RONDOM DE RECHTVAARDIGING
I
Mag ik u in gedachten even verplaatsen naar het centrum van ons land ? Naar de stad waar eens Voetius het vaandel der gereformeerde Waarheid aan de Universiteit aldaar, heeft hoog gehouden : De stad Utrecht, ons zo zeer bekend als de plaats waar zoveel jaarvergaderingen onzer Herv. Geref. Bonden gehouden worden.
Het is 15 April 1953. Het lied van de arbeid, op deze doordeweekse dag, klinkt allerwegen op. Het lied, waarin het vaak uitsluitend gaat om de stoffelijke dingen, met verachting van de geestelijke.
Daarom doet het zo weldadig aan, wanneer in het midden van deze stad, terwijl het lied van beneden overal weerklinkt, er in een der grote vergaderzalen zich uit allerlei plaatsen een söhare verzameld heeft, om een ander lied aan te heffen. Een lied dat eenmaal de Heilige Geest in Davids hart geboren deed worden en dat sindsdien het levende getuigenis geworden is van zovele harten, die door Gods Geest werden aangeraakt. Het was prof. Severijn, die voorstelde dit lied, dit psalmvers te zingen :
Welzalig hi], wiens zonden zijn vergeven, Die van de straf voor eeuwig is ontheven, Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt. Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt.
Dit lied legde beslag op de aanwezigen, omdat aangevoeld werd : ja, dit is het — de vergeving der zonden. Wanneer we daaraan deel hebben : welgelukzalig ; anders rampzalig. Alleen door de vergeving der zonden rechtvaardig voor God.
Rechtvaardig voor God, In dit teken stond ook gedeeltelijk deze middagvergadering, waarin ds. Tukker sprak over „Wedergeboorte in verband met de rechtvaardiginaking".
Wie bewust en belangstellend medeleeft, zal het opgevallen zijn dat in onze kringen de laatste tijd voor het stuk der Rechtvaardiging aandacht gevraagd wordt. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat ds. Tukker op verzoek van het Hoofdbestuur van de Geref. Bond bovengenoemd onderwerp behandelde, maar ook b.v. de artikelen van ds. van Sliedregt in de Waarheidsvriend en in de Hervormde Vaan tonen aan dat deze ons op het hart wil drukken, dat het voor het welzijn van het geestelijke leven van het allerhoogste belang is, dat de Rechtvaardiging door het geloof niet op de achtergrond gedrongen wordt.
Vandaar dat het nuttig kan zijn wanneer we bij vernieuwing onze gedachten op deze belangrijke zaak concentreren en we tot onderwerp kozen : „Rondom de Rechtvaardiging".
Met opzet namen we tot titel „Rondom de Rechtvaardiging", , , Rondom". We willen dus reeds direct de gedachte bij deze of gene afsnijden dat over de Rechtvaardiging thans een volledig overzicht gegeven of het laatste woord gezegd zou worden. Dit zou veelmeer op de weg van theologen liggen, wat schrijver dezes niet is. En bovendien, zelfs voor godvruchtige theologen, de geschiedenis heeft het geleerd, is dit onderwerp wel een der moeilijkste, zodat er steeds verschil van inzicht is geweest. Dit mag ons er echter niet van weerhouden op eenvoudige wijze ons met deze stof bezig te houden, omdat ze voor het geestelijk leven van zoveel belang is.
De Rechtvaardiging door het geloof. Hoort, hoe Paulus hiervan getuigt en hij spreekt niet voor zichzelf alleen : „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus".
Hieruit blijkt al direct hoe zeer de Rechtvaardiging door het geloof onmisbaar is voor ware zielevrede. Dit leerstuk is een der voornaamste bestanddelen der Waarheid. Doch een bestanddeel dat meer dan eens bedolven is geworden, zodat het uit de gezichtskring verdween en plaats moest maken óf voor onschriftuurlijke leerstellingen, óf voor andere eenzijdig op de voorgrond geplaatste waarheden, waardoor de vastigheden Sions als het ware verwisseld werden voor allerlei wankelbare zelfgekozen steunpunten.
De belijdenis van de Rechtvaardiging door het geloof, was wel zeer in het bijzonder in de tijd die aan de reformatie vooraf ging, tot een bedolven bestanddeel der waar^heid geworden. En wat erger is, men had er voor in de plaats gesteld de Rechtvaardiging door de werken der Wet.
Wat de kerk van Rome in die dagen te aanschouwen gaf, was wel heel bedroevend. We behoeven slechts te herinneren aan de aflaathandel, gebaseerd op de leer der overtollige goede werken van de gestorven heiligen.
Donker, zeer donker, was in die tijd de kerkelijke hemel. Het licht van Gods Woord was verduisterd door menselijke inzettingen en leringen.
Maar ziet, de Heere Die over Zijn kerk waakt, zorgde er voor dat het aan die donkere hemel begon te lichten. Het morgengloren van de dag der reformatie brak aan.
En het waren de reformatoren die als begenadigde gezanten des Heeren, Gods Woord weer onder het stof vandaan haalden. Het werd weer : Gods Woord alleen, Gods Woord geheel. Uit dit Woord Gods werden weer opgedolven de rijke schatten des heils, in Jezus Christus geopenbaard. Een der belangrijkste daarvan was wel het leerstuk van de Rechtvaardiging door het geloof alleen, zonder de werken der Wet. Met dit leerstuk toch staat of valt de kerk.
En waarom staat of valt de kerk hiermede ?
Omdat deze belijdenis de kern van de zaak raakt. Ze heeft betrekking op het ganse mensenleven in zijn verhouding tot God. Ze is van ingrijpende betekenis voor de prediking des Woords en niet minder voor het persoonlijk leven des geloofs, zowel bij de aanvang als de voortgang daarvan. En de zekerheid des geloofs staat met deze belijdenis, althans met de beleving daarvan, in nauw verband.
Belangrijk is het leerstuk van de Rechtvaardiging door het geloof, omdat het de geestelijke dingen op hun juiste Schriftuurlijke plaats zet. Omdat het geen gronden aanwijst, waarop men zou kunnen staan, buiten het enige Fundament, Jezus Christus. Ook na ontvangen genade is men immers nog zo geneigd om naast het enige Fundament, nog zovele onschriftuurlijke gronden te zoeken, die de plaats van het enige Fundament, Jezus Christus, dreigen in te nemen.
De belijdenis van de Rechtvaardiging door het geloof roept het ons toe : geen gronden buiten de enige Rotssteen, maar bovenal roemt ze de aanbiddelijke genade Gods, Die de goddeloze rechtvaardigt door het geloof, zonder de werken der Wet.
De rechtvaardiging door het geloof is niet een schat, die men uit Gods Woord als het ware eerst na heel diep delven naar boven kan halen. Het is geen Waarheid die men tussen de regels door moet lezen. Doch de Heilige Geest heeft deze kostbare parel op vele bladzijden van Gods Woord in haar flonkerende schoonheid ten toon gespreid. Vandaar dat, toen in de reformatietijd de Bijbel weer onder het stof vandaan kwam, dit leerstuk aanstonds in zijn rijke vertroosting en in zijn van wettische gerechtigheid bevrijdende kracht, heerlijk bij vernieuwing aan het licht kwam.
Mag ik u een enkele plaats uit Gods Woord noemen, waaruit de Schriftuurlijkheid van deze belijdenis duidelijk openbaar komt ?
Na het bij de aanvang reeds vermelde, zo bekende woord van de apostel Paulus : „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof...." (Rom. 5 : 1) noemen we : „Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet", Rom. 3 : 28 !
„Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet ; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden". Gal. 2 : 16.
, , En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God is openbaar ; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven". Gal. 3:11.
We willen het hier maar bij laten, omdat de plaatsen welke hierover handelen, zeer overvloedig zijn.
En wanneer we ons wenden tot de Belijdenisgeschriften onzer kerk, dan spreken ook deze een duidelijke taal.
Na de behandeling van de twaalf artikelen des geloofs volgt in de Catechismus de vraag : Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft ? En het antwoord luidt : Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens. En in aansluiting hierop wordt de vraag gesteld : Hoe zijt gij rechtvaardig voor God ? , waarop het rijke, schriftuurlijke, reformatorische antwoord volgt: , , Alleen door een waar geloof in Jezus Christus ; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem".
En in de Belijdenis des geloofs, waar gehandeld wordt over onze rechtvaardigmaking door het geloof in Christus Jezus, heet het: „Wij geloven dat, om ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst. Hem eigen maakt en niets anders meer buiten Hem zoekt". Terwijl het iets verder luidt : „Wij geloven dat onze gelukzaligheid gelegen is in de vergeving der zonden om Christus Jezus' wil en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen is ; gelijk David en Paulus ons leren, verklarende de gelukzaligheid des mensen te zijn, dat God hem de rechtvaardigheid zonder werken toerekent. En dezelfde apostel zegt, dat wij om niet, of uit genade gerechtvaardigd zijn, door de verlossing, die in Jezus Christus is. En daarom houden wij dit fundament altijd vast. God alleen de eer gevende, ons vernederende en bekennende zodanigen als wij zijn, zonder iets van onszelven of van onze verdiensten te vermeten steunende en rustende op de gehoorzaamheid des gekruisigden Christus alleen, dewelke onze is, wanneer we in Hem geloven".
Met opzet hebben we de Belijdenisgeschriften onzer kerk enigszins uitvoerig laten spreken. Enerzijds omdat deze op zo duidelijke wijze de dingen, waarmede we ons thans bezig houden, belichten. Anderzijds om er ons daardoor te meer van te doordringen, dat het stuk van de Rechtvaardiging door het geloof van zulk een allesbeheersende betekenis is voor het geestelijke leven.
Het is zo goed dat de dogma's der kerk, zooals die door onze vaderen overgeleverd zijn, door ons grondig gekend worden. Ze kunnen er ons voor betvaren dat we ons door onschriftuurlijke leringen laten medevoeren, of dat we onder een schijn van gereformeerdheid op ongereformeerde wijze zouden gaan doorvloeien.
Als we er ons maar voor wachten, dat we de dogma's der kerk niet als bepaalde systemen zonder meer, zouden gaan beschouwen en daaraan genoeg hebben. Want het gevolg daarvan zou zijn, dat in de gemeente bij zulk een koude omklemming van systemen, het leven des geloofs zou gaan verstarren. En verstarring van het geestelijke leven is een kwaad ding. Rechtzinnig in de leer, doch noch koud noch heet, waar het betreft het waarachtig geestelijke leven, zegt daarvan de verhoogde Middelaar niet: omdat ge lauw zijt, zal Ik u uit Mijn mond spuwen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's