MEDITATIE
En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende : Laat haar van U; want zij roept ons na. Mattheüs 15 vs. 23b.
Christus bevindt Zich — zo vertelt ons Mattheüs in dit Schriftgedeelte — in de delen, van Tyrus en Sidon. Hij is ook nu weer in gezelschap van Zijn discipelen. Blijkbaar zijn ze daar nog maar nauwelijks gearriveerd, of er komt al een vrouw tot Christus, die in een kort, maar hartstochtelijk gebed haar nood voor de Heere uitstort. Haar dochter is deerlijk van de duivel bezeten en zij roept nu tot Christus om ontferming. We mogen veilig aannemen, dat het vooral deze haar nood is, die haar er toe brengt om de Heere zo in 't openbaar aan te roepen. Zelf was ze immers een heidense, een Kananese vrouw, die ook uit die streek afkomstig was. En ook was ze er mee op de hoogte, dat Christus de Messias der Joden was. Maar hoewel haar geloof in gewone omstandigheden op dat ogenblik wellicht voor de omstanders verborgen gebleven zou zijn, nu, in deze nood, breekt het naar buiten uit en komt het in de vrucht openbaar. Zo zendt de Heere meermalen beproeving en verdrukking om het geloof te versterken en vruchten te doen voortbrengen. Hij zet het snoeimes in de vruchtdragende ranken, opdat ze meer vrucht zullen dragen.
Wat vreemd echter, dat Christus Zich van het gebed van deze vrouw schijnbaar niets aantrekt ! Zij houdt blijkbaar aan in haar roepen en smeken, maar Jezus antwoordt haar niet met één enkel woord. Anders heeft Hij toch steeds voor ieder een antwoord en doet toch nooit iemand tevergeefs een beroep op Hem ! Waarom zwijgt de Heere hier dan op dit gebed, dat toch in de mond van een heidense vrouw zulk een krachtig getuigenis en zulk een inhoudrijke belijdenis bevat?
Ook de discipelen gaan zich nu met het geval bemoeien. We vermoeden, dat de situatie ook hen toch wel een beetje vreemd en onwennig voorkomt en zij wenden zich tot hun Meester met de woorden, die we als tekst boven deze meditatie schreven.
De bedoeling van de discipelen is hier niet zo maar ontwijfelbaar duidelijk uit hun woorden op te maken. Wat bedoelen zij eigenlijk met die woorden : Laat haar van U ?
Er zijn er, die menen dat de discipelen hier Christus aanspoorden om met een bestraffend woord die vrouw weg te jagen. Zij ergerden er zich aan dat ze zo maar op straat nageroepen werden en wilden daar toch wel zo gauw mogelijk van af. Op zichzelf genomen, zou deze verklaring stellig niet onmogelijk zijn. We lezen wel eens meer iets soortgelijks van de discipelen. Zo wilden zij ook eens de kinderen bij de Heere vandaan drijven ; en later gaven ze aan de zalving door Maria ook een totaal verkeerde uitleg en vonden zij deze daad alleen maar zondige en onnodige geldverspilling. Daarom zou het op zichzelf ook niet onmogelijk zijn als hier de discipelen dit gebed en dit getuigenis aangezien hadden voor een ergernisgevend naroepen op straat en het verwekken van een opstootje. En het was bovendien dan ook toch nog maar een heidense vrouw.
Niettemin menen we toch, dat de discipelen hier met hun woorden een volkomen andere bedoeling gehad hebben. Als zij zeggen : Heere, laat haar van U, dan beluisteren we in deze woorden een verzoek, een gebed van de discipelen, waarin zij vragen of de Heere deze vrouw toch wil verhoren en haar wil geven dat, waar ze krachtig om smeekt. Wij zouden hun woorden dus zó omschrijven : Heere, geef haar toch haar zin, want zij roept ons na. Vooral komen we tot deze gedachte door het antwoord, dat Christus direct op de woorden van de discipelen laat volgen. Immers mede tot de discipelen zegt Hij daar : Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels. Aan dit antwoord kan toch bezwaarlijk zoiets voorafgegaan zijn als : Heere, jaag haar toch weg, bestraf haar en ontdoe U toch van haar. Het geeft echter wel een volkomen goede zin, als er aan het antwoord van Christus uit vers 24 voorafgegaan is : Heere, verhoor toch maar haar gebed, geef haar toch wat ze begeert. Op zulk een verzoek van de discipelen kan Christus antwoorden : Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.
Zodoende hebben we hier een opmerkelijke en eigenaardige situatie gekregen. Hier kunnen we veel leren, want we hebben hier namelijk iets wat zich kenmerkt door een opvallende actualiteit. We ontmoeten hier mensen, die Christus min of meer terecht wijzen ; hier zijn mensen, die barmhartiger zijn dan God. Dat komt meer voor ! Wanneer men mensen maar zalig spreekt op gronden, die geen ware Schriftuurlijke gronden zijn ; als men in Schriftcritiek het Woord Gods gaat besnoeien en verminken, omdat men nu eenmaal niet zo , , zwaar" is als men niet meer aan het bestaan van een God gelooft, want als Die werkelijk bestond dan had Hij toch zeker de oorlog en de watersnood moeten verhinderen ; en zo zouden we door kunnen gaan. Telkens kunnen we aan de kant er naast schrijven, wat we ook bij het gebed van de discipelen schreven : Hier zijn mensen, die barmhartiger zijn dan God. Wat een Gode-onterende vergissing maken we hier echter. Het is immers juist omgekeerd. Wat zijn de discipelen onbarmhartig in hun gebed, en wat is Christus barmhartig in Zijn zwijgen ! De discipelen zijn onnadenkend en oppervlakkig in hun gebed. Wellicht bevreemdt het hun dat Christus zo maar niets tegen die vrouw terug zegt en net doet of Hij haar niet hoort en opmerkt. Dat zijn de discipelen helemaal niet van hun Meester gewend en daarom bemoeien zij zich ook met het geval. Zij zien echter over het hoofd, dat Christus wel degelijk hoort en verhoort. Ja, het is hier zelfs zo, dat Hij al antwoordt eer deze vrouw roept. Christus is hier namelijk Zelf aanwezig, en Hijzelf is het meest zalige antwoord Gods. Dit antwoord is er al, eer dat deze vrouw gaat roepen. Het blijkt ons zelfs dat de Heere de hele reis naar deze heidense streek gemaakt heeft, alleen voor deze vrouw. Hij kwam er en ontmoette er deze vrouw terstond, en direct na deze ontmoeting keerde Hij ook weer terug, zo lezen we in vers 21 en 29. Natuurlijk willen we hiermee niet zeggen, dat de éne mens nooit voor de ander zou mogen bidden en vragen. Het is dan ook in 't geheel niet af te keuren dat de discipelen voor deze vrouw bidden, maar we hebben hier het oog op de inhoud van hun gebed. Dit lijkt zo barmhartig tegenover Christus' onbarmhartigheid, maar de werkelijkheid is juist omgekeerd. En zo is het niet alleen hier, maar zo is het steeds, ais de mens met zijn ontferming boven God en Zijn Woord meent te kunnen en te mogen uitgaan. Het is waarlijk niet moeilijk om de hardheid van de discipelen aan te wijzen en daartegenover de goedertierenheid van Christus. We lezen het zo maar in de tekst en de verdere geschiedenis. De hardheid der discipelen blijkt uit hun woorden. Zij horen de bede van deze vrouw en in zekere zin zouden we kunnen zeggen : Zij verhoren ook haar gebed. Haar woorden vinden aansluiting bij de jongeren, zodat ook zij tot gebed gedreven worden. Christus zwijgt echter en doet alsof Hij niets bemerkt. Deze vrouw zal op dit moment wel meer aan de discipelen, dan aan Christus gehad hebben. Toch is dat volstrekt niet waar. De discipelen proberen met hun spreken deze vrouw bij Christus vandaan te krijgen. Zij zeggen het immers zelf: Heere, laat haar van U ; geef haar hetgeen zij begeert, dan zal ze wel heengaan en U en ons met rust laten.
Maar Christus is juist bezig om deze vrouw dichter naar Zich toe te trekken, en Hij doet dat hier door Zijn zwijgen en straks door Zijn schijnbaar afstoten. Wij zijn voor onszelf en voor onze medemens al vaak geheel tevreden met de gaven ; naar een verder antwoord vragen en begeren we dan niet. Als we dat maar hebben, dan zullen we de Heere ook verder wel met rust laten. Christus is er echter op uit om ons allereerst ook de Gever te doen vinden. En daarom is Zijn barmhartigheid en ontferming zo oneindig groot, ook in Zijn schijnbaar zwijgen en afwijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's