HET GEZAG DER BELIJDENISGESCHRIFTEN
Woord en Dienst van 18 Juli 1953 neemt het volgende over uit een artikel van dr. Berkhof in de Waagschaal van 12 en 19 Juni j.l. De redactie heeft het blijkbaar van groot belang geacht, al geeft zij geen commentaar , en dit doet het vermoeden opkomen, dat zij het met de strekking van dit artikel eens is.
Hét gezag der belijdenisgeschritten.
Hierover schrijft dr H. Berkhof een tweetal artikelen in „In de Waagschaal" (12 en 19 Juni). Nadat hij eerst de twee theologische posities t.a.v. de belijdenisgeschriften getekend heeft, de eerste, die de belijdenis als repetitio sacrae Scripturae mét de Schrift boven en tegenover de Kerk stelt en er besliste gehoorzaamheid aan vraagt, de tweede, die de belijdenis als menselijk antwoord op het Woord mét de Kerk ónder de Schrift stelt, wijst dr B. er op, dat wij beide uitspraken ernstig te nemen hebben. Inderdaad bedoelt het belijdenisgeschrift te zijn : hoofdsom en herhaling van de Openbaring zoals deze in de Schrift tot ons komt.
„De belijdenissen stellen de volgende geslachten voor de vraag, of ook zij het wezen van Gods genadig handelen met de mensen in deze hoofdsom terugvinden. Als wij die vraag in ernst ontkennend zouden moeten beantwoorden, zou dat betekenen, dat de Hervormde Kerk van nu geen recht meer heeft om zich als zodanig aan te dienen. Ze zou dan niet meer in continuïteit en successie leven t.o.v. de Kerk, die drie eeuwen geleden werd hervormd. Er wordt onder ons wel eens te luchtig en gemakkelijk-critisch over de drie Formulieren gesproken. Wij zijn ons dan waarschijnlijk niet bewust van de ernst van de zaak. Aan de erkenning en herkenning van deze geschriften als samenvattende greep naar het wezenlijke der Openbaring, hangt ons recht om in deze Kerk onze plaats in te nemen".
Aan de andere kant moeten wij niet vergeten, dat het de Kerk is, die deze greep naar 't fundamentele der Schrift doet, dat deze greep dus niet onfeilbaar is.
„De belijdenis is een herhaling der Schrift. Maar de Kerk herhaalt haar, haar samenvattend in eigen woorden. Daarom hebben wij onvermijdelijk met het subjectieve element in de belijdenis te doen. Haar bedoeling is objectief, als bedoeling altijd tegelijk subjectief. En deze twee zijn ongescheiden tezamen, als b.v. ziel en lichaam van de mens. Wij kunnen geen objectieve en subjectieve elementen naast elkaar leggen".
Wij kunnen deze twee elementen niet tegen elkaar uitspelen. Een goedkope theorie helpt hier niet. Het gravamen biedt geen uitweg.
„Wij kunnen m.i. nooit letterlijke overeenstemming met de belijdenis bereiken zonder krarripachtigheid en onwaarachtigheid.
Maar wij hebben genoeg aan de gemeenschap met de belijdenis. Alles wat meer is, is in werkelijkheid minder. Als wij in de belijdenis de samenvatting horen van dat, waarmee ook ons geloof staat en valt, dan is die gemeenschap werkelijkheid".
Het gezag der belijdenis is dus niet het gezag van haar letter, maar dat van haar , , geest en hoofdzaak". Met dit gezag is moeilijk te opereren. In geen geval mogen wij het naar het juridische vlak brengen. De weerloosheid van de letter der belijdenissen tegen alle latere interpretatie en interpretatie van interpretatie heeft kerken van gelijke belijdenis niet kunnen belemmeren volkomen uit elkaar te groeien. In kritieke tijden als de Duitse kerkstrijd heeft handhaving van de letter der belijdenis niet kunnen beletten, dat er conclusies uit getrokken werden, die met de tendenz geheel in strijd waren.
„Met dit alles wil ik in het geheel niet betogen, dat de belijdenisgeschriften dus geen gezag hebben. Wél moeten wij tot de gevolgtrekking komen, dat dit gezag, als we het juridisch laten gelden, niet wordt vergroot, maar juist wordt verlamd. Want op deze wijze wordt het vragen naar de bedoeling der belijdenis onderdrukt en wil men met haar omgaan met volkomen negatie van de problematiek herhaling-antwoord, statisch-dynamisch, objectief-subjectief, bedoeling-vormgeving, of hoe we haar willen betitelen. Maar niet door deze problematiek te negeren, alleen door haar te erkennen en op te nemen, kan een Kerk haar belijdenis laten gelden. Dan staat ze echter juridisch machteloos. Men kan de belijdenis alleen handhaven, als men telkens opnieuw haar bedoeling herhaalt.
De vraag of de gemeenschap met het belijden der vaderen nog bestaat, is niet notarieel te beantwoorden. Het antwoord kan alleen bestaan in een opnieuw belijden der Kerk. Zo alleen kan telkens tussen gehalte en gestalte, tussen bedoeling en vormgeving worden onderscheiden. Deze onderscheiding is onvermijdelijk. Maar ze is geen zaak van de enkeling. Ze is een daad van de Kerk, op die punten en in die periode, waarop en waarin de nood haar daartoe dringt. En dat opnieuw belijden zal altijd weer zijn een teruggaan naar de Schrift en een herhalen van de greep naar haar zin en hoofdsom, gelijk die eerder in de belijdenissen is geschied. Wij kunnen dus geen Kuyperianen uitwerpen omdat ze bezwaren hebben tegen art. 36 van de belijdenis, geen Barthianen omdat ze de formulering van art. 2 afwijzen, geen Luthersgezinden, omdat ze de sacramentsleer anders zouden willen, ook geen „Hervormd- Catholieken" omdat ze een andere ambtsopvatting hebben. Want het is telkens opnieuw de vraag, of en in hoeverre deze bezwaren de bedoeling der belijdenisgeschriften, nl. om de zin der Schrift door te geven, werkelijk aantasten. Het zou ook kunnen zijn, dat ze deze bedoeling juist bevestigen. Daarom zijn „handhaving der belijdenis" en „telkens opnieuw belijden" geen tegenstellingen. Ze zijn integendeel elkanders veronderstellingen. Eigenlijk is dat nooit geheel ontkend. Zelfs in de leertuchtprocessen, die zich tussen de beide wereldoorlogen in de Gereformeerde kerken hebben afgespeeld, heeft men nooit een predikant uit het ambt ontzet, omdat hij enig stuk der belijdenis discutabel stelde. Men heeft, althans formeel gezien, de onderhavige kwestie steeds opnieuw willen bezien en wel rechtstreeks van de Schrift uit. Maar wij moeten deze stand van zaken nog veel royaler erkennen en aanvaarden dan in de discussie over de handhaving der belijdenis gewoonlijk geschiedt".
Het zal niemand verwonderen, dat de Redactie van ons orgaan het met de hier geboden waardering van de belijdenis niet eens kan zijn. Zij is trouwens geheel in overeenstemming met het standpunt van de z.g. tmidden-orthodoxie.
Over de theologische posities t.a.v. de belijdenisgeschriften zullen wij op het moment nog niet veel zeggen, omdat wij thans niet over de artikelen in de Waagschaal kunnen beschikken. Bovenstaande formuleringen lijken ons intussen voor nadere beschouwing vatbaar.
Wat de bedoeling van het belijdenisgeschrift aangaat, of deze juist wordt uitgedrukt door de zinsnede; , , , hoofdsom en herhaling van de openbaring, zoals deze in de Heilige Schrift tot ons komt", is ook nog een vraag.
Heeft de kerk, toen zij b.v. het geschrift van Guy de Bres als belijdenis aanvaardde, de bedoeling gehad daarin een hoofdsom en herhaling der openbaring te hebben, zoals deze in de Schrift tot ons komt ? óf heeft de kerk in het getuigenis, dat Guy de Bres neerschreef, de uitdrukking gevonden van wat zij in haar geloof beleefde, zodat ze het als getuigenis van hetgeen in de harten der gelovigen leefde — en dus als getuigenis van het Christelijk geloof — omhelsde ?
't Ging haar niet om een hoofdsom, of repetitie der openbaring, maar om het leven der kerk uit de openbaring, om het leven des geloofs.
De gemeenschap des geloofs is een gemeenschappelijk delen in het leven des geloofs, hetwelk de gemeente der eeuwen draagt, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld.
Men denke eens aan de waardering der psalmen, welke daarvan op bijzondere wijze getuigt, omdat men in de psalmen het leven der kerk voelt kloppen.
Daarom is de kerk ook in de eerste plaats geloofsgemeenschap, vergadering der ware Christgelovigen.
De belijdenis als hoofdsom en repetitie der openbaring kan een zeer uitwendig en schools begrip zijn, maar als expressie van het gemeenschappelijk beleven van de grote werken Gods in Christus en van de genadegaven in Hem geschonken, is de belijdenis een getuigenis van het leven der kerk en ontsproten aan dat leven.
, , De belijdenissen", zo gaat het artikel verder, „stellen de volgende geslachten voor de vraag, of ook zij het wezen van Gods genadig handelen met de mensen in deze hoofdsom terugvinden".
Is dat nu zo? Of staat de belijdenis ook voor het nageslacht als een getuigenis van het leven der kerk, waaraan het zich heeft te toetsen, d.w.z. waaraan het nageslacht zijn geloof heeft te toetsen?
Men kan de aangehaalde zinsnede ook anders opvatten naar aanleiding van de uitdrukking „het wezen" van Gods genadig handelen. De belijdenis kan het , , wezen" van Gods genadig handelen in iets anders (hebben gevonden dan het nageslacht. Dat kan, maar boe staat het dan met het geloof en het geloofsleven van dat nageslacht? Kan het geloofsleven der gemeente van Christus wezenlijk veranderen?
Het is voorts heel gemakkelijk om te vragen naar het wezen van dingen en in navolging daarvan kan men ook spreken van het wezen van Gods handelen. Maar, het wezen te vinden, is wat anders.
Wanneer men onder het wezen van een zaak wat diepers wil verstaan hebben dan een algemeen begrip, kan het duidelijk zijn, dat wij wel praten over het wezen, maar dat wij het wezen ook van de aardse dingen niet kennen.
Het wezen onttrekt zich aan onze blik en aan onze kennis, omdat het ten enenmale transcendent is. Het wezen der dingen ligt in de hand Gods.
De vraag is daarom gewettigd, wat dr. B. bedoelt met het wezen van het handelen Gods, omdat in de diepere zin des woords geen theoloog dat zal kunnen omschrijven, terwijl er overigens nog al onderstellingen mogelijk zijn, die voor het wezen van Gods handelingen met de mens kunnen worden gehouden.
Als de éen zegt, dat liefde het wezen van Gods handelen met de mens is, heeft een ander niet minder recht om te spreken van de gerechtigheid, van de toorn Gods, van de Waarheid Gods. Hier kan men alle deugden Gods wel noemen, omdat alle deugden Gods wezenlijk zijn. Theologisch zou het ook niet zo vreemd zijn om te zeggen, dat het wezen van Gods handelen met de mensen in de goddelijke praedestinatie is gelegen. »
Het enige dan ook, dat men als het wezen van Gods handelen met de mensen zou kunnen noemen en waarover men het eens zou moeten zijn, is het goddelijke van het handelen Gods.
Hiermede wordt de vraag ontdaan van een schijn, die zij niet hebben kan ; want nu wordt zij eenvoudig : of zij, dat nageslacht, het goddelijke van Gods genadig handelen met de mensen in de belijdenis terugvinden.
Het kan nog eenvoudiger : n.l. of zij Gods genadig handelen met de mensen in de belijdenis terugvinden?
Onderstel eens van niet?
Is dan de belijdenis van het belijdend voorgeslacht verkeerd, buiten het leven des geloofs, dat zijn voorbeeld vindt in de drom van getuigen, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld, óf hapert er iets aan het geloof van het nageslacht?
Juist, omdat er zulk een innerlijke band is tussen de Heilige Schrift en het levend geloof der gemeente, is er ook zulk een nauw verband tussen het geloof der gemeente en haar belijdenis. En, omdat dit zo is, is er ook een nauw verband tussen Schrift en belijdenis. Dat nauwe verband schuilt in het leven des geloois, omdat het geloof is een werk van de Heilige Geest.
Dr. B. ziet zeer wel in, dat men al te luchtig en gemakkelijk-critisch een ontkennend antwoord zou geven.
Dat zou immers betekenen, dat de Hervormde kerk van nu geen recht meer zou hebben om zich als Hervormde Kerk aan te dienen. De continuïteit en successie ten aanzien van de kerk, die drie eeuwen geleden werd hervormd, zou verdwenen zijn.
Dat zou zo zijn, als de Hervormde kerk haar belijdenis zou verwerpen, omdat zij een ander geloof had aangegrepen.
Dat is echter volstrekt nog niet het geval, als een groep van midden-orthodoxen of vrijzinnigen de vrijheid voor zich opeisen om de belijdenis der kerk te nemen in „geest en hoofdzaak", hetgeen vrijwel gelijk staat met een recht van persoonlijke interpretatie.
Toegegeven, dat ook in een gezond kerkelijk leven altijd met een zekere ruimte voor het subject moet gerekend worden en dat een wijs kerkelijk beleid daarmede ook rekenen wil, zodat niet ieder verschil wordt gemaakt tot een geschil en weinig belangrijke verschilpunten niet worden opgeblazen tot fundamentele stukken, waarmede de kerk staat of valt, is het toch ganselijk misplaatst om ter wille van degenen, die zich ook op waarlijk principiële punten van de belijdenis der kerk verwijderd hebben, een functie van de belijdenis uit te denken, die noch met de aard der belijdenis, noöh met de aard van het geloofsleven overeenkomt.
Het gaat niet om een greep naar het fundamentele van de Schrift en het gaat derhalve ook niet over de feilbaarheid of onfeilbaarheid van die greep. Zulk een greep zou als verstandelijke greep niet slechts feilbaar zijn, maar wellicht altijd falen.
Neen, de belijdenis bedoelt niet te zijn een kort begrip van de hoofdwaarheden van de Heilige Schrift, maar zij is uitdrukking van en bedoelt uitdrukking te geven aan het geloofsleven der gemeente des Heeren, gelijk deze dit door Woord en Geest leert verstaan.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's