De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

TWEE VERBONDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TWEE VERBONDEN

11 minuten leestijd

Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis Israels en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken, niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb ten dage, als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren, welk verbond met Mij zij vernietigd liebben, hoewel Ik ze getrouwd had, spreekt de Heere ; maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis Israels maken zal, spreekt de Heere : Ik zal Mijn wet in het binnenste geven en zal die in hun hart schrijven - , en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn ; en zij zullen niet meer een iegelijk zijn naaste en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende : Kent de Heere, want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de Heere, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken". (Jer. 31 vs. 31—34).

Hier is heel duidelijk van twee verbonden sprake en deze klassieke plaats geeft ook nader aan, welke twee verbonden worden bedoeld.

Het eerste is het verbond met Israël, ten dage als de Heere het uitleidde uit Egypte. In de tekst staat : , , het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb ten dage, als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren".

Het tweede is het nieuwe verbond, en, hoewel het er zo duidelijk niet staat, verstaan wij toch, dat dit ziet op het Evangelie der genade,

Deze plaats brengt ons bij de gangbare onderscheiding van de beide Testamenten der Heilige Schrift. Immers het Oude Testament bevat de boeken des Ouden Verbonds, laten wij zeggen de Godsopenbaring, welke aan Israël gedurende het Oude Verbond is geschonken terwijl het Nieuwe Testament de Godsopenbaring van het Nieuwe Verbond in Christus omvat. Daarom is het juister om te spreken van de boeken des Ouden- en des Nieuwen Verbonds.

Het Oude Testament, de Wet, de Psalmen en Profeten, wordt ook wel als geheel de Wet genaamd.

Het Oude Verbond zou men derhalve ook het Verbond der Wet kunnen noemen. En, als men dat doet, ligt het schijnbaar voor de hand om het Nieuwe Testament het Verbond des Evangelies te noemen.

Zulk een manier van spreken, zou dan met nadruk op het verschil der twee verbonden wijzen : n.l. Wet en Evangelie.

Ik zeg niet, dat het goed is, maar het gebeurt !

Op die wijze komen , , Wet en Evangelie" in een valse tegenstelling te staan. Zo iets van : de Wet heeft afgedaan, want het Oude Verbond heeft afgedaan. Zo oordeelt men naar aanleiding van de uitspraak van Hebr. 8 : 13. Immers daar wordt gesproken van het Verbond, dat verouderd is en der verdwijning nabij.

Wanneer men nu eerst het Oude Verbond beperkt tot het Verbond der Wet en dan het Oude Testament, omdat het ook de Wet wordt genoemd, gelijk stelt met het Verbond, dat verouderd is, dan is met het Oude Verbond ook heel de Godsopenbaring onder het Oude Verbond verworpen, als zijnde verouderd en der verdwijning nabij.

Het Oude Verbond moge verouderd zijn, de Godsopenbaring aan Israël, d.i. onder het Oude Verbond, blijft Gods onfeilbaar Woord, hetwelk ons de leidingen Gods met Zijn volk mededeelt en vertolkt.

Daarom moeten wij onderscheid maken tussen het Oude Verbond en de Godsopenbaring van het Oude Verbond, welke ons in het Oude Testament is bewaard gebleven, en zo is het ook met het Nieuwe Verbond, hetwelk onderscheiden moet worden van de Godsopenbaring van het Nieuwe Verbond, die wij in de boeken van het Nieuwe Testament mogen bezitten.

Het kan zijn nut hebben, hierop te wijzen, omdat er omtrent deze dingen in onze dagen verwarring wordt gesticht. Verbond en Godsopenbaring worden verward ten koste van de waardering van het Oude Testament.

De gevolgen daarvan kan men in het kerkelijk leven, bij wijze van spreken, dagelijks ontmoeten.

Het is volstrekt niet zelden, dat men met een nadrukkelijke voorkeur hoort spreken van het , , Nieuwe Testament", van , , het Evangelie", van het , , Nieuw- Testamentische lied", op een wijze, die  verraadt, dat men van de onderstelling uitgaat, dat het Oude Testament als Boek van Godsopenbaring en de Wet zouden hebben afgedaan.

Die zelfde mensen verbergen hun afkeer van en tegenzin in de leer der gereformeerde belijdenisgeschriften niet en willen daaraan ook een stempel der veroudering en, als het mogelijk ware, der verdwijning opdrukken, b v. door te spreken van een , , dominé met het Oud-Testamentische lied", ter aanduiding van een predikant, die zich in de prediking houdt aan de belijdenis der kerk en de moderne liturgische experimenten afwijst, zich houdende aan de liturgie van Dordt.

Sommigen zijn zó ijverig in deze propagande voor een z.g. , , Nieuw-Testamentisch Christendom", dat zij klaarblijkelijk geen oog meer hebben voor het Messiaans karakter van heel het Oude Testament, en zich een „Evangelie" maken, dat noch door het Oude, noch door het Nieuwe Testament wordt geleerd.

Als men op die wijze voortgaat, komt men terecht bij een z.g. Christendom, dat het wel geheel buiten de openbaring stellen kan. Buiten de Bijbel en buiten de kerk ! Immers, wie zijn oor te luisteren legt, kan opmerken, dat het met de waardering der kerk al even droevig gesteld is als met de waardering van de heilige Schrift en van de belijdenis der kerk. Hoe kan men dat ook anders verwachten?

Al deze verschijnselen hangen saam met het streven naar de synthese, hetwelk een der „doorbraak" kenmerken is. Denk maar aan de synthese : kerk en wereld, aan de uitdrukking : dienst aan de wereld, e.d.g. Men denke ook aan een synthetisch streven, dat zich onder de dekmantel van een oecumenische gezindheid zoekt te bevredigen.

Gaan wij nu echter terug naar de twee verbonden van Jeremia 31. Dit zijn ook de twee verbonden, waarop Paulus ziet in Gal. 4 vs. 24 en waarover Hebr. 8 vs. 8 spreekt. Hoezeer deze laatste plaats kennelijk bij Jeremia 31 aansluit, valt op, als wij de twee genoemde plaatsen vergelijken. De apostel Paulus spreekt in verband met het Oude Verbond van de Sinaï en van Jeruzalem, dat boven is, om het Nieuwe Verbond te typeren.

Hoe is nu de verhouding tussen die twee verbonden? Waarin verschillen zij, zodat het Oude Verbond zelfs der verdwijning nabij kan zijn? Waarin komen zij overeen?

Het is vooral de laatste vraag, die ons belang inboezemt, omdat er ook onder ons zijn, die aan deze vraag zelfs niet denken en het belang er van niet inzien, omdat zij eigenlijk in het geheel geen belangstelling voor zulke vragen hebben, terwijl er anderzijds zelfs eenvoudige gemeenteleden zijn, die zich gaarne bezig houden met het onderzoek der Schriften.

Het is toch de Schrift zelve, die ons aan het vragen zet.

Dat kan duidelijk worden, als wij eens beginnen bij de mensen, die zich tevreden stellen met de wetenschap, dat er twee verbonden zijn, een Oud en een Nieuw, en het is dat laatste, waarmede wij van doen hebben.

Wij vragen dezulken : Zeg mij, die de twee verbonden zo ver uit elkander rukt, wanneer begint het Nieuwe Verbond, waarmede gij alleen te maken zoudt hebben?

Wanneer begint dat in de Heilige Schrift ?

Met het Nieuwe Testament, zult gij zeggen, dus met Mattheüs 1 vs. 1.

Ziet gij wel, dat gij de Openbaring omtrent het Nieuwe Verbond en het Nieuwe Testament zelf ook verwart, net als die mensen van het Nieuw- Testamentische lied?

Maar dat is de vraag niet. Waar houdt het Oude Verbond volgens de Heilige Schrift op en waar begint het Nieuwe?

Behoort Johannes de Doper tot het Oude Verbond, of tot het Nieuwe?

Die vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden.

Bij de discipelen geldt de onderscheiding dergenen, die van den beginne getuigen zijn geweest van de Christus. Van den beginne? Waar is dat begin? Bij de geboorte in Bethlehem? Dat bedoelt de vergadering in Handelingen zeker niet. De discipelen gaan uit van de tijd van de openbaring van de Christus, als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. En die openba­ring als de van God gezonden Middelaar begint aan de Jordaan bij de Doop des Heren door Johannes, toen de Vader getuigde : , , Gij zijt Mijn geliefde _ Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen". (Lukas 3 vs. 22).

Men zou deze gebeurtenis dus kunnen aanmerken als het begin van het Nieuwe Verbond, maar het volk Israël leeft nog onder het Oude, dat der verdwijning nabij was.

Wanneer begint het Nieuwe Verbond voor de gemeente dan?

In de kring, die Christus om Zich verzamelt? Bij de discipelen, die er niets van begrepen?

Of soms, als de Heere uitroept : , , Het is volbracht", is dat het begin van het Nieuwe Verbond?

Of de opstanding, of de hemelvaart des Heeren?

Men ziet, dat het heus niet zo eenvoudig is. Wij kunnen alleen met zekerheid zeggen, dat het Nieuwe Verbond, wat de gemeente aangaat, op de Pinksterdag tot openbaring kwam.

En de strijd tussen Joden-Christenen en Christenen uit de heidenen, waarvan Handelingen 15 vs. 24 gewaagt, laat ons zien, dat in de eerste gemeente het Oude en Nieuwe nog dooreen gemengd werd.

Zeker, dat betrof met name de wijze van dienst onder de verbonden en die Hebr. 9 goed leest, zal ontdekken, dat met het verouderde en dat der verdwijning nabij is, bepaaldelijk de wijze van dienst onder het Oude Verbond, dus de dienst des Tabernakels, wordt bedoeld. Maar dat geldt dan ook alleen de uitwendige kant, de cultus en de ceremoniën der Wet, m.a.w. de godsdienstige vormen en gebruiken van het volk Israël.

De gemeente van het Nieuwe Verbond heeft dat verstaan en heeft de dienst der schaduwen, waarvan de Hebreënbrief spreekt, los gelaten. Wij vragen nu niet meer, wanneer het Oude Verbond is verdwenen, want dat raakt alleen de uitwendige zijde, zoals wij zoeven hebben gezien.

Maar nu de innerlijke zijde?

Is niet het Verbond de goddelijke bepaling van de verhouding, waarin de mens tot God de Heere wordt gesteld, en de wijze, waarop de Heere met de mens wil omgaan ? Zie, dat is de binnenkant !'Deze betreft het leven met God, de eis, waaronder Hij de mens zet, en de beloften des Verbonds.

Hier gaat het dus om het geloofsleven van Israël onder het Oude Verbond.

Zou deze inwendige zijde van het Oude Verbond ook zonder meer verouderd zijn en der verdwijning nabij, of zouden van uit het geloof bezien Oude en Nieuwe Verbond toch nog overeenkomst hebben, misschien verwant zijn?

De vergelijking van de dienst in de synagoge en die onder het Nieuwe Verbond doet vermoeden, dat de oudste gemeenten een gemeenschappelijke wortel in het Oude en Nieuwe Verbond hebben ontdekt : Is de God Israels niet de God van het Nieuwe Verbond ? Is Zijn geopenbaarde Woord niet Zijn goddelijk getuigenis ook voor de nieuwe gemeente ? Heeft Hij Zijn wil niet geopenbaard in Zijn Wet ? Is deze niet, de van God geopenbaarde levenswet des mensen en een opvoeder tot Christus ?

Is het dan een wonder, dat de Christenen in de samenkomst der gemeente evenals de Joden de Wet en de profeten lezen en de psalmen zingen ?

Dat wijst toch op een geestelijke verwantschap onder het Oude en Nieuwe Verbond.

Hoe kan het anders ? Is niet de zaligheid uit de Joden ? Wij zeiden zoeven, dat de Verbonden in de eerste gemeenten dooreengingen. Als wij nu de vraag eens persoonlijk maken ? Hoe is het in de gemeente ? Leeft het Oude Verbond in onze gemeenten niet meer voort ? Is het ganselijk verdwenen ?

Of zijn er ook in onze , , Nieuw-Testamentische" gemeenten nog niet, die naar de situatie van hun persoonlijk geloof beoordeeld, eigenlijk nog onder het Oude Verbond leven ? Onder de Wet, als onder een last, die niemand dragen kan, zonder nog tot de vrijheid van de kinderen Gods gekomen te zijn?

Zo kan het toch duidelijk worden, indien wij slechts wat meer tot de diepte doordringen, dat het niet zo eenvoudig is te zeggen, waar het Oude Verbond eindigt en het Nieuwe aanvangt. In de Schrift niet, maar in het geloofsleven ook niet.

Op dezelfde wijze zullen wij ook ontdekken, dat het niet zo eenvoudig is om uit te vinden, waar het Oude Verbond begint, wij zagen reeds, dat Jeremia van het Oude Verbond spreekt in verband met des Heeren ter hand riemen van de uitleiding uit Egypte, en dat Paulus spreekt van de Sinaï, dus de wetgeving en de dienstbaarheid, terwijl wij zullen ontdekken, dat wij elders weer verwezen worden naar Gods beloften aan Abraham, Izak en Jacob.

Hierover valt dus nog wel een en ander na te speuren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

TWEE VERBONDEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's