HET OUDE VERBOND
Waar begint het Oude Verbond ? Wij hebben opgemerkt, dat het niet zo gemakkelijk valt, het einde van het Oude Verbond en het begin van het Nieuwe aan te wijzen.
Wat het laatste betreft, weten wij heel zeker, dat de Pinkstergemeente in het Nieuv/e Verbond staat. Wij hebben ook gezien, dat er in de Christelijke gemeente wel Christenen kunnen zijn, van wie zou kunnen worden gezegd, dat zij nog in het Oude Verbond zijn en onder de dienstbaarheid der Wet wat hun persoonlijke geloofsligging aangaat.
Wij hebben ook gezien, dat het begin van het Nieuwe Verbond ook aan andere feiten kan worden verbonden, b.v. aan de openbaring des Heeren als Middelaar, toen Hij door Johannes gedoopt werd in de Jordaan.
Niet gemakkelijk staat het met het begin van het Oude Verbond. De apostel Paulus, zoals wij opgemerkt hebben spreekt in dit verband van de Sinaï (Gal. 4 : 24), Jeremia 31 van de uitleiding uit het diensthuis, Egypte.
Deze laatste aanwijzing brengt ons als van zelf naar Mozes. In Exodus 3 het bekende hoofdstuk over de roeping van Mozes, lezen wij, dat Mozes aan Israël niet een boodschap van een onbekende God, maar van een bekende God heeft aan te zeggen n.l. de God der vaderen.
Op zich zelf is dat reeds een voldoende aanwijzing, dat wij hier wel te doen hebben met het begin van de uitleiding uit Egypte, maar niet het begin van het Oude Verbond.
Wij hebben dat zó te zien, dat de uitleiding uit het diensthuis wel valt binnen de sfeer van het Verbond, d.w.z. in de vervulling van de beloften des Verbonds een plaats inneemt, maar dat het Verbond verder teruggaat in de geschiedenis.
Heel duidelijk wordt dit medegedeeld in Exodus 6. God stelt zich zelf aan Mozes voor als de Heere en zegt dan, dat Hij Dezelfde is, die aan Abraham, Isaak en Jacob is verschenen en aan hen bekend is geweest als de Almachtige. Met Zijn Naam Heere (Jehovah) is Hij hun niet bekend geweest.
En dan vervolgt de Heere zelf : Ook heb Ik Mijn Verbond met hen opgericht. (Exodus 6 : 4 v.v.). In Ex. 2 : 24 lezen wij, dat God Zijn Verbond met Abraham, Isaak en Jacob gedacht. Het Verbond was er dus reeds eerder en deze plaatsen laten geen twijfel, of het Verbond met Israël, het z.g. Oude Verbond gaat terug op het Verbond met Abraham Isaak en Jacob. Dat wordt ook door de apostel Paulus geleerd in Galaten 3 : 17 V. : , , En dat zeg ik : Het Verbond, dat tevoren van God bevestigd is, tot op Christus, wordt door de Wet, die na vierhonderd en dertig jaren ingekomen is, niet krachteloos gemaakt om de beloftenis te niet te doen. Want, indien de erfenis uit de Wet is, zo is ze niet meer uit de beloftenis ; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven".
Als Paulus handelt over het Verbond, begint hij derhalve bij Abraham. Daaruit weten wij, dat hij met het Vérbond der dienstbaarheid bij de Sinaï hetzelfde Verbond bedoelt, dat God met Abraham oprichtte. (Gal. 4:24). Op deze tekst komen wij nog terug om op een geheel andere zaak te wijzen : n.l. op de verhouding van de eis der Wet en de beloften Gods, maar dat laten wij thans rusten.
Wenden wij ons nu naar de geschiedenis van Abraham, dan wordt ons eerst in Genesis 15 : 18 medegedeeld, dat de Heere te dienzelfde dage een verbond met Abraham maakte. Te voren is ons reeds verschillende keren gezegd, dat de Heere Zich aan Abram openbaarde, ook nog in het genoemde hoofdstuk.
Wij zouden derhalve kunnen aannemen, dat Abram op die dag, waarop hij dat gezicht heeft gehad, hetwelk ons in Genesis 15 wordt geopenbaard, en toen de Heere hem nog eens uitdrukkelijk zeide : , , Ik ben de Heere, die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën, om u dat land te geven om dat erfelijk te bezitten", — dat God op die dag het Verbond met Abraham heeft gemaakt.
Welaan, zult gij zeggen, dan hebben wij toch een vrij nauwkeurig aangegeven begin van het Oude Verbond, al weten wij ook niet precies jaar en dag naar de kalender te bepalen. Dit laatste doet er trouwens niet toe, want wij weten, dat er in Abrams leven zo'n dag is geweest, waarop de Heere een Verbond met hem maakte. Dat is genoeg, want het Verbond met Israël aan de Sinaï was daarin vervat.
Deze laatste gevolgtrekking is wel juist en wordt ook door Paulus' woord, dat wij zoeven hebben aangehaald bevestigd, maar, als gij zoudt menen, dat Abram vóór die dag als een man zonder God en zonder beloften Gods in de wereld ronddoolde dan zoudt gij u toch heel erg vergissen. Want, zo is het niet.
Ook al wordt er niet van Verbond gesproken in de voorafgaande hoofdstukken, zakelijk ontmoeten wij het Verbond telkens weer.
Lees maar Genesis 12 vs. 1 v.v. De Heere nu had tot Abraham gezegd: , , Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal, en Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken ; en wees een zegen ; en Ik zal zegenen, die u zegenen en vervloeken, die u vervloeken ; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden".
Wij zijn aan de beschouwing van de inhoud en de beloften des Verbonds, of der Verbonden, nog niet toe. Dat komt nog, maar als wij de aangehaalde tekst lezen, dan kan niemand weerspreken, dat ons hier het Verbond Gods in zijn lengte en breedte wordt voorgesteld.
, .Bevestigd tot op Christus", zegt de apostel, en dat is zo : , , En in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden", wat kan dat anders zijn, dan een profetie van de Christus en Zijn werk?
Vergelijk vervolgens vs. 7 : Zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide : , , Uw zaad zal Ik dit land geven". Is dat niet een belofte van het Verbond?
Vervolgens Genesis 13 vs. 14 v. v. En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was : , , Hef nu uw ogen op en zie van de plaats, waar gij zijt, noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts ; want al dat , land, dat gij ziet, zal Ik u geven en uwen zade tot in eeuwigheid "
Ook hier wederom de belofte des Verbonds aangaande de erfenis van Kanaan.
Daarna komt dan Genesis 15. Indien wij een en ander hebben gevolgd, kan het duidelijk zijn, dat ook vóór die dag, van welke getuigd wordt, dat God toen een Verbond maakte met Abram, het wezen van het Verbond aanwezig was, vanaf de mededeling van Abrams roeping aan.
En wat is nu het wezen van het Verbond? In de eerste plaats het feit, dat de Heere zich aan Abram bekend'maakt en hem betrekt in Zijn verborgen omgang. Maar verder ook, dat God hem Zijn beloften geeft.
Wij tekenen hierbij aan, dat de eis des Verbonds ontbreekt. Immers in het Paradijs verbond ging de eis vooraf. Wij lezen niet, dat de Heere tot Abram zegt : als gij zó en zó handelt, dit en dat doet, dan zal Ik u dit land geven en u tot'een groot volk maken, enz.
Wèl staat er, dat Abram in de Heere geloofde, en dat het hem tot gerechtigheid gerekend werd.
Als we nu dit woord nader bekijken, zouden wij zeggen, dat klinkt volkomen Nieuw-Testamentisch. Dit wordt trouwens ook bevestigd door de apostel Paulus, die de aandacht der gemeente van Christus er bijzonderlijk bij be.paalt. Vgl. Rom. 4 vs. 3 v.v.
Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.
En dit is alles zo, opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven, in de vooihuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde.
Vergelijk ook de laatste verzen van dit hoofdstuk : , , Dat is niet alleen om zijnentwil geschreven, n.l. dat het geloof hem toegerekend is tot gerechtigheid, maar het is ook om onzentwil geschreven, zegt de apostel, n.l. die geloven in Hem, die Jezus, onze Heere, heeft opgewekt uit de doden".
God heeft Abram alzo tot een levende profetie gesteld van de rechtvaardiging uit het geloof.
Het geloof te behouden tegen hope op hope, is de grote worsteling geweest van Abram. (Vgl. Genesis 15 vs. 2 : „Heere, Heere, wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen henenga en de bezorger van mijn huis is deze Damascener Eliëzer").
Geloof, is dat eigenlijk niet het wezen des Verbonds?
Komt het Verbond eigenlijk niet op geloof — en geloof alléén — neer?
Dat was toch ook zo met het Paradijs verbond? Door de ongehoorzaamheid van één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood. Dat is zo, maar kunt gij ongehoorzaamheid van de goed en naar Gods beeld geschapen mens ook maar denken, terwijl die ongehoorzame mens volhardde in geloof?
Immers neen !
Dat kan men niet onderstellen. Indien de mens had volhard in het geloof, dan zou dat geloof hem hebben weerhouden van de ongehoorzaamheid.
Zolang er volharding des geloofs kon zijn, kon er geen verbondsbreuk zijn, want het geloof is de verbondmatige levensverhouding van de mens tot God, zoals ook Habakuk leert: , , De rechtvaardige zal uit het geloof leven".
Het geloof onderstelt immers openbaring, omdat het geloof een levende betrekking is tot de God der openbaring, welke betrekking er zonder openbaring Gods niet zijn kan.
Uit het geloof is de gehoorzaamheid des geloofs en het geloof omhelst de beloften van de God des Verbonds. Zo zien wij wederom, dat het Verbond de verhouding van de mens tot God bepaalt en de wijze, waarop God gediend wil zijn. Daarom, als wij Verbond zeggen, zeggen wij geloof in de God der openbaring. Niet maar in een vreemde God, een bedenksel van ons zelf, of een maaksel onzer handen, maar de God der openbaring, want zonder openbaring geen Verbond.
Hoewel eerst in Genesis 15 het woord Verbond voorkomt, treffen wij zakelijk het Verbond met Abram van zijn roeping af aan. Dat konden wij zo zeggen, omdat het Verbond zakelijk leeft in het geloof.
Als wij nu nog eens naar het begin van het Oude Verbond vragen, zal men toegeven, dat dit niet precies kan worden aangegeven, omdat het begint met het geloof aan Abrams kant en aan Gods kant op de tijd, dat de Heere Abraham opzocht en bemoeienis met hem wilde hebben.
Indien wij nu op de inhoud van het Verbond letten, zullen wij zien, dat wij deze het beste kunnen benaderen met de woorden, die wij telkens in de Heilige Schrift tegenkomen : , , Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn".
Dat is de blijvende betekenis van het Verbond.
Daarbenevens vinden wij in de omschrijving van het Verbond telkens wisselende dingen. In het Paradijsverbond: , , Ten dage, dat gij van deze boom eet". In het Verbond met Abram : , , Ga uit uw land naar het land, dat Ik u wijzen zal". , , Ik zal u tot een groot volk maken". , , Ik zal u dit land geven", , , Uw zaad heb Ik dit land gegeven", enz.
Naar de letter kan de belofte des Verbonds zeer verschillend zijn, zoals men ziet, doch het staat alles onder de kracht van het voornemen Gods omtrent Zijn volk en de vervulling daarvan. Dat is in het leven van Abram duidelijk tot uitdrukking gekomen en dat zal ook blijken in de geschiedenis van Israël.
Mogen wij nu zeggen, dat het Oude Verbond zijn aanvang nam bij de roeping van Abram, dan schijnt dat wel overeen te komen met de verschillende gegevens, die naar voren werden gebracht. De verkiezing van Israël begint haar verwerkelijking in de roeping van Abram. Hier staan wij dus bij de aanvang van het Oude Verbond.
Dat zou men zo zeggen, maar de moederbelofte van Genesis 3 vs. 15 dan en het Verbond met Noach? Nog een ander merkt op : En het verband tussen het Verbond met Abram en de wetgeving op de Sinai?
Alle vragen, die wij nog willen beschouwen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's