dat zij dit dan tot de vergadering der classis of van de provinciale synode zullen brengen, opdat daar met gemeen goedvinden worde vastgesteld, wat in het belang der kerken zal zijn.
En dan eindelijk zullen zij na voorafgaande plechtige gebeden (want de oplegging der handen laten wij ook hier in de vrijheid der kerken) tot de bediening van hun ambt toegelaten worden.
Ook moeten de ouderlingen weten, dat het tot hun ambt behoort de zieken te bezoeken en te troosten. Hoewel deze zorg ook aan de diakenen volgens hun ambt is opgelegd, n.l. dat zij de kranken niet alleen verkwikken met de dingen die voor hun levensonderhoud nodig zijn, maar hen ook opbeuren door vertroosting. Daarom zal het nodig zijn dat door de ouderlingen (die de zieken bezoeken) de namen der kranken en voornamelijk van hen, die behoeftig zijn, schriftelijk aan de diakenen worden medegedeeld, opdat dezen hun ambt te beter kunnen vervullen.
Het maken van wetten echter of het oefenen van gezag, hetzij over de dienaren des Woords en hun ambtgenoten, hetzij over de gemeente, behoort, — dat moeten zij bedenken — allerminst tot hun ambt ; evenmin als het houden van kerkeraadsvergadering naar eigen believen, zonder dat de dienaren des Woords dit weten of er bij tegenwoordig zijn.
Moet er echter bij afwezig zijn van de dienaren des Woords een kerkeraadsvergadering gehouden worden, ; dan zullen de ouderlingen zeker verplicht zijn aan de dienaren des Woords mededeling te doen van de reden, waarom vergaderd moest worden, alsook van hetgeen behandeld is.
Ook indien er een dienaar afgevaardigd moet worden, zo zal het niet oorbaar zijn dat de ouderlingen daarover een besluit nemen dan na een andere dienaar des Woords, of althans de doctoren en profeten, er bij geroepen te hebben ; en dat, aangezien het niet behoorlijk is, dat gedurende de afwezigheid van de dienaar des Woords de zorg voor de gemeente voor hun rekening komt buiten hun weten of tegen hun wil.
Zo dikwijls echter met gemene toestemming of een dienaar des Woords of iemand anders, die een openbaar ambt bekleedt, ergens heen gezonden of met enig ander werk ten bate der gemeente belast zal geworden zijn, zo behoort hij dit gaarne en zonder bezwaar te maken op zich te nemen en met een volvaardig gemoed uit te voeren, bedenkende, dat hij in de dienst van onze Heere Jezus Christus staat en allerminst zijn eigen heer en meester is. Anderszins, indien hij niet zich wil onderwerpen aan het oordeel der broederen, hetzij van de classis, hetzij van de kerkeraad, zo zal men met hem handelen volgens het formulier van de kerkelijke tucht.
Zoals wij om vele oorzaken het niet alleen nuttig, maar volstrekt nodig oordelen, dat door één der ouderlingen, daartoe aangewezen, alle handelingen van de kerkeraad in een afzonderlijk boek nauwkeurig worden aangetekend, zo is het ook behoorlijk en met Gods Woord overeenstemmende, dat de diakenen al hun ontvangsten en uitgaven nauwkeurig opschrijven en iedere maand, of zo dikwijls dat overigens nodig zal blijken, aan de kerkeraad rekening en verantwoording doen.
De manier, waarop de ouderlingen verkozen worden is dezelfde als die voor de dienaren des Woords. Geen verkiezing kan voor wettig gehouden worden, tenzij daarbij zooveel mogelijk buitengesloten zij de kuiperij van hem die beroepen zal worden of beroepen is en de lichtvaardige, teugelloze genegenheden van het volk en de eerzuchtige overheersing van ouderlingen en voorgangers.
Om deze ongeoorloofde dingen te voorkomen zou het voorwaar te wensen zijn, dat de godvruchtige overheid hulp wilde verlenen bij het rijp beraad en de voorzichtige keuze der ouderlingen. Want op die manier zou al het goeddunken des volks vrij kunnen berusten in hun beider saamgevoegd gezag. (Ik betwijfel ernstig of dit zuiver calvinistisch gedacht is !)
Daar echter nauwelijks mag worden gehoopt, dat dit zal geschieden, zo menen wij, dat geen betere regeling kan worden-uitgevonden, dan dat de gemene bewilliging der gemeente gevoegd worde bij het gezag der ouderlingen. En op die manier zal men in iedere kerk zolang te werk gaan, totdat de synode, nadat de verdeling der classes zal hebben plaats gehad, zal hebben besloten, dat de dienaren des Woords en ouderlingen van meerdere kerken moeten samenkomen, als er in een of andere kerk verkiezing en examinatie moet plaats hebben. Als het zo geregeld is, komt het ons voor, dat de toestemming des volks niet zozeer van node is, daar de autoriteit van meerdere kerken voldoende is om de onmatige driften der ouderlingen (indien dezulken wellicht, wat God verhoede, mochten ingeslopen zijn) te beteugelen.
Zolang dit echter nog niet in toepassing kan worden gebracht, oordelen wij, opdat aan de ouderlingen toch niet meer macht en vrijheid worde toegestaan dan tegenover de gemeente billijk is, dat een dubbel getal van personen, die, na rijp beraad, door de ouderlingen zijn uitgezocht en, na onderzoek, goed bevonden (indien deze althans te verkrijgen zijn) aan de gemeente met name zullen worden bekend gemaakt, waarvan dan het halve deel, door de stemming der afzonderlijke gemeenteleden gekozen zijnde, tot de uitoefening van hun dienst zal worden toegelaten.
In gemeenten echter, waar het volk het verkiezen van ambtsdragers eigenlijk nog niet goed kan verrichten, hetzij wegens het klein getal der gelovigen, hetzij wegens het gebrek aan goed onderlegde en geoefende mannen, hetzij wegens woelige partijstrijd, of ook wel omdat op die plaatsen nooit te voren enig dienaar of enige kerkelijke orde geweest is, oordelen wij, dat men daar niemand in het ambt behoort te zetten, tenzij met hulp en onder autoriteit van een Uefst wat betekenende, naburige kerk.
Wij oordelen, wat deze zaken betreft, dat men naar het voorbeeld der apostelen, een dag zal aanwijzen voor vromelijk vasten en bidden, opdat de Heere met Zijn Heilige Geest in het midden mag zijn en zowel de keuze en het onderzoek door de ouderlingen, als de stemming van het volk, mag zegenen.
Aldus oordeelde het convent van Wezel. Ik merk hierbij thans alleen op, dat in 1566 in de geloofsbelijdenis een wijziging werd aangebracht door de Waalse Synode in artikel 31, waarin stond : Wij geloven, dat de Dienaars, Ouderlingen en Diakenen, in haar dienst door wettige verkiezing gekozen moeten worden, met aanroeping van Gods Naam en keurstemmen der kerken. Na wijziging stond er : tot hare ambten behoren verkozen te worden door wettige verkiezing der kerk met aanroeping van Gods Naam.
De keurstemmen der kerken zijn hier weggelaten ; ik meen hier in Wezel dezelfde neiging op te merken : de invloed van het volk wil men achteruitdringen. Misschien vinden we later nog wel gelegenheid hierop terug te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's