DE EENHEID DER VERBONDEN
'Het verbond neemt zo grote plaats in de Heilige Schrift in, dat het geen wonder kan heten, dat er in de geschiedenis van de kerk ook een theologie wordt aangetroffen, die de naam draagt van feuderaal-theologie of theologie der verbonden. Zijn naam is langzamerhand wel vergeten, maar zij, die kennis hebben genomen van de oude schrijvers, hebben de naam van Coccejus wel eens ontmoet. Voetianen en Coccejanen vormden eertijds twee partijen in de kerken der Zeven Gewesten.
Het heeft geen zin, op de leer van Coccejus in te gaan. Hij onderscheidde vele verbonden, die trapsgewijze zouden zijn verdwenen. Wij vinden daarvan niet zovele overblijfselen meer in de practijk van het kerkelijk leven, waardooi; het van belang zou zijn daaraan de aandacht te schenken.
Van meer nut kan het zijn, op de eenheid der verbonden te wijzen, omdat in onze dagen wel mensen worden aangetroffen, die al te grote scheiding maken tussen het oude en het nieuwe verbond, alsof die zo maar als twee geheel op zichzelf staande zaken nevens elkander konden worden geplaatst.
Ja, er zijn gehele groepen van mensen, die het oude en nieuwe verbond zozeer van elkander losmaken, dat zij zelfs het getuigenis van het Oude Verbond achterstellen bij het Nieuwe Testament.
Voor dezulken heeft het woord verbond klaarblijkelijk een zo volkomen objectieve en zakelijke zin, zodat wellicht slechts op de uitwendige verschijning van het verbond der belofte wordt gelet, op de ceremoniën der Wet en op de dienst des tabernakels.
Klaarblijkelijk zien dezulken het verbond Gods, ook het verbond der beloften, als een soort notariële acte en niet als een levende zaak. Daarom hebben wij met nadruk er telkens weer op gewezen, dat het verbond in het geloof wordt beleefd, ook het oude verbond, hetwelk verouderd en der verdwijning nabij is.
Juist, omdat het oude verbond geen notariële actie is, die bij de komst van het nieuwe verbond in het archief kon worden opgeborgen, maar omdat het een Verbond van de levende God is, leeft het ook zelf en wordt het beleefd. Maar daarom ook, als geschreven staat, dat het verbond verouderd en der verdwijning nabij is — let pp nabij is ! — kan het alleen verdwijnen door de komst van het Nieuwe en anders niet.
Niemand kan de nabije verdwijning van het oude verbond verstaan, die het niet geleerd heeft door de komst van het nieuwe verbond.
Of is het zulk een vreemde onderstelling, als wij menen, dat de heilsgeschiedenis van het oude en nieuwe verbond in grote trekken, d. w. z. in het algemeen, de geschiedenis der kinderen Gods is. De weg des heils, in Oude en Nieuwe Testament ons voorgesteld, is de weg des geloofs.
Men mag daaruit niet de conclusie trekken, dat ieder, die gelooft, precies dezelfde ervaringen aan dezelfde stations moet doormaken als ieder ander gelovige.
Maar toch gaan zij één weg ! Dit is zelfs zó klaar, dat de apostel van het Christelijk geloof spreekt als , , van deze weg" (Hand. 24 vs. 14).
En op die weg ervaren zij, dat de Wet de zonde te meerder maakt, ja de zonde leert ontdekken en dat de werken der Wet niet bij machte zijn om de zondaar vrij te maken van het oordeel. In die weg blijft het oude verbond een levend verbond en als de genade komt, wordt het der verdwijning nabij.
Dit mag geen aanleiding worden tot allerlei vreemdsoortige allegorie, zoals sommigen de gewoonte hebben, maar de geschiedenis van Israël is toch de geschiedenis van Gods volk.
Wij bedoelen daarmede, dat het oude verbond in het leven der kinderen Gods nog niet heeft afgedaan, maar, dat ook zij de tucht der Wet nodig hebben om te ontdekken, dat zij geroepen zijn tot een gehoorzaamheid, welke zij niet willen brengen en, zó zij al zouden willen, niet kunnen brengen.
Ook de geroepene heiligen hebben nodig aan zichzelf ontdekt te worden als brekers van het verbond Gods, die de Majesteit Gods niet hebben geëerd en de rechtmatige eis van hun Schepper moedwillig hebben veracht. Hoe anders zouden zij de genade als genade leren kennen, en het verbond der genade leren verstaan in de volle diepte van de nederbuigende goedertierenheid Gods?
De kerk wordt uit het Woord geboren. Daarom vindt zij haar leven in de Heilige Schrift.
Thans zal men enigszins gevoelen, waarom wij voor de eenheid der verbonden opkomen tegen degenen, die niet meer de onderscheiding der verbonden in acht nemen, maar deze tot een scheiding maken, als zou de gemeente des Heeren met de openbaring van het oude verbond niets meer van doen hebben.
Zo heeft ook de kerk in de dagen der apostelen het niet verstaan, want deze heeft zeer wel onderscheid gemaakt tussen de eredienst van het oude verbond en het geloof. In dien zin worden wij ook door de Hebreënbrief onderwezen. (Vgl. Hebr. 9). Niet de ceremoniën van het oude verbond, maar de profetische betekenis en de werking der Wet hebben een blijvende waarde ook voor de gemeente van Christus.
Of leert niet de apostel, dat de kennis der zonde door de Wet is. (Rom. 3 VS. 20). Diezelfde apostel zegt ook : waar geen wet is, daar is geen overtreding. En wij hebben ook gezien, dat de dood heerst, waar geen wet is.
Als de Heere God nodig heeft gevonden de Wet aan het volk Israël te geven, toen het in de woestijn was, en als de Heere Christus leert, dat Hij niet is gekomen om de Wet te ontbinden, ja, als Hij zegt : , , Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen", zullen wij dan niet met de Wet beginnen ? Zullen wij dan zeggen, dat wij met de Wet niet van doen hebben?
In de leidingen Gods gaat de Wet aan het Evangelie vooraf. Alleen in de betrachting der Wet kan worden ervaren, dat zij niet bij machte is ons het leven te geven.
Wij kunnen het met degenen, die menen vrij te zijn van de Wet, niet eens zijn, tenzij zij roemen mogen in de genade van de Heere Jezus Christus. En dan nog zullen zij de betekenis der Wet erkennen in de weg der heiligmaking, waarin ons ook de Catechismus voorgaat. (Zie Zondag 34 e.v.)
Evenzo achten wij het onjuist de Wet achter het Evangelie te zetten, zoals sommigen willen leren.
De apostel Paulus heeft er op gewezen, dat de Wet wel ingekomen is, maar dat daardoor de belofte der genade niet veranderd is, d.w.z. dat de belofte niet is te niet gedaan.
Men zou kunnen onderstellen, dat door het inkomen der Wet, de belofte der genade moest worden verdiend, zodat de erfenis des levens uit de Wet zou zijn.
Bij het Paradijs verbond hebben wij er reeds de aandacht op gevestigd, dat zulks niet in overeenstemming zou zijn met onze algehele afhankelijkheid. Als schepselmatig wezen, zijn wij in alle dingen afhankelijk van onze Schepper. Daarom kunnen wij ook uit verdiensten ons niets eigen maken, zodat wij daarover heer en meester zouden zijn.
Ook hebben wij er op gewezen, dat de belofte des levens aan , , gehoorzamen" wordt gegeven, zodat de ongehoorzame daarop geen staat kan maken en daarop geen beroep kan doen.
Maar de belofte des levens staat op zich zelf en blijft in Gods hand, ook als de mens het verbond breekt. God, de Heere, is de Getrouwe, die het verbond houdt.
Hij handhaaft ook de eis der gehoorzaamheid, overeenkomstig Zijn gerechtigheid en Hij schenkt Zijn genade niet dan, nadat aan die eis is voldaan, waartoe Hij ook Zijn Zoon heeft overgegeven tot een Hogepriester en Middelaar. Deze heeft de gehoorzaamheid gebracht, welke de verbondsbreker niet wilde en, na zijn val, ook niet vermocht te brengen.
Indien wij deze dingen nader beschouwen zal blijken, dat de Wet dus is ingekomen, omdat God niet alleen Zijn belofte, maar ook Zijn eis van gehoorzaamheid handhaaft en gestand doet.
Uit de Wetgeving blijkt, dat de Heere het oorspronkelijke verbond, dat wij Paradijs verbond hebben genoemd, aan Zijn volk Israël klaar voor ogen zet, omdat Hij het onder de Wet stelt.
Het verbond met Israël, het oude verbond, zoals wij gewoon zijn te zeggen, is naar de eis der Wet beoordeeld, een nieuwe openbaring van het Paradijs verbond. Naar de belofte van een Verlosser (Genesis 3 vs. 15) is het een verbond Gods met de verbondsbreker, en daarom bij uitstek een genade-verbond.
En als nu de Schrift leert, dat het karakter van dit verbond der belofte niet is weggenomen, omdat de Wet is ingekomen, dan kan het duidelijk zijn, dat de eis der Wet een bestemming in het genade-verbond heeft en dat de openbaring der Wet ook op een genade beschikking van God rust.
Wij bedoelen slechts te zeggen, dat het verbond met Israël juist door de Wetgeving geheel in de lijn van het Paradij sverbond komt. Het is toch dezelfde God, die de Heere is van het Paradijsverbond en van het Verbond der beloften. Het staat eigenlijk zo, dat God met Zijn genade in het verbond komt. De gerechtigheid Gods kan niet toelaten, dat de Heere Zijn beloften, aan de gehoorzame toegezegd, aan de ongehoorzame vervult. Zo willen de mensen het wel eens voorstellen, maar zo is het niet. Op die wijze zou de Verbondsbreker het eigenlijk gewonnen hebben en God zou maar genoegen genomen hebben met de zondaar. Inderdaad zijn er, die de verzoening zó voorstellen, alsof God met de zondaar genoegen neemt.
De Schrift echter zet de dingen andersom. God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende (2 Cor. 5 : 19). En in Christus zegt de apostel zijn wij meer dan overwinnaars.
Christus staat reeds achter het Paradijs-verbond, al heeft de mens het niet geweten. God is hem alleen als het scheppende en sprekende Woord bekend geweest en hij heeft niet geweten, dat het de Zoon was, die met hem sprak bij de boom des levens en bij de boom der kennis des goeds en des kwaads. De Zoon, die in de verborgenheid van de hemelse omgang tussen Vader, Zoon en Heilige Geest bereid is geweest de partij van de mens op te nemen bij de Vader, als hij kwam te vallen in ongehoorzaamheid.
Zo is het in feite de bereidheid van de Christus, die tussenkomt tussen God en de gevallen Adam, als deze de belofte van een Verlosser ontvangt. De Verlosser treedt in het Paradijsverbond enerzijds voor de verbondsbreker, anderzijds voor Gods zaak in. Hij zal de gehoorzaamheid brengen, vóór en in de plaats van de zondaar, opdat de beloftenis des eeuwigen levens niet teniet gedaan worde door zijn overtreding. Het Paradijsverbond wordt bij wijze van spreken opgevangen door het verbond des vredes in de hemel en zo wordt de Christus de Borg van het verbond der beloften of het oude verbond, gelijk in Hem het verbond der genade werd voldongen en bekrachtigd door Zijn lijden en sterven.
Zo zien wij, dat het Paradijsverbond, het verbond met Noach en het verbond met Abram, en met Israël in één lijn, ik zou willen zeggen in één vlak liggen. Feitelijk zijn dat verschillende aspecten van één en hetzelfde verbond, zijnde de verhouding van de mens tot God, de grond zijner religie, de inhoud en bepaaldheid van zijn geloof.
Achter al deze aspecten en vormen van het verbond, ook als de mens is gevallen, staat de Middelaar Gods en der mensen, en dat is het, wat God de Heere door de profeten allengs duidelijker laat verkondigen.
Het nieuwe verbond echter, waarvan Jeremia e.a. spreken is maar niet een aspect van het oorspronkelijke. Het nieuwe verbond is in feite een verbond tussen de Drieënige en de Christus, als Middelaar Gods en der mensen. Dat wil dus zeggen, dat Christus daarin de mens representeert, zijn plaats inneemt, de eis aan de mens gesteld voor Zijn rekening neemt en zo ook de erfgenaam der beloften zou zijn. In Christus immers zijn alle beloften Gods ja en amen (2 Cor. 1 ; 20). Het nieuwe verbond is derhalve waarlijk nieuw en ligt in een geheel ander vlak. Het is het verbond van de hemelse Hogepriester.
En toch is dat nog niet genoeg gezegd, want het nieuwe verbond is ook enigermate een verbond met het gevallen Adamskind, door het wonder van de vleeswording des Woords. Dat is dan echter het Adamskind, dat met Hem in Enigheid van één Persoon verbonden is. In Hem gelouterd, geheiligd, gestorven, en in nieuwigheid des levens opgewekt.
Die mens is de nieuwe mens, de herschapen mens, de mens van wie geschreven is, die in Christus is, is een nieuw schepsel. In die Christus is de ganse gemeente der uitverkorenen geschapen (Ef. 2 : 10).
Het verbond der genade heeft niet alleen een Borg in die Christus, maar is in Hem ook bevestigd en vervuld !
Uit dat nieuwe verbond leeft de gemeente des Heeren, omdat zij in Christus is geschapen. Het leven des nieuwen verbonds is het leven van het geloof in de Christus, het geloof in Zijn Middelaarsschap, het geloof in Zijn genade, het geloof, dat in Hem alle beloften Gods ja en amen zijn. Die van Christus zijn worden overgezet uit het oude verbond in het nieuwe. Bevrijd van het juk der Wet, verlost van de prikkel des doods, verheugen zij zich in een levende hope, die niet beschamen zal in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's