De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VREZE DES HEEREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VREZE DES HEEREN

11 minuten leestijd

„En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hun kinderen na hen". Jeremia 32 vs. 39.

De profeet Jeremia heeft de gerichten des Heeren moeten aankondigen. Een ernstige klacht heeft de Heere laten horen door de mond van Zijn dienaar, want het volk heeft de wegen des Heeren verlaten en Zijn wet met de voeten vertreden. En daarom is de Heere bezig dat volk te straffen. En zwaardere straffen zullen nog volgen. Naarmate de afval van het volk toeneemt blijkt het almeer, dat er van het volk niets te verwachten is. Nu moet Hij wel straffen. Hij zendt hen in ballingschap. Hij zal Zijn aangezicht voor hen verbergen.

Maar daarnaast zal Hij Zijn belofte, aan hen gedaan, ook niet onvervuld laten. Na het gericht zal er betoning van barmhartigheid geschieden.

Wat is die barmhartigheid, die Hij hen bewijzen zal? Wel, de Heere zal Zijn volk weer terughalen uit Babel. Om hun zonden moesten zij daarheen, maar om Zijn barmhartigheid zullen zij weer mogen terugkeren.

Maar méér nog zal Hij doen. Niet alleen Zijn volk terughalen uit Babel, naar het land der vaderen, maar Hij zal ook een inwendige vernieuwing schenken. De Heere belooft : „Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn" (32 vs. 38). Hij zal hen leren Hem te vrezen en daartoe zal Hij hun geven enerlei hart en enerlei weg.

En zo gezien heeft deze belofte, eenmaal aan Israël gedaan, een veel wijdere strekking dan alleen aan het Israëlletische volk. Ze heeft betekenis tot op onze dag toe.

Eenmaal kende de mens de vreze des Heeren. Toen er in het paradijs een omgang was tussen de Heere en de mens, toen kende de mens de vreze Gods. Hij stond als een zoon bij de vader. Hij kende de intieme omgang, maar eveneens de eerbied en het ontzag. Evenwel de mens zondigde en die goede verhouding werd een vijandige. De intimiteit veranderde in wantrouwen ; de eerbied veranderde in hoogmoed. Maar ook óns laat de Heere telkens waarschuwen, dat de straf op onze afval komen zal en er reeds is. Indien een mens zich echter bekeert, dan wil de Heere hem bij vernieuwing de vreze des Heeren leren.

Vreze des Heeren, dat is geen slaafse vreze, geen bangheid. Vreze des Heeren, dat is de kinderlijke vreze. Hem erkennen als de souvereine Beschikker over ons leven, en dat niet al morrend en mokkend, maar in onderworpenheid aan Hem, dat is vreze. Vragen naar des Heeren wil ; Hem kennen en erkennen als de Leidsman van het leven, dat is vreze des Heeren. En kenmerk van de ware vreze des Heeren is luisteren naar Hem. Wij, mensen, praten zoveel, wij weten het zelf meestal zo goed, wij hebben 't luisteren verleerd, maar daarmede ook de vreze verloren. Toen de mens in het paradijs niet meer luisterde naar God, toen was hij ook de vreze des Heeren kwijt. Vreze des Heeren, dat is zich overgeven aan de Heere, eenswillend zijn met de Heere. Vrezen, dat is zoals een kind opziet tot zijn vader en toch vader liefheeft en alles van vader aanvaardt, omdat het vader vertrouwt.

Zo nu behoorde een mens de Heere te vrezen, 't Allerhoogst en eeuwig goed.

En nu is een mens juist geneigd niet te luisteren naar de Hèere, maar zich tegen Hem te verzetten. Ja, zolang die wil des Heeren gelijk loopt met de onze, dan gaat het wel. Wanneer daar is voorspoed en geluk en ons alles voor de wind gaat, dan gaat het nog wel, maar als de tegenslagen komen, dan gaan we ons verzetten. Neen, die vreze des Heeren is geen goed, dat we van nature bezitten. De mens wil eigen weg bepalen, naar eigen stem luisteren. Zie het maar aan Israël. Omdat het in eigen wegen gaat en niet luistert naar de Heere, wordt het verbannen.

Hoe zal de mens, met zijn naar God gesloten, en naar de wereld geopende hart, de Heere kunnen vrezen? Een ongehoorzaam hart kan toch uit zich zelf niet gehoorzaam worden!

Daarvoor is nodig de werking des Heiligen Geestes. Die "Geest moet het onwillige hart eerst omzetten, het dode hart levend maken. De Heere moet Zelf eerst beginnen aan een mens. Hij moet de genade geven om Hem te vrezen. Hij moet het een mens Ieren Hem te vrezen. De Heere moet Zelf eerst komen om plaats te maken in het hart voor die vreze. Dat plaats maken doet de Heere door Zijn Heilige Geest. Door de wedergeboorte komt de Heere plaats te maken in het hart van de zondaar. Daarom zegt de Heere ook in het vorige vers: „Zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn".

Kent gij die vreze des Heeren in uw harten? Ge zoudt zo nodig alles kunnen missen, maar dit éne niet.

En weet ge hoe de Heere dit doet? De weg, waarop de Heere die ware vreze schenkt, is: , , En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen, al de dagen".

Enerlei hart en enerlei weg is de manier, waarop de Heilige Geest de mens de vreze des Heeren leert.

Enerlei hart ! Is dat wel zo, vragen wij ons af. Wat een onderscheid is er niet onder de mensen, ja, ook onder de godvrezenden. Wat een verscheidenheid in gaven en talenten. De een voelt zich meer tot dit, en de ander tot iets anders aangetrokken. Wat een verschil is er niet tussen de verschillende Richters, Profeten en Discipelen. Wat een verschil in aard en aanleg. En toch zegt de Heere hier: „Ik zal hun enerlei hart geven om Mij te vrezen". En denk dan aan de Pinksterdag. Toen waren al die verschillende discipelen eendrachtiglijk bijeen. Van hoeveel verschillende plaatsen ook afkomstig en hoe verschillend ook van karakter of aanleg, ze waren daar niet alleen bijeen, maar ze waren eendrachtiglijk bijeen, d.w.z. ze waren één van hart en één van zin en één van doel en één van verwachting.

Daar komt nog bij: enerlei weg. Hier wordt niet gesproken van de ene weg der verlossing, Jezus Christus. Hoe verschillend de mensen ook wezen mogen, als de Heere hen verlost, komen ze allen tot één en dezelfde Verlosser, Jezus Christus. De weg der verlossing is niet enerlei, maar één. „Niemand komt tot de Vader dan door Mij", zegt de Heere Jezus. Hier wordt gesproken van enerlei weg om Hem te vreezen.

Maar zegt ge, hoe verschillend zijn de wegen des Heeren niet, die Hij met Zijn kinderen houdt! Wanneer gij van elkander hoort de weg, die de Heere met hen hield, dan zult ge opmerken, dat er o zo weinig zijn, die precies aan elkaar gelijk zijn. De één werd langzaam getrokken en heel geleidelijk los gemaakt van de wereld, terwijl een ander door geweldige worstelingen heen moest. Wat is er een verschil in leeftijden, waarop de Heere een mens komt te trekken. De weg van de een is heel wat gemakkelijker dan de weg van een ander. De een moet veel meer door de diepte heen dan de ander.

En toch zegt de Heere: , , En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen, al de dagen". Is het niet zo, wanneer een mens zichzelf heeft leren kennen, dat Hij gaat vragen: , , Heere, verenig Gij mijn hart tot de vreze Uws naams". Ja, de zonde en de ongerechtigheid, die verdeelt en verscheurt. De zonde maakt alles kapot. De mooiste verhoudingen worden door de zonde verbroken. Zie het maar in het paradijs, zie het maar om u heen, zie het maar in uw eigen hart en leven! Maar wanneer de genade des Heeren komt, dan gaat die aan het verenigen. De Geest des Heeren die werkt een en hetzelfde geloof. Zeker, daar is in het rijk der genade grote verscheidenheid, evenals in het rijk der natuur, maar het is Een en. dezelfde Geest, die het werkt. En wanneer die Geest gaat werken in het hart van de zondaar, dan komt daar één begeerte, één lust, éen keus om de Heere te mogen toebehoren. Ze zullen toch allen de weg der zelfverloochening moeten gaan. Ze luisteren naar dezelfde naam : zondaar. Ze hopen op dezelfde naam : Jezus Christus. Ze worden gewassen in hetzelfde bloed en geheiligd door dezelfde Geest en ze zien uit naar hetzelfde Vaderhuis.

Neen, de verdeeldheid onder de ware belijders is niet goed te praten. Het is de zonde van Gods volk en van Zijn kerk, wanneer daar zo grote verscheurdheid is onder Gods kinderen. Eenmaal zal echter volkomen waar worden, wat God hier belooft door Jeremia : , , Ik zal hun geven enerlei hart en enerlei weg".

De Heere zal hun geven. Ze hebben dus geen enerlei hart en ze zijn niet op enerlei weg. Neen, die zijn er bij ons van nature niet. Maar Hij zal het geven, uit louter genade. Hebt gij zulk een hart ontvangen ? Bewandelt gij die weg ? De Heere geeft het omdat Hij alleen maar in Zijn eigen werk verheerlijkt kan worden, En Hij doet het , , om Hem te vrezen."

Kent gij die vreze des Heeren ? Alle dagen met eerbied tot Hem op zien ? Alle dagen alleen alles van Hem verwachten ? Wat is het daar dikwijls ver van daan. Maar , , Ik zal het geven" zegt de Heere. Waar de Heere begon te werken met Zijn Heilige Geest, daar zal Hij doorgaan met werken, zolang tot ze Hem alle dagen vrezen.

Het grote doel van al dat werk des Heeren is, dat de Zijnen Hem gaan vrezen. Niet alleen als ze in nood zijn, maar alle dagen. Niet alleen als ze bedroefd zijn, maar alle dagen. Heel het leven moet worden : , , Hem vrezen".. Daarin wordt de Heere verheerlijkt.

Evenwel zal hij, die de vreze des Heeren geleerd heeft, ook delen in de zegen daarvan. Want het komt , , hun ten goede". En dat is ook een wonder. Want wanneer een mens de Heere leert vrezen, dan zou de Heere nog kunnen zeggen, nu zijt ge nog maar een onnutte dienstknecht, want ge doet niet meer dan ge moet doen. Daar is echter een zegen in gelegen, wanneer wij de Heere hebben leren vrezen. Hem vrezen, dat is deel hebben aan het allerhoogste goed, dat nimmermeer vergaat. Dan krijgt ge deel aan Hem. En als ge Hem hebt, dan hebt ge ook deel aan al

Zijn schatten en gaven. De vreze des Heeren maakt rijk en zalig.

Gods verborgen omgang vinden zielen, waar Zijn vrees in woont; 't heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vree verbond, getoond.

Maar er is nog meer : „Mitsgaders hun kinderen na hen." En hierbij denken we als vanzelf aan de woorden' van Petrus op de Pinksterdag gesproken : , , Want u komt de belofte toe en uw kinderen, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal." De Heere zegt hier dat de vreze des Heeren de kinderen zal ten goede komen. Dit betekent niet, dat genade erfgoed is. En evenmin, dat alle kinderen van Godvrezende ouders zalig zullen worden. Maar het wil wel zeggen, dat de Heere in de lijn der ge­slachten wil werken. Daarom mogen zij, die de Heere waarlijk hebben leren vrezen pleiten op Gods beloften. En de Heere wil graag, dat wij bij Hem pleiten op de door Hem gegeven beloften. Wij doen alles wat we kunnen voor onze kinderen. Ouders leggen alles ten koste aan hun kinderen, maar dat ene, bekering en levensvernieuwing, kunnen ze hen niet geven. Maar nu zegt de Heere ge moogt pleiten op Mijn beloften, ge moogt pleiten op Mijn werk.

Als ge nu zelf delen moogt in de vreze des Heeren, dan gaat ge pleiten voor uw kinderen en dan gaat ge ze opdragen aan de troon der genade.

Wat wordt die vreze des Heeren dan rijk. Dan is het een genade daarin te mogen delen, maar dan moogt ge er ook nog om vragen voor uw kinderen.

Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij oi groot, wordt van dat heil, die weidaan deelgenoot. Hij zal ze groter maken, en z' u zowel als 't kroost, dat gij bemint, dat nevens u zich aan Gods wet verbindt, in dubb'le maat doen smaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VREZE DES HEEREN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's