MEDITATIE
Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in Uw fles; zijn ze niet in Uw register? Psalm 56 vs. 9.
Van wel zeer bijzondere opmerkzaamheid, door de Heere aan David bewezen, spreekt deze psalm: , , Gij hebt mijn omzwerven geteld".
Denkt u eens in de omstandigheden, waaronder deze psalm is ontstaan. Het was de tijd, waarin David was als een veldhoen op de bergen, toen hij nergens een plek had, waar hij rustig kon vertoeven ; toen de vijandschap van Saul hem gedurig voortdreef en hij zelf in een ogenblik van moedeloosheid een schuilplaats was gaan zoeken in het Filistijnse gebied. Maar ach ! dat baatte ook al niet. Gegrepen werd hij en voor koning Achis geleid ; en zozeer zag hij zich bedreigd, dat hij meende enkel door een voorgewende waanzinnigheid het levensgevaar van zich te kunnen afwenden.
Hoe heeft hij het daarna gevoeld, dat het geenszins aan zijn eigen slimheid te danken was, dat zijn leven was behouden gebleven. Gij — zo spreekt hij aan het einde van deze psalm tot de Heere — Gij hebt mijn ziel gered van de dood ! Omdat het oog des Heeren open was over hem, daarom alléén is hij niet ten onder gegaan. Gij hebt mijn omzwerven geteld !
Wat had hij niet herwaarts en derwaarts gezworven! Bij dag en bij naclit. In de spelonken der bergen en op de hoogte der steenklippen.
't Zou ons niet verwonderen, indien David zelf niet meer wist hoe dikwijls hij van de éne plaats naar de andere had gezworven.
Maar ofschoon het ook zo dikwijls was geweest dat hij zelf het getal dier omzweryangen niet meer wist. God van de hemel had dat omzwerven gezien. God wist het getal ervan. God heeft dat omzwerven geteld, als ware het van het hoogste gewicht. En heeft de Allerhoogste die omzwervingen geteld, dan is ook David bij niet één van die van God vergeten geweest. Of 't was in de diepte der dalen of op de hoogte der bergen, of in de meest onherbergzame wildernis, óók daar waren zijn zuchten gehoord, zijn tranen gezien ; en als het zijn gebed wordt, dat zijn tranen gelegd mogen worden in Gods fles, dan verstaat hij ook, dat in het register des Heeren van die alle aantekening is geschied. Immers de tranen, door Gods kinderen geschreid, zijn dierbaar in de ogen des Heeren. Ze zijn als een kostbare specerij, die met zorg wordt bewaard. Zij blijven in gedachtenis bij Hem. Zó groot is Zijn liefde, dat ook hun tranen in Zijn register worden vermeld, en dat, opdat ter bekwamer tijd zou blijken, hoezeer ze Zijn aandacht hebben getrokken. Geen ogenblik ook worden die tranen vergeten bij Hem. Dat register, waarvan de psalmdichter spreekt, ligt te allen dage voor Hem open.
Daarom mag een ieder, die als David de Heere vreest, vol zijn van goede moed.
De mensen slaan menigmaal geen acht op de tranen, die er worden geschreid. Te druk hebben zij het, veel te druk dan dat ze aan die alle hun aandacht willen en kunnen wijden.
Maar de Heere in de hemel acht het niet beneden Zich, om al Zijn opmerkzaamheid er aan te geven.
Is er dan geen reden voor hem, die de Heere vreest, ook al zijn hem zijn tranen tot spijze dag en nacht, om te vertrouwen op de Heere en te steunen op zijn God?
De bijzondere opmerkzaamheid, die de Heere hem bewijst — strekt zij niet tot grote troost? Dat de Heere Zich — met eerbied gezegd — die moeite getroost om de omzwervingen der vervolgden te tellen en dé tranen der verdrukten op te tekenen in Zijn register, het heeft toch een heilige bedoeling ! En welke bedoeling heeft hij er anders mee, dan om eenmaal, vroeger of later te zeggen : het is genoeg ! En dan komt er een eind aan dat omzwerven, dan worden de tranen van de ogen gewist. Dan beschikt Hij Zelf, Hij, de Heilige en Rechtvaardige, dat die bedroefde en vermoeide zwervers gege ven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.
Zwervelingen op deze aarde, gij, die in geestelijk opzicht met David kunt zeggen : , , Ik heb vele bestrijders, o Allerhoogste !", als gij moede en mat zijt geworden van de levensreis, zoekt dan uw steun bij de Heere. Gij moogt roepen tot Hem. Hij heeft er lust in om te horen naar de stem van uw zuchten. Hij begeert te horen dat kirren der duiven, die daar wegschuilen in de kloven der steenrotsen.
O, zeker, er kan vrees zijn in uw ziel. Als gij ziet op uzelf, ja, dan moet en dan moogt ge wel vragen of het wel kan, dat de Heere u Zijn bijzondere opmerkzaamheid bewijst. Want gij verderft het gedurig voor het aangezicht des Heeren. Gij kunt bij uzelf niets anders vinden dan zonde en schuld — en tóch moogt gij hopen op de Heere. Als gij naar de stem van Zijn Christus wenst te horen, ook al is het donker om u heen, dan hebt gij toch te zien op de Heere. Dan moogt gij steunen op die God, die de omzwervingen der verdrukten telt.
Maar zoekt dan ook bij uzelf geen steun en geen kracht.
Wat gij nodig hebt, is alléén, maar dan ook volkomen te vinden bij de Heere. De tranen, door u in stilte geschreid, zijn niet vergeten voor Hem. Ook uw omzwerven heeft Hij geteld.
O, heft uw hoofd dan maar op !
God, die gezegd heeft, dat het licht in de duisternis schijnen zou. Hij doet het ook schijnen over u, doet het ook schijnen in uw hart.
Als vreemdelingen moet gij gaan door de wereld en dat brengt u soms smaad en miskenning. Maar bij dat alles moogt ge toch goedsmoeds zijn, want uw tranen worden daarboven niet vergeten.
Ook uw omzwerven is bij de Heere geteld.
't Is maar een lichte verdrukking, die welhaast voorbijgaat. Zo God met u wil zijn, wat zoudt ge dan nog te vrezen hebben ! Hij zal u geleiden tot aan, ja, tot over de dood.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's