ONDERWIJS Sociale opvoeding (I)
Rousseau was toch wel een heel eind buiten de realiteit van het werkelijke leven, toen hij z'n Emile liet opvoeden ver buiten gemeenschap met anderen, om aldus alle verkeerde-invloeden te verhinderen hun funeste werking op z'n pupil uit te oefenen. Hij was daarom zo ver buiten de werkelijkheid, omdat hij in de eerste plaats geen rekening hield met het feit van de zondige natuur van het kind. Maar verder ook, omdat ieder mens ten slotte een deel uitmaakt van de gemeenschap en later deels actief aan het leven dezer gemeenschap zal deelnemen, deels zijn eigen leven daarnaar zal moeten regelen. We wonen nu eenmaal niet als eenling op de wereld, maar we maken deel uit van kleinere en grotere verbanden, het gezin, de dorps- of wijkgemeenschap, de stad, de school, personeel van de zaak of van het bedrijf enz.
In de loop der eeuwen hebben velen, met name vele aanzienlijken, dit niet willen aanvaarden. Of liever gezegd, ze hebben het wel erkend van anderen, voor hun ondergeschikten, voor allen dié beneden hen stonden in maatschappelijk opzicht, maar ze aanvaardden het niet voor zichzelf en voor hun kinderen. Zij waren daar boven verheven, zij stonden apart en wilden allerminst ook maar voor het geringste deel hebben aan het leven der geringere volksklassen. Vandaar dat ze hun kinderen, hun zonen vooral door gouverneurs lieten onderwijzen en opvoeden, maar vandaar ook, dat in vroegere tijden de beter gesitueerden zo oneindig ver van het gewone volk afstonden. Zelfs al was de meerderheid in bezit niet meer aanwezig, toch was de afstand van de adelstand tot de burgerij ongekend grpot, en vormde een veelal onoverbrugbare klove. Dit heeft in rumoerige tijden aanleiding gegeven tot gruwelijke tonelen. Denk maar aan de jaren 1789—1793 in Frankrijk.
Tegenwoordig staan de zaken in 't algemeen wel enigszins anders. Ons Koninklijk Huis geeft daarin het voorbeeld, doordat de Koninklijke prinsessen tegelijk met andere kinderen schoolgaan en in gemeenschap met andere worden opgevoed.
De Lagere School betrekt hare leerlingen uit alle geledingen der samenleving.
We zijn nu eenmaal in ons maatschappelijk leven op elkander aangewezen, op samenleven met elkander. We mogen nog zo individualistisch zijn aangelegd, in de practijk is de realisering van deze aanleg aan zekere vrij enge begrenzing gebonden, daaroverheen herneemt de gemeenschap haar rechten en kunnen we eenvoudig voor alles wat we willen en we nodig hebben niet buiten onze medemensen : we zijn op gemeenschap aangewezen.
Als we nu met onze kinderen de gewone natuurlijke weg volgen, dan treden we reeds als vanzelf, bewust of onbewust op het terrein der sociale opvoeding. Dit is trouwens al uit de aard der zaak gegeven. Ontvangen in het samenzijn der ouders, groeit het kind in de verborgen gemeenschap met de moeder tot het bij de geboorte treedt in de gemeenschap van het gezin. En eer het later, als God het in 't leven spaart, het maatschappelijk leven intreedt, komt nog als voorbereiding daartoe, de schoolgemeenschap.
Voor de school is het van buitengewoon belang te weten, van welke aard het gezinsleven is, waaruit de kinderen komen. Is het gezin goed, dan kan de school zich daarbij aanpassen en daarop voortbouwen. Hapert er nog al wat aan, dan zal er als overgang, nog al eens een moeilijkheid voordoen, dan zal er één en ander moeten worden afgeleerd en heel wat moeten worden aangeleerd.
En nu bedoelen we niet in de eerste plaats, of liever helemaal niet, dat er aparte lessen gegeven worden in sociale wetenschap, dat er weer een nieuw vak onder bepaalde uren op rooster en leerplan komt te staan. Zo gaat het in het gezin ook niet. Daar begint de sociale opvoeding al direct na de geboorte van het kind. Door lichamelijke verzorging. Door gewenning aan het reinhouden van het lichaam, aan het op bepaalde tijden ontvangen van voedsel, aan het op geregelde tijden gaan slapen. En wat later zal het kind gaan bemerken, dat het ingeschakeld is in het huisgezin, waar eigen regels en wetten zijn. Deze regels en deze wetten in het huis worden het kind opgelegd. Dit moet, dat mag niet, dit is goed, dat is verkeeid. De kleine moet op tijd opstaan en op tijd naar bed, moet leren hoe het zich bij de maaltijden moet gedragen, hoe het vork en lepel moet gebruiken, hoe het zich moet gedragen bij het bijbellezen enz. Zo leert het kind geleidelijk aan de eerste beginselen der samenleving van de ouders en andere leden van het gezin. Het leert gehoorzamen, hulpvaardigheid beoefenen, samenwerken met anderen. Gelukkig als er meerdere kinderen in het gezin zijn. Des te dichter komt dan de kleine gezinsgemeenschap de grotere daarbuiten nabij ; des te dichter wordt dan de werkelijkheid benaderd. Dat zal dan wel eens botsingen geven — ik denk niet, dat er gezinnen zijn, waar dit nooit gebeurt — maar dit is niet erg, dit is veel-, eer een noodzakelijk gevolg van de omgang met mensen en zodoende ervaart het kind dat de samenleving ook moeilijkheden kent. De ouders moeten niet trachten alle moeilijkheden voor het opgroeiende kind te voorkomen. Ze kunnen dit trouwens ook niet; maar bovendien zou zulks al een heel weinig geschikte voorbereiding zijn voor het latere leven, waar ook niet heel liefjes alle stenen voor je voeten worden weggeraapt, 't Komt, integendeel meer voor, dat de stenen opzettelijk voor je voeten worden gegooid. Gelukkig wie dan al vroeg geleerd heeft, er niet voor uit de weg te gaan, maar aan te pakken en op te ruimen ; in elk geval zich er niet door te laten ontmoedigen.
In 't gezin komen ook tijden van tegenslag, van achteruitgang in zaken, van ziekte en dood.
Als 't mogelijk is, bij ziekte b.v. moet het kind leren helpen. Groot verdriet kan het misschien nog niet altijd gevoelen en begrijpen maar alleen het meemaken er van is met het oog op het latere leven van grote sociale betekenis.
Evenzo is het met tijden van vreugde. Met verjaardagen, met gedenkdagen. We zijn geen voorstanders van groot feestelijk gedoe tot laat in de nacht, maar anderzijds moeten toch ook in de gezinnen de vierdagen gevierd worden. Het kind moet ook eens een geschenk ontvangen. Ook eens aan de jarige vader en moeder, broer of zus een cadeautje kunnen geven.
Al vroeg moge het dan reeds in het gezin leren, dat zowel vreugde als droefheid geen dingen zijn die bij toeval ons overkomen. In het echt Christelijke gezin mogen en moeten de kinderen het weten — en welk een uitnemend belang is dit voor hun latere leven — dat alles van Gods Vaderhand hun toekomt. Wat een zegen als het kind dat reeds vroeg leert. Later zullen de stormen zeker komen en de tegenslagen kunnen vele worden. Fijn, als het kind dan reeds van vader of moeder het heeft gehoord, dat de wereld, dat de samenleving, dat het gezin, dat de enkele mens tenslotte niet een stuivende zandwolk is, noch een wegspattende waterdroppel, toevallig door de wind opgeworpen, maar dat er een God in de hemel is, in Wiens hand onze adem is en bij Wien al onze paden zijn, Die zich over het verlorene ontfermt in en door de Heere Jezus Christus Zijn Zoon.
Dat alleen geeft stuur en richting aan het leven. Ook aan het maatschappelijke, het sociale leven. Maar dit alles schept ook zware verantwoordelijkheid voor de ouders. Die ze niet kunnen dragen, tenzij ze de weg weten naar de troon der genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's