De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE REGEEROUDERLING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE REGEEROUDERLING

7 minuten leestijd

Het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen begint met twee soorten ouderlingen te onderscheiden, n.l. zij die arbeiden in het Woord en de leer en zij, die dit niet doen. Het formulier verwijst naar 1 Tim. 5 : 17, waar staat, dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk, die arbeiden in het Woord en de leer. Hier worden alzo duidelijk twee soorten kerkedienaars onder de naam van ouderlingen onderscheiden : Ie, die de regerende macht in de kerk hebben en niet meer dan regeren ; en ten 2e anderen, die macht om te regeren hebben, doch ook daarboven arbeiden in het Woord en de leer. Beiden worden zij geprezen, als zij wel regeren, en de Heilige Geest verklaart ze dubbele eer waardig, doch bijzonder die ook in het Woord arbeiden. Het woord in de grondtaal betekent boven of over een ander te staan. De nieuwe vertaling vertaalt : Den oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht.

Het staat alzo op grond van deze Schriftplaats duidelijk vast, dat er regeerouderlingen zijn door goddelijk recht. Niemand mene, dat het een overtollige luxe is, om dit nadrukkelijk vast te stellen. De voorstanders van een bisschoppelijke kerkinrichting willen deze vaststelling niet aanvaarden. En de Remonstranten hebben de goddelijke instelling van het ambt van regeerouderling ontkend. Zij schrijven in hun Apologie : „Met recht heeft die vermaardste man (Hugo de Groot) dit onderscheid tussen lerende ouderlingen, en alleen regerende ouderlingen, een nieuwe vondst genoemd. Daar is in het Nieuwe Testament niet met al, hetwelk genoegzaam is, om dat onderscheid staande te houden ; de gehele practijk van de oudheid strijdt er tegen, en daar zijn niet weinig redenen, waarom zij met recht moet tegengesproken worden, ten ware de nood vereist die te oefenen". Doch Hugo de Groot heeft daarna op practische gronden betoogd, dat er in elke kerk zulke bijgevoegde regeerders moeten zijn, hetzij door de magistraten gesteld of door het volk verkozen.

Ook Heidanus en Burman hebben de goddelijke instelling van de regeerouderling ontkend.

De Schotse professoor dr. G. D. Henderson heeft echter terecht opgemerkt, dat het ouderlingenambt misschien de meest kenmerkende trek is van die kerken van de reformatie, die de Calvinistische traditie eren.

Het is hierom niet overbodig het Sdhriftbewijs voort te zetten.

1 Cor. 12 VS. 28 luidt: En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. Ook aan de gemeente van Corinthe waren verschillende gaven geschonken, maar deze werden niet altijd op de juiste wijze gebruikt. Sommigen werden hovaardig. Daarom vindt de apostel Paulus het nodig deze gemeente te vermanen en hun er op te wijzen dat de geschonken gaven ten nutte van de gehele gemeente dienen aangewend te worden. Een deel der genoemde ambten en gaven is beperkt tot de planting der christelijke kerk : Apostelen, profeten, krachten, gaven der gezondmakingen, menigerlei talen ; een ander deel behoort tot de gewone regering : leraars (predikende ouderlingen), behulpsels (diakenen die de armen en verdrukten helpen en verkwikken), regeringen dit zijn de regeerouderlingen).

De naam regeringen in de grondtekst geeft te kennen, dat het regerende personen zijn. Het zijn mensen, die aan het roer van het schip der kerk zitten om het in het geestelijke te regeren en te besturen naar de wil van Christus. De apostel zegt, dat deze regeringen van God zelf in de gemeente gesteld zijn ? en dat wel, alzo Hij apostelen en leraars daarin gesteld heeft. Nu is het ontwijfelbaar een dienaar in Gods kerk door goddelijk recht, die God zelf door zijn eigen daad en autoriteit daarin stelt.

Schrift met Schrift vergelijkende, willen wij nog een derde tekst aanvoeren. Rom. 12 VS. 6, 7 en 8 zegt : Hebbende nu verscheidene gaven naar de genade, die ons gegeven is ; zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie naar de mate des geloofs, hetzij bediening in het bedienen ; hetzij die leert, in het leren, hetzij die vermaant in het vermanen ; die uitdeelt in eenvoudigheid, die een voorstander is in naarstigheid ; die barmhartigheid doet in blijmoedigheid.

De apostel dringt er op aan de onderscheiden gaven tot dienst der kerk te gebruiken in ootmoedigheid en bescheidenheid. Die een voorstander is, doelt dan op de regeerouderling. De nieuwe vertaling vertaalt : wie leiding geeft, in ijver. Een andere vertaling zegt : wie over anderen gesteld is, zij vervuld met ijver. Het is wel duidelijk, dat hier op een regerende, leiding gevende functie gedoeld wordt.

Ook verder vinden wij in het Nieuwe Testament de ouderling. In iedere gemeente, die gesticht wordt, worden door de apostelen ouderlingen aangesteld. Telkens wordt van de aanwezigheid van ouderlingen melding gemaakt.

Ook in de oud-christelijke letterkunde zijn aanwijzingen te vinden voor het bestaan van de regeerouderlingen. Daar is een uitlegging over de eerste brief aan Timotheüs, die op naam staat van Ambrosius (die leefde in 365 na Christus), die klaar en krachtig het goddelijk gezag van de regeerouderlingen erkent, en de afschaffing er van als een bijzondere vlek aanmerkt; zo staat er: „vanwege de eerwaardigheid van de ouderdom, wordt een ouder persoon, tot een goed werk met zachtmoedigheid aangezet, om te lichter vermaning aan te nemen : want hij die vermaand wordt, kan vrezen, dat hij daarna bestraft worde, hetwelk schandelijk is voor een ouden ; want onder alle volkeren is de ouderdom eerwaardig ; waardoor ook de synagoge, en daarna n.b. de kerk ouderlingen heeft gehad, zonder welker raad niet gedaan werd in de kerk ; hetwelk door wat verzuim in onbruik zij gekomen weet ik niet, ten ware misschien door de luiheid der leraars, of liever door hun hoogmoed, dewijl zij alleen wilden wat geacht zijn".

Er is een oud geschrift, waarvan Baronius gewaagt in zijn jaarboeken op het jaar 103, waarin wij deze woorden lezen : „De Bisschoppen, de Predikers (Presbyteri staat er, de Diakenen en de Ouderlingen (Seniores)" ; hier worden de ouderlingen onderscheiden van bisschoppen, predikanten en diakenen ; ook volgt er , , neemt er bij de medeklerken, en de ouderlingen des volks, kerkelijke mannen, en laat hen naarstig onderzoeken, welke deze onenigheden zijn".

Tertullianus, die leefde in het jaar 203, zeide, als hij spreekt van kerkvergaderingen en van kerkregering in die dagen : , , als regeerders zitten al de goedgekeurde ouderlingen, niet hebbende die ere gekregen door geld, maar door getuigenis : want gene zaak van God onder ons op prijs geschat wordt". Origenes, die leefde omtrent 226, heeft deze woorden: „Sommige regeerders zijn er gesteld, die onderzoeken mogen aangaande de wandel, en de zeden dergenen, die toegelaten worden, opdat zij zulken, die vuiligheid bedrijven, mochten uitsluiten". Augustinus, die leefde in 420, spreekt over de regeerouderlingen. Hij zegt: , , De predikant (presbyter) Peregrinus en de ouderlingen van de kerk van het Mustikaanse kwartier". En als hij aan zijn eigen gemeente te Hippo schrijft, adresseert hij deze brief aldus : „aan de zeer geliefde broederen de klerken, de ouderlingen en al het volk der gemeente te Hippo".

We zien hieruit dus duidelijk, dat er oorspronkelijk regeerouderlingen geweest zijn. Wel is hun positie langzamerhand door de invoering van de hierachie gewijzigd, zij werden ondergeschikt aan de bisschop, hun taak werd prediken, dopen tuchtoefening, bediening van het avondmaal, dat in toenemende mate èen offerkarakter verkreeg. Op deze wijze verdween in feite de regeerouderling, totdat de hervorming weer tot de Schrift en de eerste christelijke kerk terugkeerde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE REGEEROUDERLING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's