ONDERWIJS
Vrijheid (? )
(3)
Als het dan een ander is, die de mens zijn wet geeft, dan is die Ander niemand anders dan God. Laten we toch wel bedenken, dat het hier gaat om het hoogste, om het allervoornaamste. Niet de mens is zichzelf een wet; hij is niet autonoom, hij is niet vrij, al verbeeldt hij het zich duizendmaal. Hij is ook niet vrij om als , , de ander" zijn wet, zijn inzichten aan kinderen of volwassenen op te leggen uit en van zich zelf. Immers hij is ook een zondaar. Onze belijdenisschriften zeggen 't ons, naar het Woord, zo duidelijk en klaar. , , Ik ben van nature geneigd. God en de naaste te haten". Hoe komt dat dan? „Uit de val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden". — Men kan dit natuurlijk ontkennen. En de massa doet dat ook. Maar dat verandert aan de waarheid daarvan niets.
De mens, die meent vrij te zijn, is in werkelijkheid een gebondene, een slaaf der zonde. Juist het Woord Gods, dat hij verwerpt, spreekt van de ware vrijheid. De vrijmaking van de wet der zonde en des doods door de Heere Jezus Christus. Deze vrijheid is geen bandeloosheid of losbandigheid. Lees maar eens wat de dichter van Psalm 119 schrijft:
Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een grote buit vindt. Ik haat de valsheid en heb er een gruwel van ; maar Uw wet heb ik lief.
Ik loof U zevenmaal des daags over de rechten Uwer gerechtigheid.
Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede en zij hebben geen aanstoot.
O, Heere, ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.
Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen en ik heb ze zeer lief.
Ik onderzoek Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.
Als de ouders gezag over hun kinderen uitoefenen, dan is dat zo, omdat God het wil. Tot zelfs van het hoogste gezag in de Staat geldt het zelfde. , , Door Mij" — zegt de Heere — , , regeren de koningen en oefenen de vorsten gerechtigheid". In de staatsstukken, die in ons land van de regering uitgaan, vinden we bij de aanvang : „Wij, Juliana, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden", 't Kan zijn dat dit voor velen een holle phrase is, maar niettemin is het een telkens terugkerende belijdenis, dat er geen macht is dan van God, en dat de machten, die er zijn, van God zijn verordend.
Zullen wij van deze dingen spreken op school, met onze leerlingen? Behoort dit tot datgene waarvan ge spreken moet, ook als ge in uw huis zit?
Het is niet de bedoeling, dat bij elk gebod of verbod, dat ge uw kind of uw leerling geeft, ge er de hoogste wet bijhaalt. Dat zou weer een neerhalen van het heilige zijn. Maar wél, dat ge uw kind, al naar de mate zijner bevatting, hierop wijst. Ge hebt er bij uw Bijbellezen thuis en op school, bij het vertellen van de Bijbelse Geschiedenis ruimsohoots gelegenheid toe. En er komen zeker en vast wel eens ernstige feiten voor, die u aanleiding geven om de schuldige onder vier ogen nog weer opzettelijk, deze dingen onder het oog te brengen. Maar wees dan voorzichtig ! Want kinderogen zien scherp, 't Is niet voldoende, dat gij als ouders of andere opvoeders dit alles weet, maar is 't ook uw diepste overtuiging geworden? Leeft ge er zelf uit? Is het niet menigmaal zó, dat we in de dagelijkse practijk des levens het zo diep niet zoeken? Omdat we zelf de diepe afhankelijkheid niet gevoelen, niet bewust beleven? Ik geloof dat wij in dit opzicht heel wat schuld hebben te belijden.
In de huiselijke opvoeding hebben we het grote geheim der natuurlijke liefde, wederkerig tussen ouders en kinderen. En al kan deze niet zijn de grondslag der opvoeding, toch is het een zeer belangrijke factor. Dat mist de school. Ook zal een goed onderwijzer als regel wel van z'n leerlingen houden, toch is het niet, wat in de verhouding ouders— kinderen essentieel is. Daarom komt het er zoveel te meer op aan, dat de ouders toch wel toezien aan wie ze hun kinderen toevertrouwen. Aan hen, die uitgaan van de normen, die de Heilige Schrift geeft, óf, die misschien wel levende uit een algemeen humanitair principe, toch het Goddelijk gezag niet erkennen. Dat geldt in de eerste plaats voor de school, die zulk een belangrijke taak heeft in het leven van het opwassende kind. Maar ik denk ook aan andere gemeenschappen. Aan de jeugdverenigingen, zowel voor meisjes als voor jongens, aan speeltuinwerk, aan sportclubs, aan muziek- en zangverenigingen en dergelijke. Bij deze alle, die, ik erken het, als regel met de beste bedoelingen worden opgericht en geleid, is toch voor elk ouderpaar de opdracht om de geesten te beproeven. Leg me nu niet in de mond, dat ik zou beweren dat als de naam Christelijk ergens vóór staat, dan alles in orde is. De naam is een teken, zeker, zo moet het zijn, maar als het soms hier of daar niet méér is dan een versieringsmotief, dan kan het beter wegblijven. , , Religie" — zo zegt de vrijz. prof. Casimir — , , kan geen versiering zijn. Ze is evenmin iets bijkomstigs, dat weggelaten kan worden óf aanwezig zijn. Maar zij moet het meest belangrijke deel van ons leven zijn, staan in het middelpunt van ons zijn en al onze daden doordringen".
En de rechtzinnige Oosterzee schrijft in zijn „Onze opgroeiende kinderen" : , , Geestelijke krachten brengen zegen of verderf. Dat weten we, maar we weten ook, dat een leven zonder God een leven is zonder licht, zonder kracht. Daarom zullen we één ding doen, niet vergeten, dat opvoeden allereerst is : opgevoed worden, dat de eeuwige dingen onderwijzen, daarin onderwezen te zijn, tot voorwaarde heeft, dat de Naam van Christus noemen inhoudt: af te staan van ongerechtigheid en dat er een Goddelijke kracht is, sterker dan de kracht onzer dwaasheid, van ons onverstand en van onze zonde. En Hij, Die weet wie wij zijn, helpe ons".
De moderne mens meent wel, dat hij de zedelijkheid en de zedelijke normen kan bewaren zonder godsdienst, maar de geschiedenis bewijst, dat waar de religie overboord geworpen wordt, daar zinkt het zedelijk peil en daar neemt de verwildering toe. Er kan geen sprake zijn van een vrije en irreligieuze moraal ; dan is het geen moraal meer.
De Heere is onze Rechter, Hij is onze Wetgever, Hij is onze Koning. Hij zal ons behouden. Zo luidt het Woord. En in de practijk van het leven komt het dus hierop neer, dat alles zich richte op Hem en tot Hem, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn. Toen men in de 90er jaren van de 18de eeuw een afgelegen dorpje aantrof in het Franse Vogezengebied, waar de revolutie van 1789 niet was doorgedrongen, vroeg men zeer verbaasd aan de mensen, hoe dit kwam. Want hier was toch wel bepaald iets bijzonders. En weet ge wat het eenvoudige antwoord was?
We hebben hier goed de geschiedenis van Korach, Dathan en Abiram begrepen !
Zo gaan we dan maar weer voort en we doen het maar weer met onze Bijbel, verouderd naar de zin van de moderne mens, dwaas en onbetrouwbaar naar de mening van de moderne wetenschap, maar toch voor ons een lamp voor de voet en een licht op het pad. Ook moge het zijn op het pad van onze kinderen.
Wie daarvan weet, die dankt God voor deze zekerheid, dat het God nog belieft ons te regeren door Zijn Woord en Geest. Dat het God nog belieft mensen te gebruiken om ons te regeren en te leiden naar Zijn heilige wil. Dat Hij dat doen wil door onze ouders, die wij alle eer, liefde en trouw zullen bewijzen, omdat het Hem belieft ons door hen te regeren. Dat kweekt geen sombere kinderen, geen sombere mensen, maar juist is het grote blijdschap te weten, dat geen mens, maar God Rechter is, die 't beslist. — Dat in Zijn hand ons leven is en bij Hem al onze paden zijn. Daarvan spreekt in volle, rijke betekenis het Evangelie des Kruises voor een zondig mensengeslacht.
Van dit alles mogen we getuigen tegenover onze kinderen. En dan zijn we geheel in de Schriftuurlijke weg : Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, vertellende de loffelijkheden des Heeren en Zijne sterkte, die Hij gedaan heeft.
Zo komt het werk der opvoeding voor ouders en onderwijzers wel op een hoog plan te staan.
Wie is tot deze dingen bekwaam? Wie de knieën leert buigen en van zijn eigen hoogtepunt afdaalt. Om de wijsheid en de kracht te zoeken en te vinden aan de troon van Gods genade, aan de voet van het Kruis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's