HET GEZAG DER BELIJDENISGESCHRIFTEN
II.
In gevolge de onjuiste waardering van de belijdenis en de belijdenisgeschriften, moet ook dé erkenning van deze geschriften een geheel andere zin krijgen dan kerkelijk verantwoord is. Deze erkenning zou volgens dr. B. erkenning zijn van de belijdenisgeschriften „als saamvattende greep naar het wezenlijke der openbaring".
Wederom een netelige wijze van uitdrukken. Wat toch is het wezenlijke der openbaring ?
Men kan het zo wel neerschrijven, alsof het voor iedereen duidelijk ware, wat daarmede wil gezegd zijn, maar dat is nog niet het geval. Over het „wezenlijke" hebben wij reeds een opmerking gemaakt.
Het wezenlijke der openbaring, bedoelt dit het wezenlijke van de openbarende actie Gods ? Of het wezenlijke van de geopenbaarde dingen ? Of zo iets als het hart der kerk, zoals Calvijn de praedestinatie, heeft genoemd ? Wellicht bedoelt dr. B. met deze uitdrukking niet meer dan de „hoofdsom van de openbaring, zoals deze in de Sctirift tot ons komt".
Dat zou er dus op neer komen, dat erkenning van de belijdenisgeschriften geen andere zin heeft dan de erkenning, dat deze geschriften de hoofdsom der openbaring juist weergeven. Dat lijkt derhalve heel sterk op een theologische waardering en erkenning en doet vermoeden, dat dr. B. zich op het standpunt stelt, dat de theologie over het geloof der gemeente heerst.
De geschiedenis der laatste eeuwen, met name van de negentiende eeuw en de jongste generatie kan wel aanleiding geven voor zulk een onderstelling, maar daarom kan deze zich nog niet rechtvaardigen in het licht van de Schrift. Deze leert niet, dat de kerk van Christus uit de Godgeleerdheid leeft, maar uit de levende Godskennis, welke vrucht is van openbaring. De Godgeleerdheid is een vrucht van het kerkelijk leven. Openbaring, geloof, kerkelijk leven en dan pas Godgeleerdheid. Zij ontleent de stof en het object, waarmede zij zich bezighoudt, aan het geloof en de belijdenis der kerk.
Indien zij zich daarmede niet tevreden wil stellen en — alsof haar zonder meer het licht over de Schrift was opgegaan — onmiddellijk uit de Schrift wil theologiseren, is het allerminst zeker, dat zij uit het geloof der kerk theologiseert m.a.w., dat zulk een theologie door het kerkelijk geloof wordt gedragen en derhalve, dat men met echte theologie van doen heeft.
Om diezelfde reden kan het resultaat van een dergelijk pogen moeilijk wat anders bieden dan een relaas of een systeem van subjectieve opvattingen, hetwelk uit de aard der zaak geen hoger gezag kan doen gelden dan dat van de zegsman.
Alle theologie, die boven-confessioneel wil zijn en het confessioneel karakter der Godgeleerde wetenschap uit het oog verliest, moet in zulk een subjectivisme vervallen.
Daarom zij men op zijn hoede voor theologische waarderingen van de belijdenis.
Wij ontkennen niet dat er plaats is voor een theologische waardering van de belijdenis der kerk in haar onderdelen. Dit moet reeds volgen uit het feit, dat de historie althans drie hoofdtypen van confessioneel leven vertoont : de Roomse, de Lutherse en de Gereformeerde type.
Voor dè theologische wetenschap is er dus onmiddellijke aanleiding om deze drie confessionele typen te vergelijken in de verschillende leerstukken. Zulk een vergelijking moet als van zelf voeren tot een theologische waardering van b.v. de Roomse, de Lutherse en de Gereformeerde Avondmaalsleer, van de opvattingen der praedestinatie, enz.
Zulk een vergelijking moet ook een maatstaf vragen. En nu is het heel erg eenvoudig om te zeggen : welnu, die is er, de Heilige Schrift, maar de Heilige Schrift geeft maar niet een antwoord gans en al pasklaar op al onze vragen en theologische kwestiën. Indien dat zo ware, zou de historie der kerk een andere zijn geweest dan nu. De Bijbel is geen theologisch woordenboek en hoewel de Heilige Schrift het laatste woord heeft voor het geloof, heeft zij dat niet voor het ongeloof.
Bovendien staan dergelijke theologische vragen en kwestiën niet op zich zelf, maar zij vormen complexen. De Roomse Avondmaalsleer b.v. staat niet op zich zelf, maar de verklaring van de gemeenschap in het Avondmaal geoefend, hangt samen met de alles beheersende Roomse leer der incarnatie, en haar doorwerking in de kerk.
Anders gezegd, zij hangt samen met het hart van het Roomse geloof. Het is in de grond der zaak geen theologische kwestie, — dat is slechts de buitenkant — maar het is een kwestie van geloven en belijden.
Insgelijks staat het met de Lutherse en de Gereformeerde Avondmaalsleer, De theologische kwestiën komen op uit innerlijke verschilpunten, die saamhangen met het Luthers geloven en belijden, en met het Gereformeerde geloven en belijden.
Daarom gaat het bij de erkenning van de belijdenisgeschriften niet om een , , saamvattende greep", maar om de Roomse, de Lutherse of de Gereformeerde geloofstype als geheel, om het in die verschillende typen beslissende karakter van geloof en geloofsleven.
Niet de vraag, of de belijdenisgeschriften min of meer juist een kort begrip der openbaring geven, beslist hier, maar het geloof, dat zich zelf in de belijdenis terug vindt.
Dat voorts geloof en geloof ver van elkander verwijderd kunnen zijn, bewijzen de Lutherse en Gereformeerde belijdenissen der reformatie, niet alleen gezamenlijk tegenover Rome, met name in de eerste tijd, maar ook onderling.
Het Lutherse geloof bleek in zijn ontwikkeling op onderscheidene punten grondig te verschillen van het gereformeerde geloof en het ontbreekt waarlijk niet aan getuigenissen in de historie, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat Lutheranisme en Calvinisme zelfs vijandig tegenover elkander, stonden en de Lutheraanse invloeden in de Hervormde Kerk hebben de liefde voor de Gereformeerde leer niet bevorderd. De klove tussen beiden was omstreeks de Dordtse Synode reeds zo diep geworden, dat de Lutheranen zich verwant gevoelden aan de volgelingen van Arminius en ook hun eigen leer door Dordrecht veroordeeld achtten.
De Hervormde Kerk behoort van huis uit tot de Gereformeerde type, zoals , zeer duidelijk uit haar belijdenis blijkt. Op het standpunt van dr. B. zou men in de Roomse belijdenis dus een greep naar het wezenlijke der openbaring hebben, in de Lutherse belijdenis eveneens en in de gereformeerde nog eens weer. Drie grepen naar het wezenlijke en waarschijnlijk drie misgrepen : De Roomse, de Lutherse en de Gereformeerde greep.
Van zo heel grote; betekenis schijnt derhalve de Reformatie niet te zijn. En wat moet men denken van een teruggrijpen op het Christendom der eerste eeuwen ?
Voor zover men zulk een greep erkent, zou men recht hebben om in de betreffende kerk een plaats in te nemen. Heel erg nauw neemt dr. B. dat ook al niet, want hij wil niemand uitwerpen, ook niet b.v. de z.g. Hervormd- Catholieken.
Nu is het recht om zijn plaats in een erk in te nemen en de erkenning der belijdenis, ook al weer een vage uitdrukking. Welke plaats men inneemt is niet gelijk. Indien men een ambt bekleedt, zal niet alleen erkenning van, maar instenuning met de belijdenis der kerk zonder twijfel eis moeten zijn. En dan niet erkenning van een greep naar het wezenlijke der openbaring, maar instenaming met het geloof der belijdenis.
Van een belijdend lidmaat mag hetzelfde gevraagd worden. Hoe en waarom kan hij anders belijdend lid der kerk zijn ? Hoe kan hij delen in het gemeenschappelijk geloof ?
Overigens worden velen in de kerk geboren, zodat zij krachtens geboorte een plaats in de kerk innemen. Welke plaats dat kan zijn laten wij nu maar rusten.
Verder vragen wij : Recht om zijn plaats in te nemen, en dat in de kerk van Christus, wat is dat voor recht ? Ik erken de belijdenis als greep naar het Wezenlijke der openbaring, dus ik heb recht om mijn plaats in de kerk in te nemen als.... alles wat men zoal zijn kan.
Dr. B. wil bijzondere aandacht vragen, voor het subjectieve in de belijdenis. Terug komende op de drie typen, welke de historie biedt, is het zeer de vraag, of de weg, die dr. B. wijst of wijzen wil, niet veel meer subjectief is. Misschien houdt het daarmede verband, dat hij opmerkt: , , wij kunnen deze twee elementen, (subjectief en objectief) niet tegen ejkaar uitspelen". Dat is misschien wel waar, maar dat behoeft ook niet. Er is in de drie kerkelijke geloofstypen, zoveel overeenkomst bij alle verschil, dat het subjectivisme in deze drie niet te vergelijken is bij wat de geschiedenis der wijsbegeerte b.v. te zien geeft.
De drie genoemde geloofstypen zijn waarlijk genoegzaam objectief bepaald om te weten, wat tot de ene of de andere type behoort.
Dit gaat zelfs zo ver, dat zij, die overigens van de gereformeerde leer en haar aanhangers afkerig zijn, niet zelden hun eigen wensen aan deze laatsten willen opdringen onder voorwendsel, dat het zo , , gereformeerd" is.
, , Wij kunnen geen objectieve en subjectieve elementen naast elkaar leggen", zegt dr. B.
Over deze stelling zou uit wijsgerig oogpunt nog wel een en ander te zeggen zijn. Dat zou echter wat ver van ons onderwerp afvoeren.
In ieder geval kan aan die opmerking van dr. B. geen steekhoudend argument worden ontleend tegen de handhaving der belijdenis in de zin van het geloof, dat zij belijdt. Om dat geloof gaat het immers.
Dr. B. zegt: „Wij kunnen m.i. nooit letterlijke overeenstemming met de belijdenis bereiken zonder krampachtigheid en onwaarachtigheid".
In de eerste plaats moet hier worden opgemerkt, dat deze zinsnede van een geheel andere onderstelling uitgaat dan het streven naar de normale functionering der belijdenis. Deze zou o.a. van ambtsdragers en belijdende lidmaten instemming met de belijdenis der kerk vragen. En dat zonder meer. Niet letterlijke overeenstemming en ook niet overeenstemming in geest en hooidzaak, maar instemming met, n.l. met dat geloof, dat in de belijdenis aan het woord is en zoals dat daar aan het woord is. Wie de gereformeerde belijdenisgeschriften vergelijkt uit een oogpunt van geloof, zal gemakkelijk inzien, indien hij althans dat geloof deelachtig is, dat zij in vorm en gestalte kunnen verschillen als de Catechismus en de Ned. Geloofsbelijdenis, maar nochtans uit eenzelfde geloof getuigen.
De weg om in de tegenwoordige kerkelijke chaos tot de functionering van de gereformeejde belijdenis te komen, is vanzelfsprekend, een geheel andere dan wat dr. B. zich voorstelt.
Dr. B. wil overeenstemming bereiken met de belijdenis —of eigenlijk gezegd — hij wil geen overeenstemming bereiken, want letterlijke overeenstemming , , kunnen wij nooit bereiken zonder krampachtigheid en onwaarachtigheid", begint hij op te merken.
Het gereformeerde standpunt gaat uit van de overtuiging van de waarheid der belijdenis, d.w.z. van de overtuiging, dat het geloof, waaruit de belijdenis getuigt, en wat zij daarin getuigt, overeenkomt met het geloof, hetwelk ons in de Heilige Schrift wordt geleerd, m.a.w. het ware geloof. Derhalve wordt de belijdenis aanvaard als norma normata van het kerkelijk geloof en als draagvlak van het kerkelijk leven.
Dr. B. gaat uit van de veelheid van meningen en vraagt zich af : onderstel eens, dat men letterlijke overeenstemming met de belijdenis ging eisen —!
Dat zouden wij — wie; zijn dat? — niet kunnen zonder krampachtigheid en onwaarachtigheid, besluit hij dan !
Die krampen en leugenachtigheden zouden dus gezocht moeten worden bij degenen, die buiten de gemeenschap van het gereformeerd geloof vallen en zich daarbij in bochten gewrongen of met een onwaarachtig hart zouden neerleggen, terwille van ik weet niet welke belangen.
Het is intussen een vreemde methode van kerksanering, zulke onverantwoorde onderstellingen te lanceren en voorts ter vermijding van krampen en onwaarachtigheden, welke de voorgestelde methode zou opwekken, het gereformeerd karakter der Hervormde Kerk ten eenenmale prijs te geven.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's