De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

Zuid-Afrika (Transvaal)

5 minuten leestijd

XVI.

Een groot deel van de bevolking van Zuid-Afrika, of liever het grootste deel, is niet blank. Ieder heeft wel gehoord van het pro en contra tegenover de politiek van de regering der Unie van Zuid-Afrika met betrekking tot de niet blanke bevolkingsgroepen. Het ligt buiten het bestek van deze artikeltjes om ons in deze kwesties te mengen, waartoe we trouwens m.i. ook niet voldoende bevoegd zijn om te oordelen, We willen alleen iets meedelen over het onderwijs aan de gekleurde rassen, en wel naar de toestand omstreeks 1936. We moeten daartoe de niet-blanken in drie groepen indelen.

In de eerste plaats de Euro-afrikaanse of gekleurde kinderen. Dat zijn de kinderen, geboren uit gemengde huwelijken van blank en zwart. De , , halfbloeden".

Voor hen zijn en worden scholen gebouwd door het Provinciaal bestuur, evenals voor de blanken. Deze scholen staan ook onder toezicht van de districts-schoolraden, maar plaatselijke schoolcommissies hebben ze niet. De invloed der ouders ontbreekt dus hier.

Het Leerplan, dat gevolgd wordt, stemt overeen met dat in de scholen voor blanke kinderen. Het schijnt echter zeer moeilijk te zijn om tot hetzelfde peil van ontwikkeling te komen als met de blanke kinderen. Voor het personeel van deze scholen wordt de voorkeur gegeven aan Euro-afrikaanse leerkrachten ; alleen zit men met deze moeilijkheid, dat er niet voldoende bevoegde leerkrachten zijn. In de regel is dan ook het Hoofd der school een blanke. In 1935 waren er 48 blanke en 179 gekleurde leerkrachten aan deze scholen werkzaam.

De taal van deze kinderen wordt sterk beïnvloed door hun omgeving, maar in hoofdzaak spreken ze toch' Afrikaans. Vóór enkele jaren werd, Engels als voertuig gebruikt, maar langzamerhand heeft dit plaats moeten maken voor het Afrikaans.

Daar deze „gekleurde" kinderen bijna altijd te vinden zijn in de omgeving der steden, zijn de meeste scholen van dit soort in Johannesburg of Pretoria.

Een tweede groep van de niet-blanken zijn de Indiërs ; dat zijn zij, die uit Voor-Indië zijn gekomen en zich in Zuid-Afrika hebben gevestigd. Zij zijn, wat hun taal, godsdienst en gebruiken betreft, geheel verschillend van de gemengde groep. Daarom prefereren zij eigen scholen, zo dit enigszins mogelijk is. In 1913 werd de eerste school voor Indiërs geopend (te Johannesburg). In 1934 had zich dit getal uitgebreid tot 12 scholen in de Transvaal, met 1668 leerlingen. Het onderwijzend personeel bestaat uit blanken en Indiërs. Het is duidelijk, dat in de dorpen de Indische bevolking te weinig talrijk is, om een eigen school te hebben. Daarom heeft het Departement van Onderwijs voorzieningen getroffen voor het stichten van gemengde scholen, die bezocht kunnen worden door Indiërs en gekleurden. In 1934 waren er 42 van deze gemengde scholen met 6469 kinderen.

De derde of grootste groep vormen de kinderen der inboorlingen. In de dagen van de Republiek was het onderwijs aan deze groep geheel in handen van de Zendingsverenigingen, die van de Staat géén financiële steun ontvingen. In 1903 waren er 201 van deze Zendingscholen met bijna 12000 leerlingen en 289 leerkrachten, waarvan 41 blanken. Om enige controle over de scholen te kunnen krijgen, voerde het Gouvernement in 1904 een subsidieregeling in, waarbij aan de helft van deze scholen een financiële bijdrage werd toegekend. Bepaald werd, dat Engels de verplichte voertaal moest zijn.

Verzoekschriften van de Zendingscorporaties, om de moedertaal der kinderen als voertaal te mogen gebruiken, werden door het Onderwijsdepartement afgewezen, omdat men éénheid in taal verlangde en ook omdat de inboorlingen zelf er de voorkeur aan gaven, dat Engels gebruikt werd.

Als gevolg van de wet-Smuts van 1907 werden deze scholen met hun 12000 leerlingen door het Onderwijsdepartement overgenomen. Er werden scholen gesticht voor de opleiding van inheemse leerkrachten. Toegestaan werd, dat de moedertaal als eerste voertaal bij het onderwijs werd gebruikt.

Stonden oorspronkelijk deze inboorlingen-scholen onder toezicht van de gewone districts-inspecteurs, spoedig bleek, dat deze eigenlijk voor deze speciale taak niet berekend waren, vooral omdat ze onvoldoende bekend waren met de verschillende inboorlingentalen. Thans is er voor dit werk een aparte hoofdinspecteur met 6 inspecteuren, speciaal voor het toezicht op deze scholen. 

De Lagere School omvat; Godsdienstonderwijs, moedertaal (Zoeloe, Xosa, Sotho, Tsoana, Venda of Tonga), één van de twee officiële talen (Engels of Afrikaans), handenarbeid, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde, hygiëne, natuurkunde, muziek, zingen.

De Middelbare School omvat hetzelfde als die voor de blanke bevolking.

In 1935 was het aantal scholen voor inboorlingen-kinderen 582 met 1449 leerkrachten., waarvan + 900 wettelijk bevoegd waren.

Het aantal leerlingen was 82530, Van deze leerlingen bezochten er 81219 de Lagere School, 295 de Middelbare School, 100 de Technische School en 916 de Opleidingsschool voor onderwijzers.

Het aantal niet-wettelijk bevoegde leerkrachten is wel groot, ongeveer een derde deel. De Opleidingsscholen pogen in dit tekort te voorzien. Na het doorlopen van Standaard VI volgen de candidaten een driejarige cursus, waarna ze klaar kunnen zijn voor het examen van onderwijzer bij het Lager Onderwijs.

Naast de inspecteurs van het inboorlingen-onderwijs is nog een adviserende raad en een Zendingsdirector. Dit laatste is begrijpelijk als men zich herinnert, dat deze scholen eigenlijk Zendingsscholen zijn. Dit gaf b.v. enige moeilijkheid gedurende de eerste wereldoorlog (1914—1918) met de scholen der Duitse Zendingsverenigingen. Deze kwamen toen onder leiding van beambten van het Departement van Inboorlingen-zaken. In 1919 werd de toestand weer normaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's